|
Uitspraak
96/11055 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 april 1995 heeft gedaagde op grond van het bij en
krachtens het bepaalde in de Ziekenfondswet (Zfw) geweigerd een bij
appellante uit te voeren buikhuidplastiek ten laste van de
ziekenfondsverzekering te brengen.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft bij advies
van 14 november 1995 dit besluit juist geacht.
De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 24
oktober 1996 het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te
Sittard, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij schrijven van 16 januari 1997 van verweer gediend.
Appellante heeft bij brief van 8 december 1997 een haar betreffend
rapport van de psycholoog A. Kapteyn te Echt ingezonden, waarop gedaagde
bij brief van 15 april 1998 heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 mei
1998, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door zijn juridisch medewerker mr. E.P.H.
Verdeuzeldonk.
Na heropening van het onderzoek heeft appellante een verklaring van 10
mei 1997 van haar huisarts A. van den Berg ingezonden. Voorts heeft,
door de Raad desverzocht, M.J. Bruna, psychiater te Leidschendam, bij op
28 januari 1999 ingezonden rapport van verslag en advies gediend.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26
maart 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Derks-Höppener, voornoemd, en waar gedaagde is verschenen als ter
zitting van 15 mei 1998.
II. MOTIVERING
Partijen houdt in hoger beroep in het bijzonder verdeeld of appellante
op grond van het bepaalde in artikel 2, zesde lid, onder f, van het
Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering (het Besluit) jegens
gedaagde aanspraak heeft op een plastisch-chirurgische operatie in de
vorm van een buikhuidplastiek. Die vraag beantwoordt de Raad
bevestigend. Daartoe is als volgt overwogen.
In artikel 2, zesde lid, aanhef en onder f, van het Besluit is bepaald,
dat aanspraak op plastisch-chirurgische behandeling en het daarmee
verband houdende verblijf in een ziekenhuis slechts bestaat, indien de
behandeling strekt tot correctie van afwijkingen in het uiterlijk, welke
de oorzaak vormen van een zodanig psychisch lijden, dat de verzekerde
daardoor blijvend ernstig in zijn geestelijke gezondheid wordt geschaad
en mits aannemelijk is dat correctie van de afwijking afdoende is om dat
psychisch lijden op te heffen.
De Raad verstaat deze bepaling allereerst aldus dat niet elk psychisch
lijden bij de verzekerde door de ingreep behoeft te worden opgeheven,
maar alleen psychisch lijden voor zover dat veroorzaakt wordt door de
afwijking(en) in het uiterlijk.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat, hoewel geen sprake was van een louter door esthetische wensen van
appellante ingegeven verzoek tot de gevraagde plastisch-chirurgische
verrichting, geen psychisch lijden als hier bedoeld aanwezig was te
achten, omdat bij appellante reeds langer sprake was van psychische
klachten, echter veroorzaakt door andere gebeurtenissen en ervaringen
dan de klachten in verband met de buikwand. Gelet op het zojuist
overwogene heeft de rechtbank daarbij miskend dat die klachten niet
behoeven uit te sluiten dat sprake is van psychisch lijden als gevolg
van afwijking(en) in het uiterlijk. Reeds op deze grond komt de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
Voorts overweegt de Raad dat, mede gelet op de ontstaansgeschiedenis van
deze bepaling, een de geestelijke gezondheid blijvend ernstige schade
toebrengend psychisch lijden binnen de omgrenzing van artikel 2, zesde
lid aanhef en onder f, van het Besluit bij een betrokkene in beginsel
slechts dan aannemelijk is te achten als sprake is van een reeds
ingezette uit objectief medisch oogpunt noodzakelijke behandeling van
psychische klachten als gevolg van de afwijking(en) in het uiterlijk,
dan wel als sprake is van een door de afwijking(en) veroorzaakte
psychische toestand die bij voortduren, zonder de gewenste
plastisch-chirurgische ingreep, onvermijdelijk tot een behandeling
vergende psychiatrische ziekte en/of stoornis zal leiden.
Aanspraak op deze ingreep uit hoofde van de hier van toepassing zijnde
regelgeving bestaat alsdan, mits tenminste aannemelijk is dat (verdere)
behandeling van de betreffende psychische klachten na de ingreep uit
medische oogpunt niet noodzakelijk is.
Met inachtneming van het hiervoor overwogene is de Raad op grond van de
in rubriek I genoemde - goeddeels met elkaar strokende - rapportages tot
de conclusie gekomen dat appellante voldoet aan het bepaalde in artikel
2, zesde lid, aanhef en onder f van het Besluit nu bij haar sprake is
van een psychisch lijden als vorenomschreven waarvan aannemelijk is dat
dat na de gevraagde plastisch-chirurgische ingreep geen verdere
behandeling vraagt.
Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het bestreden besluit alsmede de
aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in
beroep begroot op f 21,50 aan reiskosten en in hoger beroep op f
1.420,-- voor verleende rechtsbijstand, f 881,25 ter zake van het door
de psycholoog Kapteyn uitgebrachte rapport en f 226,50 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit neemt op de aanvraag van
appellante met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten in eerste aanleg tot een bedrag
groot f 21,50 aan reiskosten in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,-- aan verleende rechtsbijstand en 226,50 aan reiskosten, te
betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 200,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M.
Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 23 april 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
|
|