|
Uitspraak
97/3051 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
OWM ANOVA Zorgverzekeringen U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij het beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden
in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te
Utrecht onder dagtekening 2 februari 1997 tussen partijen gegeven
uitspraak.
Bij brief van 10 oktober 1997 heeft gedaagde een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 mei
1998, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. J. van Zanten, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 2 februari 1995 heeft gedaagde, na gedaan bezwaar, de
weigering gehandhaafd om appellants echtgenote met ingang van 19 april
1992 in het kader van de Ziekenfondswet (Zfw) als medeverzekerde aan te
merken. Bij dat besluit is voorts meegedeeld dat appellants kinderen
over de periode van 19 april 1992 tot 1 mei 1994 recht hebben op
medeverzekering en dat in verband hiermee restitutie kan worden verleend
van de over dit tijdvak terzake betaalde premie van de particuliere
ziektekostenverzekering. Met betrekking tot de medeverzekering van
appellants kinderen over de periode vanaf 1 mei 1994 heeft appellant nog
een afzonderlijk besluit in het vooruitzicht gesteld.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant
niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit betrof de medeverzekering van
zijn kinderen vanaf
1 mei 1994, de handhaving van het verzekeringspakket van zijn echtgenote
en de gevraagde restitutie van de ten behoeve van haar vanaf april 1992
betaalde verzekeringspremie, op de grond dat bij het bestreden besluit
omtrent deze onderwerpen niet was besloten. Het beroep voor zover
gericht tegen de weigering van gedaagde om appellants echtgenote over de
periode 19 april 1992 tot 1 mei 1994 als medeverzekerde aan te merken,
heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Het bestreden besluit tot
weigering van medeverzekering van appellants echtgenote vanaf 1 mei 1994
is, met instandlating van de rechtsgevolgen, vernietigd.
Het hoger beroep van appellant richt zich onder meer tegen evenvermelde
niet-ontvankelijkheidsverklaring. De Raad verenigt zich met het oordeel
van de rechtbank dienaangaande, onderschrijft de daaraan ten grondslag
gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. De omstandigheid dat de
door appellant aan de orde gestelde onderwerpen, zoals hij aanvoert,
nauw samenhangen met zijn bezwaren tegen het bestreden besluit, kan niet
wegnemen dat bij dat besluit daaromtrent niet is beslist en dat deze
derhalve in dit geding niet aan de orde kunnen komen.
Met betrekking tot de partijen ook in hoger beroep verdeeld houdende
vraag of appellants echtgenote vanaf 19 april 1992 als medeverzekerde in het kader van de Zfw is aan te
merken overweegt de Raad als volgt.
Appellants echtgenote was van 8 april 1991 tot 1 november 1992 uit
hoofde van haar dienstverband bij de vennootschap onder firma "X"
en van 1 november 1992 tot 1 mei 1994 uit hoofde van haar
arbeidsovereenkomst bij de Montessorischool te Y ingevolge artikel 3,
eerste lid, van de Zfw verplicht verzekerd. Reeds op de grond dat
artikel 4, zestiende lid, onder a van de Zfw bepaalt dat niet als
medeverzekerd wordt aangemerkt de verzekerde bij of krachtens artikel 3,
eerste lid, van de Zfw, kan appellants echtgenote over deze periode niet
als medeverzekerde worden aangemerkt. Van een in casu geldende
wettelijke uitzondering hierop is de Raad niet gebleken.
Gedaagde heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, appellantes
echtgenote vanaf 1 mei 1994 niet als medeverzekerde willen aanmerken,
omdat appellant geen kostwinner is. Dienaangaande overweegt de Raad het
volgende.
Ingevolge artikel 4, twaalfde lid, onder c, van de Zfw is de Minister
bevoegd nadere regelen te stellen naar welke wordt beoordeeld of een
verzekerde als kostwinner wordt aangemerkt. Van deze bevoegdheid is
gebruik gemaakt middels vaststelling van de Regeling medeverzekering
ziekenfondsverzekering van 4 november 1987, Stcrt. 1987, 221, zoals
nadien gewijzigd (de Regeling). Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de
Regeling wordt een verzekerde als kostwinner aangemerkt indien het loon
van de verzekerde, waarop de verplichte verzekering steunt, in de regel
ten minste de helft bedraagt van het totale inkomen van de verzekerde,
vermeerderd met dat van zijn echtgenote of haar echtgenoot. Onder
inkomen in deze bepaling wordt ingevolge artikel 6, derde lid, van de
Regeling verstaan het inkomen, uitgezonderd kinderbijslag ingevolge de
kinderbijslagregelen.
Appellant heeft met name aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft
aangenomen, onder inkomen in dit verband moet worden verstaan het
inkomen uit arbeid en dat onder dit begrip niet vallen inkomsten uit
verhuur of verpachting van roerende en onroerende goederen en andere
soortgelijke inkomsten uit beleggingen. De Raad deelt die opvatting niet
gelet op artikel 6, eerste lid, van de Regeling, waarin wordt gesproken
van het totale inkomen en op de ruime definitie in artikel 6, derde lid,
van de Regeling van het begrip inkomen. Een beperking tot het inkomen
uit arbeid komt in deze bepaling niet voor en slechts op een - hier niet
ter zake doend- onderdeel is een uitzondering gemaakt op hetgeen onder
inkomen moet worden verstaan.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak een juist inkomensbegrip heeft gehanteerd. Nu in
hoger beroep niet in geschil is dat uitgaande van dat inkomensbegrip en
rekening houdend met de eigen inkomensgegevens van appellant, zoals die
blijken uit zijn aangifte Inkomstenbelasting 1993, de rechtbank met
juistheid heeft vastgesteld dat appellant niet als kostwinner kan worden
aangemerkt in de zin van artikel 6, eerste lid van de Regeling, valt
appellants echtgenote vanaf 1 mei 1994 niet als medeverzekerde aan te
merken. De aangevallen uitspraak komt ook met betrekking tot dit
onderdeel voor bevestiging in aanmerking.
Hetgeen appellant overigens in hoger beroep nog heeft aangevoerd en
gevorderd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van B. Goos
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 1998.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) B. Goos.
|
|