|
Uitspraak
96/9963 ZFW en 97/4591 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
0nderlinge Waarborgmaatschappij OZ Zorgverzekeringen U.A. te Zwijndrecht,
gedaagde;
alsmede in het geding tussen:
C te D, appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Salland Gezondheidszorg Verzekeringen
U.A. te Deventer, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
A.
Bij besluit van 5 januari 1996 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
(nader: A) tegen zijn besluit d.d. 26 september 1995 om hem ingaande 1
januari 1995 niet (weer) in te schrijven als ziekenfondsverzekerde
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 13
september 1996 het beroep tegen het besluit van 5 januari 1996 ongegrond
verklaard.
Namens A is mr. A.A.J. Kouwenhoven, werkzaam bij de Rechtskundige Dienst
FNV, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de bij aanvullend
beroepschrift van 12 maart 1997 aangevoerde gronden heeft hij de Raad
verzocht de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te
vernietigen.
Namens gedaagde heeft mr. H.P. Utermark, advocaat te 's-Gravenhage,
verweer gevoerd bij schrijven van 4 juni 1997.
Namens A zijn de beroepsgronden aangevuld bij brief van 29 oktober 1997.
Gedaagde heeft hierop gereageerd bij brief van 11 september 1998.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 september 1998.
Aldaar is A in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Kouwenhoven,
voornoemd, als zijn raadsman. Gedaagde is verschenen bij mr. J.L. van
Soest, advocaat te 's-Gravenhage.
B.
Bij besluit van 25 november 1994 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante (nader: C) tegen zijn besluit van 1 augustus 1994, houdende
de weigering om haar als ziekenfondsverzekerde in te schrijven,
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
25 april 1997 het beroep tegen het besluit van 25 november 1994
ongegrond verklaard.
Het hoger beroep van C strekt tot vernietiging van deze uitspraak op de
bij brieven van 5 mei en 11 juni 1997 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij brief van 18 november 1997.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 23 september 1998, waar geen van partijen is verschenen.
II. MOTIVERING
Beide appellanten zijn gerechtigde tot een pensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW) en zijn gehuwd met een eveneens
AOW-gerechtigde.
Als gevolg van de invoering op 1 juli 1994 van de Wet van 9 juni 1994
tot wijziging van de Ziekenfondswet en enige andere wetten in verband
met uitbreiding van de personele werkingssfeer van de Ziekenfondswet met
een bepaalde categorie van AOW-gerechtigden (Stb. 465), de zogenoemde
Wet-Van Otterloo, is de inschrijving van A en zijn echtgenote als
ziekenfondsverzekerden beëindigd met ingang van 1 januari 1995. Op
grond van het bepaalde in diezelfde wet is de inschrijving van C als
ziekenfondsverzekerde geweigerd.
De bezwaren van appellanten zoals deze tegen de ten aanzien van hen
genomen besluiten zijn aangevoerd, zijn gericht tegen de wettelijke
regeling zelf. Zij betreffen, in algemene termen gesteld, een in die wet
gelegen of daardoor aangebracht niet te rechtvaardigen onderscheid, c.q.
een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, alsmede een belemmering
van de toegang tot de wettelijke ziektekostenverzekering ingevolge de
Ziekenfondswet. Hiertoe is (mede) een beroep gedaan op verschillende
bepalingen van supra- en internationaal recht, waaronder artikel 26 van
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Trb.
1978, 177; hierna IVBPR), artikel 4 van de richtlijn 79/7/EEG (hierna:
de derde richtlijn) en artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (Trb.
1962, 3).
De aangevochten wettelijke regeling heeft betrekking op de positie van
ingezetenen met een AOW-pensioen in de ziekenfondsverzekering.
Wat betreft de voorgeschiedenis van die regeling zij vermeld dat bij de
in werking treding op 1 april 1986 van de Wet op de toegang tot de
ziektekostenverzekeringen d.d. 27 maart 1986 (Stb. 123; hierna: Wtz) de
bejaardenverzekering en de vrijwillige verzekering ingevolge de
Ziekenfondswet (Zfw) zijn opgeheven. De Wtz bewerkstelligde, globaal
gesteld, dat de verzekeringspositie direct voorafgaand aan de 65-jarige
leeftijd bepalend was voor die daarna. Was de betrokkene vóór het
bereiken van die leeftijd verplicht verzekerd ingevolge de Zfw, dan
behield hij deze positie; zo niet, dan was of bleef hij aangewezen op
een particuliere ziektekostenverzekering, in verband waarmee de Wtz een
verplichte acceptatie voor het zogeheten standaardpakket (de
standaardpakketpolis) in het leven riep.
