|
Uitspraak
98/6493 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
OWM Zilveren Kruis Zorgverzekeraar Rijnmond U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft gedaagde met toepassing van onder
meer artikel 13 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering en
artikel 3 juncto artikel 4 van het Besluit ziekenhuisverpleging
ziekenfondsverzekering (hierna: het Besluit) geweigerd appellant
machtiging te verlenen voor opname ten laste van de wettelijke
ziektekostenverzekering krachtens de Ziekenfondswet (Zfw) in het
Nederlands Astmacentrum Davos (NAD). Gedaagde heeft zich daarbij op het
standpunt gesteld dat er in het geval van appellant geen sprake is van
een indicatie tot opname.
De voormalige Commissie voor beroepszaken heeft terzake op 30 juni 1997
advies als bedoeld in artikel 74 van de Ziekenfondswet (zoals die
bepaling destijds luidde) uitgebracht. Daarbij is gedaagde niet in
overweging gegeven het bestreden besluit ten gunste van appellant te
herzien.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het namens appellant
tegen het bestreden besluit ingesteld beroep verworpen bij uitspraak van
30 juli 1998, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Tegen die uitspraak is vanwege appellant hoger beroep ingesteld op de
daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vanwege de rechtbank zijn de op het inleidend beroep betrekking hebbende
stukken ingezonden, daaronder begrepen een rapportage d.d. 29 december
1995 van de aan het NAD verbonden maatschappelijk werkende B. Willemsen,
een advies van 16 januari 1996 opgesteld door J.J.M. de Jong, adviserend
geneeskundige van de ANOZ, een huisbezoekrapport dd 26 augustus 1996 van
de geneeskundige mr. drs. A.L.F. van den Boogert alsmede een schrijven van
A.O. Bron, longarts bij het NAD, gedateerd 7 januari 1998.
Op verzoek van de fungerend President heeft het College voor
zorgverzekeringen bij begeleidend schrijven van 9 november 1999 aan de
Raad onder meer doen toekomen de beschouwingen d.d. 6 januari 1997 van
de medisch adviseur van de voormalige Ziekenfondsraad A. van Wieringen
met betrekking tot de vraag of er in het geval van appellant een
indicatie aanwezig is voor opname in het NAD.
Gedaagde heeft desgevraagd het door het Centraal Begeleidingsorgaan voor
de Intercollegiale Toetsing (CBO) in mei 1995 uitgebracht zogenoemd
consensusrapport (met bijlagen) overgelegd.
Voorts heeft Onderlinge Waarborgmaatschappij Trias desverzocht bij
begeleidend schrijven van 17 november 1999 de stukken ingezonden die
betrekking hebben op een bij die verzekeraar in februari 1997 ingediende
aanvraag voor opname in het NAD. Daaronder bevinden zich onder andere de
verslagen van de door de (CARA) verpleegkundigen W. Rook, J. Kastelein,
F.J.J. van der Ende-Bouman in 1996 en 1997 bij appellant afgelegde
huisbezoeken, een aan de behandelend longarts van appellant, R. Slotema,
gerichte brief d.d. 7 augustus 1997 van de aan Trias verbonden medisch
adviseur J.J. de Boer, een tweetal brieven van de begeleidingscommissie
Davos van 2 oktober 1997 en 4 augustus 1998 alsmede een uitgebreide
reactie d.d.18 november 1997 van voornoemde behandelend longarts op
voormelde brief van 2 oktober 1997.
Door de gemachtigde van appellant is onder meer een door appellant zelf
opgesteld commentaar van 25 november 1999 ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 december
1999, waar voor appellant is opgetreden mr. P.A.M.M. Dingemans, advocaat
te Ulvenhout.
Gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigden R.W. Bestebreurtje en drs.
I. Harms, adviserend geneeskundige.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang
zijnde feiten en regelgeving verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de
gedingstukken, naar respectievelijk rubriek 3 en pagina 3 van de
aangevallen uitspraak.
Ingevolge het ingestelde hoger beroep ziet de Raad zich gesteld voor de
vraag of bij de aangevallen uitspraak terecht is onderschreven het onder
I vermeld standpunt van gedaagde, inhoudend dat appellant in het kader
van de Zfw en het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering
(het Besluit) geen aanspraak op opname in het NAD kan maken jegens
gedaagde.
Voor het antwoord op die vraag is, naar ook tussen partijen niet is
betwist, bepalend of gedaagde bij de toepassing van artikel 4, vierde
lid van het Besluit zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten
tijde hier in geding ten aanzien van appellant (nog) geen sprake was van
een opnemingsindicatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van het
Besluit.
