|
Uitspraak
98/3166 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekeringen u.a., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is mr. A.C. Kool, advocaat te Amsterdam, op daartoe
aangevoerde gronden en onder overlegging van een aantal stukken, in
hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam op 20 februari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak (de
aangevallen uitspraak), inhoudende ongegrondverklaring van appellantes
beroep tegen het door gedaagde ten aanzien van haar in het kader van de
Ziekenfondswet genomen besluit van 12 juli 1994 (het bestreden besluit).
Vanwege gedaagde is op 30 oktober 1998 een verweerschrift, met bijlagen,
ingediend.
Het geding is, gevoegd met de zaak geregistreerd onder nummer 98/1892
ZFW, behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 1999, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kool, voornoemd,
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R. Out en A.M.
Brunet de Rochebrune-Loog, beiden werkzaam voor gedaagde.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde
als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiseres, geboren in 1948, lijdt aan de ziekte van Graves, ten
gevolge waarvan zij met name last heeft van wallen onder haar ogen. R.
Kalmann, haar behandelend oogarts, heeft namens eiseres op 19 april 1994
bij verweerder een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van
een correctie aan de onderoogleden van eiseres.
De adviserend geneeskundige van verweerder heeft nadere inlichtingen bij
eisers behandelend oogarts opgevraagd en heeft eiseres op 15 juni 1994
onderzocht.
Eiseres heeft aldaar meegedeeld dat zij ten gevolge van haar ziekte
'worstjes' onder de ogen heeft en dat de onderoogleden soms een drukkend
gevoel geven. Eiseres is door haar zicht van uiterlijk veranderd waarmee
zij het psychisch erg moeilijk heeft.
De adviserend geneeskundige heeft bij onderzoek van eiseres wat
prominerende ogen, klinisch geen exophthalmus aangetroffen. Voorts zijn er geringe wallen, onder beide
ogen conform de leeftijd van eiseres. Naar het oordeel van de adviserend
geneeskundige kan zeker niet worden gesproken van een verminking,
aangezien daaronder een ernstige deformiteit, c.q. het ontbreken van
weefsel, al dan niet gepaard gaande met functionele bezwaren, wordt
verstaan. Blijkens zijn brief van 22 september 1994 heeft de adviserend
geneeskundige aan verweerder voorts meegedeeld dat eiseres het moeilijk
heeft met de verandering van haar ogen als gevolg van haar ziekte, maar
dat een onderooglidcorrectie haar problemen niet zou oplossen."
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde vervolgens geweigerd de kosten
van de door appellante gewenste ingreep te vergoeden omdat die
behandeling niet medisch noodzakelijk zou zijn, maar vooral een
esthetisch karakter zou hebben en bovendien niet zou vallen onder de
opsomming van artikel 2 van de Regeling niet-klinische
plastisch-chirurgische hulp ziekenfondsverzekering (nader te noemen de
Regeling), waarin limitatief is aangegeven in welke gevallen aanspraak
bestaat op dergelijke hulp.
De Commissie voor Beroepszaken van de toenmalige Ziekenfondsraad is in
een op verzoek van appellante uitgebracht advies tot de conclusie
gekomen dat het besluit van gedaagde juist is.
In het kader van het door haar tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep is namens appellante betoogd dat twee onderdelen van het zesde
lid van artikel 2 van de Regeling op haar van toepassing zijn, namelijk
het bepaalde onder b en onder f. Deze onderdelen geven aanspraak op
plastisch-chirurgische behandeling in geval deze strekt tot correctie
van "verminkingen, welke het gevolg zijn van een ziekte, ongeval of
een geneeskundige verrichting" respectievelijk van
"afwijkingen in het uiterlijk, welke de oorzaak vormen van een
zodanig psychisch lijden, dat de verzekerde daardoor ernstig in zijn
geestelijke gezondheid wordt geschaad en mits aannemelijk is dat de
correctie van de afwijking afdoende is om dat psychisch lijden op te
heffen".
De rechtbank heeft zich laten adviseren door de deskundige prof. dr. H.J.
van Aalderen, huisartsgeneeskundige te Amsterdam. Deze heeft in zijn
rapport aangegeven dat de toestand van de onderoogleden als een
verminking is aan te merken, waarbij hij onder verminking verstaat:
"een verandering van één of meer lichaamsdelen ten gevolge van
uitwendig geweld, een ziekte of medische ingreep". Voorts is die
deskundige tot de conclusie gekomen dat de toestand van de onderoogleden
is aan te merken als een afwijking in het uiterlijk, die mede psychisch
lijden van appellante tot gevolg heeft gehad, terwijl hij tevens
aannemelijk heeft geacht dat de correctie van de afwijking dat lijden
aanmerkelijk zal verlichten.
De rechtbank heeft niettemin bij de aangevallen uitspraak appellantes
beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe in het bijzonder overwogen
dat de deskundige Van Aalderen is uitgegaan van een ruime definitie van
het begrip verminking welke afwijkt van hetgeen daaronder blijkens de
toelichting op de Regeling moet worden verstaan.
Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op een zich
onder de gedingstukken bevindende verklaring van appellantes behandelend
psychiater, uit het deskundigenrapport niet worden afgeleid dat is
voldaan aan de strenge voorwaarden van onderdeel f van artikel 2, zesde
lid, van de Regeling.