Het voorstel voor de
Wet-Van Otterloo is blijkens de memorie van
toelichting voornamelijk ingegeven door het besef dat onder de Wtz een
aanmerkelijke groep bejaarden een relatief groot deel van het inkomen
aan de premie voor de ziektekostenverzekering diende te besteden,
terwijl zuiver gelet op de hoogte van dat inkomen er aanleiding zou zijn
die groep onder de verplichte ziekenfondsverzekering te brengen. Om aan deze ongewenst geachte
situatie een einde te maken, is in die Wet, door wijziging van artikel
3, eerste lid, onder c, van de Zfw, het recht op AOW-pensioen als een
zelfstandige titel voor de verplichte ziekenfondsverzekering aangemerkt,
zolang dat pensioen, vermeerderd met inkomsten uit of in verband met
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven (met name: aanvullende
pensioenen), niet meer bedraagt dan f 30.500,- per jaar; per 1 januari
1995, de datum hier in geding, is deze grens f 30.950,-. Deze
inkomenstoets geldt ook voor gehuwden die beiden AOW-gerechtigd zijn,
zij het dat hier het inkomen van beide echtgenoten beneden de genoemde
grens moet liggen.
Met deze inkomensgrens is primair beoogd te bewerkstelligen dat bij een
(gezins)inkomen lager dan 70% van het bedrag van de
loongrens voor loontrekkenden in de Zfw een verplichte
ziekenfondsverzekering bestaat, waarbij ervan is uitgegaan dat aan
iedere gehuwde boven 65 jaar in ieder geval een inkomen van 50% van het
nettominimumloon (artikel 9 AOW) kan worden toegerekend.
De invoering van de
Wet-Van Otterloo heeft ertoe geleid dat A en zijn
echtgenote, hoewel zij voorafgaand aan 1 januari 1995
ziekenfondsverzekerd waren, vanaf die datum niet meer aan de daarvoor
geldende voorwaarden voldeden omdat het inkomen van A boven de genoemde
grens ligt. C kan op grond van de Wet niet als verplicht verzekerde
worden aangemerkt omdat het inkomen van haar echtgenoot boven die grens
ligt.
Met betrekking tot de door appellanten aangevoerde bezwaren stelt de Raad voorop dat hij bepalingen van een wet in formele
zin als de onderhavige niet kan toetsen aan de Grondwet of aan enige
andere wet, zoals de namens A genoemde Algemene wet gelijke behandeling,
en evenmin aan algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel.
Toetsing aan bepalingen van supranationaal recht of aan een ieder
verbindende verdragsbepalingen is wel mogelijk.
In zoverre appellanten, met name A, hebben betoogd dat de voorwaarden
voor toelating tot de verplichte ziekenfondsverzekering overeenkomstig
de
Wet-Van Otterloo in strijd zijn met verdragsbepalingen die betrekking
hebben op de verplichting tot het bieden van adequate gezondheidszorg of
van de mogelijkheid van verzekering ten behoeve daarvan, kan de Raad hen
in dat betoog niet volgen. Indien al aan de ingeroepen bepalingen een
ieder verbindende kracht kan worden toegekend - namens A is behalve naar het Europees Sociaal Handvest verwezen naar
artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten (Trb. 1978, 178) en naar de artikelen 8 en 12 van de
ILO-conventie nr 130 - zijn zij zo ruim, dan wel vaag, geformuleerd dat
niet staande kan worden gehouden dat de onderhavige aanpassing van de Zfw
ingaande 1 juli 1994 daarmee in strijd komt.
De Raad wijst er overigens op dat met de wetswijziging is beoogd - en ook
bereikt - dat een grotere groep AOW-gerechtigden, c.q. personen met een relatief laag inkomen, dan
voorheen binnen de werkingssfeer van de verplichte
ziekenfondsverzekering valt, zodat veeleer kan worden gesteld dat in
ruimere mate dan voorheen aan de daarop betrekking hebbende
verdragsverplichtingen is voldaan.
Het nevengevolg van de Wet dat met name A heeft getroffen, te weten dat
een groep personen die voorheen ziekenfondsverzekerd was, nu als gevolg
van de inkomensgrens buiten de verplichte verzekering valt, kan hieraan
niet afdoen, mede in aanmerking genomen het oogmerk om nu juist voor de
lagere inkomensgroepen een voorziening te treffen.