Ingevolge eerstgenoemde bepaling stelt het ziekenfonds vast, alvorens te
beslissen op een ingediende aanvraag tot opneming in een ziekenhuis
(waaronder het NAD mede wordt begrepen) of daartoe een indicatie bestaat
als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Een opnemingsindicatie in de
zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit wordt geacht aanwezig te
zijn indien en zolang voor de verzekerde de geneeskundige behandeling en
de daarmee verband houdende verpleging in een ziekenhuis redelijkerwijze
zijn aangewezen.
Gedaagde heeft aan zijn afwijzing van appellants aanvraag om opname in
het NAD onder meer ten grondslag gelegd dat appellant naar de
bevindingen van de onder I vermelde medisch adviseur Van den Boogert in
Nederland niet is uitbehandeld, dat zijn woning niet gesaneerd is en dat
opname in Davos met terugkeer naar een dergelijke woonomgeving in de
gegeven situatie niet doelmatig is.
Bij zijn advies van 30 juni 1997 heeft de Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad naar aanleiding van de
vanwege appellant tegen de zienswijze van gedaagde aangevoerde bezwaren
onder andere het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van uw verzoek om advies heeft de commissie advies
gevraagd aan de medisch adviseur van de Ziekenfondsraad. Deze heeft de
commissie het volgende meegedeeld. Uw cliënt heeft een ernstig
allergisch astma en een duidelijke allergie voor huisstofmijt en
hyperreactiviteit van de luchtwegen. Als gevolg van de astma is hij in
een arbeidsongeschiktheidsprocedure verwikkeld en verkeert hij in een
sociaal isolement. Uw cliënt heeft onvoldoende baat bij medicamenteuze
behandeling. Gezien de ernst en de complexiteit van de problematiek acht
de medisch adviseur een indicatie voor een multidisciplinaire
behandeling in een astmacentrum aanwezig. Behandeling in het NAD is
slechts geïndiceerd voor een specifieke groep CARA-patiënten.
Een werkgroep van het Centraal Begeleidingsorgaan voor de
Intercollegiale Toetsing (CBO) heeft in mei 1995 een rapport opgesteld
over de indicatiestelling voor behandeling van astmapatiënten in het
hooggebergte. Volgens het rapport is een moeilijk behandelbare astma op
basis van met name huisstofmijtallergie de hoofdreden om te verwijzen
naar het hooggebergte. Het hooggebergte kent immers een met name voor
huisstofmijt allergeenarme omgeving, die op zeeniveau niet geboden kan
worden. Als ondanks een zo goed mogelijke behandeling in Nederland,
conform huidige inzichten, het ziektebeeld bij volwassen patiënten met
een uitgesproken allergie en hyperreactiviteit onvoldoende onder
controle komt, is verwijzing naar het hooggebergte te overwegen.
De vraag ligt volgens de medisch adviseur voor of er in het geval van uw
cliënt sprake is van een optimale behandeling in Nederland. Een
sanering van de woonsituatie is voor behandeling van uw cliënt van
belang door de sterke allergie voor huisstofmijt en de hyperreactiviteit
van de luchtwegen. De medisch adviseur merkt op dat de CARA-zuster naar
aanleiding van een huisbezoek in mei 1996 saneringsadviezen heeft
gegeven over de vloerbedekking in de woonkamer, gordijnen, douche en
matras- en kussenhoezen.
Uw cliënt heeft die adviezen slechts ten dele opgevolgd.
Een constructief afvoersysteem van douchedampen acht uw cliënt niet
nodig. Uit de gegevens blijkt volgens de medisch adviseur dat de
woonsituatie van uw cliënt onvoldoende gesaneerd is. De medisch
adviseur is van oordeel dat uw cliënt geen indicatie heeft voor opname
in het NAD. Gelet op het medisch advies en de indicatiecriteria in het
rapport van het CBO is de commissie van oordeel dat in het geval van uw
cliënt niet vaststaat dat hij redelijkerwijs is aangewezen op de
behandeling in het NAD. Nu de sanering van zijn woning maar zeer ten
dele heeft plaatsgevonden kan het (nog) onvoldoende onder controle komen
van het ziektebeeld niet worden toegeschreven aan voor betrokkene
onvoldoende behandelmogelijkheden in Nederland.".
In hoger beroep bestrijdt appellant met name de feitelijke onderbouwing
van gedaagdes standpunt. Bij beroepschrift wordt daartoe aangevoerd dat
de mening van een carazuster niet doorslaggevend mag zijn voor de
slotsom dat de situatie in zijn woning zodanig is dat daardoor aan het
resultaat van een behandeling in het NAD afbreuk zal worden gedaan.
