|
Uitspraak
97/1492 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
Stichting Centrale Zorgverzekeraars, groep Ziekenfonds, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 11 juli 1995 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld
van het bij en krachtens de Ziekenfondswet genomen besluit waarbij is
geweigerd hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van een medische
behandeling in Duitsland.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft bij brief
van 8 maart 1996 het advies uitgebracht dat zij dit besluit juist acht.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 23
december 1996 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. D.A.H. Veldhof, advocaat te Goes, tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij aanvullend
beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden verzocht de aangevallen
uitspraak te vernietigen en daarentegen, opnieuw recht doende, te
bepalen dat de door appellant gemaakte kosten terzake de door hem
ondergane behandeling in Duitsland (inclusief de operaties d.d. 8 mei
respectievelijk 27 november 1995) alsnog door gedaagde zullen worden
vergoed.
Gedaagde heeft op 3 oktober 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 februari
1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Veldhof, voornoemd, als zijn raadsman, en waar gedaagde, na voorafgaande
kennisgeving, niet is verschenen.
In het kader van de heropening van het onderzoek heeft de medisch
adviseur van gedaagde bij brief van 14 april 1998 (met bijlage)
desverzocht nadere inlichtingen verstrekt.
Appellant heeft bij brief van 20 april 1998 hierop gereageerd.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18
augustus 1998, waar appellant is verschenen als ter zitting van 6
februari 1998 en waar gedaagde opnieuw niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de medische en overige gedingstukken de navolgende
feiten en omstandigheden.
Vanwege al sedert 1973 bestaande rugklachten waarvoor appellant in
Nederland zonder afdoend resultaat een tweetal operaties had ondergaan,
heeft hij zich in februari 1994 gewend tot prof. dr. med. U. Rodegerdts
te Langen (Duitsland). Op 11 mei 1994 heeft appellant gedaagde verzocht
hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten verbonden aan
de in Duitsland uit te voeren rugoperatie. De medisch adviseur van
gedaagde heeft appellant bij brief van 9 juni 1994, na toetsing van
appellants verzoek aan het bepaalde in artikel 9, vierde lid van de
Ziekenfondswet en artikel 22 van de EEG Verordening 1408/71 bericht dat
vooralsnog niet tot vergoeding zou worden overgegaan.
Bij brief van 15 juni 1995 heeft appellants gemachtigde, onder
overlegging van een schrijven van de kliniek van prof. Rodegerdts,
alsnog om vergoeding van de behandeling van appellant in deze kliniek
verzocht. Uit evenvermeld schrijven blijkt dat bij appellant cervicale
myelopathie en osteochondrose in hals en rug was geconstateerd, dat hij
reeds onderzocht was ter uitsluiting van een neurologisch lijden en dat
spondylodese was verricht bij een tweetal halswervels. Bij het bestreden
besluit heeft appellant toestemming voor behandeling in Duitsland
geweigerd en met betrekking tot de reeds ondergane operatie aan de nek
overwogen dat die behandeling ook in Nederland verleend had kunnen
worden. In november 1995 is appellant vervolgens door prof. Rodegerdts
in Duitsland aan zijn rug geopereerd waarbij zijn wervelkolom is
vastgezet met behulp van een metalen implantaat.
Ter beantwoording is de vraag of gezegd moet worden dat gedaagde niet in
redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft
gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven (supra)nationale
rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel door toestemming aan
appellant te onthouden om op haar kosten in Duitsland bij prof.
Rodegerdts medisch te worden behandeld. Die vraag beantwoordt de Raad in
al zijn onderdelen ontkennend.
Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn aan
partijen bekend zijnde uitspraak van 19 december 1997 (geregistreerd
onder nr. 97/2470 ZFW) omtrent het experimentele karakter van de door
prof. Rodegerdts ontwikkelde behandeling van rugklachten middels
vastzetten van de wervelkolom met behulp van een metalen implantaat,
moet de Raad vaststellen dat ook in het onderhavige geval, gelet op de
hiervoor vermelde toetsingsmaatstaf, hierin voldoende grond is gelegen
om de weigering van gedaagde om voor die behandeling toestemming te
verlenen, in stand te laten. Van de zijde van appellant is ook niet met
gegevens van medische of andere aard aangegeven dat ten tijde hier in
geding naar gangbare medische maatstaven onder beroepsbeoefenaren in
Nederland de opvatting omtrent het experimentele karakter van
evenvermelde behandelingsmethodiek van prof. Rodegerdts zou zijn
verlaten.
Met betrekking tot de aan voormelde rugoperatie voorafgegane medische
onderzoeken en de operatie aan de hals in Duitsland ontleent de Raad aan
de daaromtrent beschikbare gegevens van medische aard dat geenszins
sprake was van medische handelingen die, indien geοndiceerd, in
Nederland niet hadden kunnen plaatsvinden. De omstandigheid dat
appellant deze behandeling in Nederland niet heeft kunnen verkrijgen
omdat van bevoegde medische zijde daarvoor kennelijk geen indicatie werd
gezien, doet hieraan niet af. Niet in geschil is immers dat die
behandeling is ingezet met het oog op de nadien uit te voeren operatie
aan de rug van appellant. Nu laatstgenoemde ingreep, gelijk hiervoor is
overwogen, niet ten laste van gedaagde kan worden gebracht, geldt zulks
evenzeer voor de daaraan voorafgegane en uitsluitend met het oog op die
ingreep verrichte medische handelingen.
In de hiervoor reeds genoemde uitspraak heeft de Raad ten aanzien van de
toetsing aan artikel 22 van de EEG Verordening 1408/71 overwogen dat het
experimentele karakter van de operatieve ingreep van prof. Rodegerdts er
aan in de weg staat dat gesproken kan worden van een noodzakelijke en
doeltreffende therapie voor de ziekte of aandoening waaraan de
betrokkene lijdt op grond waarvan de gevraagde toestemming niet kan
worden onthouden. Naar in het hiervoor overwogene reeds ligt besloten
ziet de Raad in het onderhavige geval geen reden daarover thans anders
te oordelen.
Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd en doen
aanvoeren heeft de Raad geen aanknopingspunt gegeven het bestreden
besluit voor onjuist te houden.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog op dat hetgeen hiervoor
is overwogen niet betekent dat de Raad zou (willen of kunnen) ontkennen
dat appellant de door hem ondergane behandeling in Duitsland niet als
heilzaam heeft ervaren. Gelet op het eerderoverwogene met betrekking tot
de gangbare medische maatstaven onder beroepsbeoefenaren ten tijde hier
in geding, kan de Raad evenwel niet tot een ander oordeel komen dan dat
gedaagde in het onderhavige geval niet verplicht is de aan die
behandeling verbonden kosten voor haar rekening te nemen.
Tenslotte overweegt de Raad nog geen termen aanwezig te achten om
toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid
van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
september 1998.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) D. Nebbeling.
|
|