Ook de overige beroepsgronden welke namens appellante zijn aangevoerd
zijn door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft in dat verband
overwogen dat - anders dan appellante heeft doen stellen - de
omstandigheid dat de beoogde ingreep niet door een plastisch chirurg,
maar door een oogarts wordt uitgevoerd, niet maakt dat er geen sprake is
van een niet-klinische plastisch chirurgische ingreep. Ook heeft de
rechtbank als haar oordeel gegeven dat het beroep dat zijdens appellante
is gedaan op het gelijkheidsbeginsel in verband met de eerder door
gedaagde wel gehonoreerde correctie aan de bovenoogleden, niet opgaat,
aangezien slechts gezwollen bovenoogleden het zicht kunnen belemmeren,
zodat er een wezenlijk verschil met gezwollen onderoogleden bestaat. Ten
slotte heeft de rechtbank de omstandigheid dat de medisch adviseur van
de Ziekenfondsraad geen advies aan een psychiater heeft gevraagd,
onvoldoende reden geacht om diens onderzoek onzorgvuldig te achten.
In hoger beroep is namens appellante in de eerste plaats, onder meer op
taalkundige gronden, betoogd dat de deskundige Van Aalderen wel is uitgegaan van een juiste definitie van
het begrip verminking en dat hij terecht de feitelijke situatie van
appellante vóór het intreden van de ziekte van Graves (aan de hand van
foto's) heeft vergeleken met de toestand ten tijde van appellantes
aanvraag. Ook heeft appellante doen stellen dat uit het rapport van de
deskundige volgt dat wel is voldaan aan de voorwaarden om wegens
psychisch lijden in aanmerking te komen voor de gewenste ingreep.
Subsidiair is harerzijds om benoeming van een deskundige op het gebied
van de psychiatrie gevraagd. Voorts is appellante gebleven bij de
overige in eerste aanleg aangevoerde grieven, welke door de rechtbank
zijn verworpen.
De Raad overweegt als volgt.
Lettend in het bijzonder op de geschiedenis van de totstandkoming van de
ingaande 1 januari 1991 ingevoerde Regeling, welke een aanscherping van
de voorheen geldende - ook al niet ruime - criteria voor
plastisch-chirurgische hulp beoogde, en tevens in aanmerking genomen de
in de toelichting op artikel 2, zesde lid onder b, van de Regeling
gegeven voorbeelden van wat in dit verband onder verminking dient te
worden verstaan, is de Raad van oordeel dat voor het aannemen daarvan
bepaald onvoldoende is dat zich, zoals door de deskundige Van Aalderen
aangegeven, een verandering van een lichaamsdeel ten gevolge van (onder
meer) een ziekte voordoet, en dat van een verminking zeker niet eerder
sprake is dan in het geval van een ernstige misvorming van een
lichaamsdeel.
Uit de voorhanden (medische) gegevens, waaronder het rapport van de
deskundige Van Aalderen, blijkt niet dat er ten tijde voor dit geding
van belang bij appellante sprake was van een verminking aan de
onderoogleden in de zin van voormeld onderdeel b. Die deskundige gewaagt
namelijk in zijn rapport van matig verdikte benedenoogleden, welke
verdikking op het eerste gezicht voor een buitenstaander wel meevalt,
zij het dat er een duidelijke verandering te zien is bij vergelijking
met het uiterlijk van appellante op een foto van vóór haar ziekte.
Derhalve is niet staande te houden dat het in casu gaat om een situatie
waarop de onderwerpelijke bepaling het oog heeft.
Ten aanzien van de toetsing van appellantes aanvraag aan het bepaalde in
artikel 2, zesde lid onder f. van de Regeling verwijst de Raad
allereerst naar hetgeen hij in een aantal uitspraken van 23 april 1999,
waarvan er één is gepubliceerd in RSV 1999/191, heeft overwogen
omtrent de reikwijdte van (een gelijkluidende bepaling als) dit
artikelonderdeel.
De Raad heeft daarin aangegeven dat een de geestelijke gezondheid
blijvend ernstige schade toebrengend psychisch lijden binnen de
omgrenzing van de zojuist genoemde bepaling bij een betrokkene in
beginsel slechts dan aannemelijk is te achten als sprake is van een
reeds ingezette, uit objectief medisch oogpunt noodzakelijke,
behandeling van psychische klachten als gevolg van de afwijking(en) in
het uiterlijk, dan wel als er sprake is van een door de afwijking(en)
veroorzaakte psychische toestand die bij voortduren, zonder de gewenste
plastisch chirurgische ingreep, onvermijdelijk tot een behandeling
vergende psychiatrische ziekte en/of stoornis zal leiden. Voorts dient
ten minste aannemelijk te zijn dat (verdere) behandeling van de
betreffende psychische klachten na de ingreep uit medisch oogpunt niet
noodzakelijk is.
Nog daargelaten dat de conclusies van de deskundige Van Aalderen de
vorenomschreven toepasselijke criteria niet geheel dekken, leidt de Raad
uit de overige voorhanden gegevens af dat niet aan die (strenge)
criteria is voldaan. Uit een zich onder de gedingstukken bevindende
brief van appellantes behandelende psychiaters van 25 juli 1995 blijkt
namelijk dat er bij haar sprake is van een matig ernstige psychiatrische
aandoening welke weliswaar in enige mate mede in verband staat met haar
lijden aan de ziekte van Graves, maar dat de behandeling is gericht op
andere aspecten. Uit de overige beschikbare gegevens en hetgeen
appellante daarover ter zitting van de Raad heeft verklaard, leidt de
Raad voorts af dat de, inmiddels reeds lang afgesloten, behandeling zich
ook tot die andere aspecten beperkt heeft. Gelet op het verloop van
appellantes psychiatrische behandeling ziet de Raad ook onvoldoende
aanleiding om in deze procedure alsnog tot benoeming van een deskundige
op het gebied van de psychiatrie over te gaan.
Hetgeen de rechtbank overigens omtrent appellantes grieven heeft
overwogen kan de Raad volledig onderschrijven en deze kunnen dan ook
niet tot het harerzijds beoogde gevolg leiden.
Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het
bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen
uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.
van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8
oktober 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|