Gelet op de aan gedaagde bij de behandeling van appellants aanvraag ter
beschikking staande medische en andere gegevens onderschrijft de Raad
het oordeel van de rechtbank en de hiervoor weergegeven zienswijze van
de Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad.
De Raad overweegt daartoe als volgt.
Uit de aan gedaagde bij de behandeling van appellants aanvraag ter beschikking staande gegevens, waaronder de bevindingen van
de onder I genoemde medisch adviseurs De Jong en van den Boogert alsmede de wijkverpleegkundige Rook, blijkt
dat appellant de hem door zijn behandelend longarts en voormelde
wijkverpleegkundige in verband met zijn ernstige huisstofmijtallergie
aanbevolen saneringsmaatregelen niet heeft opgevolgd, onder meerdere en
met name niet wat betreft de noodzakelijke vervanging van de vaste
vloerbedekking in de woonkamer.
Voorts komt uit de overige, onder I vermelde gegevens, duidelijk naar voren dat zowel de behandelend longarts Slotema als de
- bij wijze van second opinion geraadpleegde - longarts prof dr. H.C.
Hoogsteden aanvankelijk kennelijk in de veronderstelling waren
(gebracht) dat appellants woning wel adequaat was gesaneerd.
Dit laatste valt ook af te leiden uit de brief d.d.7 januari 1998 van de
longarts Bron van het NAD respectievelijk de uitgebreide reactie d.d. 18
november 1997 van de behandelend longarts Slotema. Daarbij geeft
laatstgenoemde specialist in zijn reactie expliciet aan dat het
achterwege zijn gebleven van sanering van met name de vloerbedekking
achteraf beschouwd tot de slotsom moet leiden dat in het geval van
appellant opname in Davos vooralsnog niet op zijn plaats is.
Onder de gegeven omstandigheden kan, naar de Raad op grond van voormelde
medische gegevens aanneemt, bezwaarlijk worden gezegd dat opname in het
NAD ten tijde hier in geding redelijkerwijze was aangewezen.
De onderhavige saneringsmaatregel is immers appellant in verband met de
aard en ernst van zijn aandoening meermalen aanbevolen en ligt geheel in
de lijn van het terzake uit voormeld consensusrapport van het CBO naar
voren komend inzicht van de medische beroepsgenoten hier te lande.
Naar uit de daarop betrekking hebbende gegevens valt af te leiden vormt
het gerealiseerd zijn van de noodzakelijk geachte saneringsmaatregelen
in gevallen van met huisstofmijtallergie gepaard gaande longziektes een
wezenlijk onderdeel van de (verdere) medische beoordeling en
behandeling. Zulks onder meer in verband met de vraag of in voorkomend
geval onderzoek en behandeling in een derdelijnsvoorziening (zoals een
academisch ziekenhuis of een astmacentrum) in Nederland aangewezen is
voordat opname in het (als vierdelijns instelling beschouwde) NAD valt
te overwegen.
Of en in hoeverre elementaire saneringsvoorzieningen als hier aan de
orde daadwerkelijk zijn getroffen dient derhalve, gelet op het
vorenoverwogene, bij de vaststelling van de aanwezigheid van een
opnemingsindicatie als bedoeld in artikel 3 van het Besluit door het
ziekenfonds te worden onderzocht en meegewogen.
Gedaagde heeft zich van die taak (voldoende) zorgvuldig gekweten door
terzake een onderzoeksrapport te laten uitbrengen door zijn voormalig
medisch adviseur, die daartoe onder meer een gericht huisbezoek bij
appellant heeft afgelegd.
Terzijde merkt de Raad in dit verband op dat de uitkomst van voormeld
huisbezoek goeddeels strookt met de strekking van de overige op dat punt
aanwezige bevindingen van de onder I vermelde verpleegkundigen en de
adviserend geneeskundige De Boer van Trias. Bovendien vindt de door
gedaagde op grond van de aan hem ter beschikking staande gegevens
getrokken conclusie bevestiging in de bevindingen van de onder I
genoemde medisch adviseur Van Wieringen en in de beide beschouwingen van
de begeleidingscommissie Davos.
Naar in het vorengaande ligt besloten heeft hetgeen vanwege appellant -
goeddeels bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is
aangevoerd de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Het hoger beroep
faalt derhalve.
Mede daarom ziet de Raad geen termen voor een proceskostenveroordeling
als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, mr. D.J. van der Vos en mr. Th. Schelfhout als leden,
in tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 31 december 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|