Van de zijde van appellanten is voorts betoogd dat de onderhavige
wettelijke regeling een verboden onderscheid maakt naar leeftijd,
inkomen, status en, indirect, naar geslacht.
De Raad zal deze stellingen allereerst bespreken in het licht van het
discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR.
Bedacht dient te worden dat, in zoverre onderscheid naar leeftijd en
naar inkomen in algemene zin potentieel als verboden discriminatie in de
zin van artikel 26 IVBPR kan worden aangemerkt, deze criteria
onverbrekelijk zijn verbonden met de primaire doelstelling van de wet,
te weten het treffen van een voorziening op het terrein van de
wettelijke ziektekostenverzekering voor personen van een bepaalde
leeftijd met een bepaald inkomen. De beoordeling - in abstracto - van het
onderscheid aan de hand van het verdragsrechtelijke discriminatieverbod
valt dan wat betreft die criteria samen met de beantwoording van de
vraag of de wetgever met de regeling een gerechtvaardigd doel heeft nagestreefd. Dat is naar het oordeel van de
Raad zonder twijfel het geval en is als zodanig ook niet door
appellanten bestreden. Aldus beschouwd kan dan ook niet van een verboden onderscheid in de zin van
genoemde verdragsbepaling worden gesproken.
In specifieke zin kunnen met betrekking tot de onderhavige wet worden
beoordeeld de geschiktheid en de proportionaliteit van de daadwerkelijk
gehanteerde middelen in relatie tot het beoogde doel, dat wil zeggen de
gerechtvaardigdheid van de feitelijke leeftijdsgrens (65 jaar) en de
feitelijke inkomensgrens (f 30.500,- respectievelijk f 30.950,- per
jaar). Ook die toets kan de regeling in de visie van de Raad doorstaan,
in aanmerking genomen dat het nu juist de positie van de ingezetenen
boven 65 jaar was die binnen de wettelijke ziektekostenverzekering
"reparatie" behoefde, dat in het algemeen gesproken op die
leeftijd een inkomensterugval optreedt, en dat de hantering van een
inkomensgrens welke is gesteld op 70% van de loongrens voor
loontrekkenden in de Zfw een alleszins redelijk uitgangspunt vormt,
gelet op de gebruikelijke maximale pensioenopbouw van 70% van het loon.
Dat niet in alle gevallen een even bevredigend resultaat wordt bereikt
en dat er neveneffecten optreden die niet volledig in overeenstemming
zijn met de doelstelling van de regeling, is eigen aan vrijwel alle
regelgeving en kan geen afbreuk doen aan de uitkomst van de toetsing als
zojuist aangegeven.
Namens appellanten is er in dat verband op gewezen dat deze
inkomenstoets bijvoorbeeld ertoe leidt dat echtgenoten met beiden een
inkomen van f 30.000,- wel verzekerd zijn, maar een echtpaar waarvan
slechts één echtgenoot een inkomen heeft dat f 31.000,- bedraagt,
niet. Bedacht dient echter te worden dat het de voornaamste doelstelling
van de wet is om beneden een bepaald inkomensniveau in ieder geval
verplichte ziekenfondsverzekering te bewerkstelligen, welke doelstelling
(vrijwel volledig) is bereikt voor echtparen met een gezamenlijk inkomen
beneden (ongeveer) f 43.000,- en voor alleenstaanden met een inkomen
beneden f 30.500,-.
Met betrekking tot het bezwaar dat de onderhavige inkomenstoets alle inkomsten die geen verband houden met (vroegere)
arbeid, en ook vermogen, buiten aanmerking laat, kan worden gewezen op
het argument van de wetgever dat ter ondervanging daarvan een
structurele wijziging van de (gehele) Zfw nodig zou zijn, welke de
begrenzing van de onderhavige aanpassing van de wet ver te buiten zou
gaan.
Betoogd is voorts dat de wijze waarop in de Wet rekening wordt gehouden
met het inkomen van de echtgenoot een (ongerechtvaardigd) onderscheid
naar status en, indirect, naar geslacht in het leven roept.
De Raad wijst erop dat de inkomensgrens in de Wet in principe
individueel is, maar dat in zoverre een koppeling met het inkomen van de
echtgenoot is gelegd dat, als het inkomen van één van beiden de grens
overschrijdt, zij beiden niet verzekerd zijn.
Voor de beoordeling van het onderscheid naar status in het licht van
artikel 26 IVBPR geldt, evenzeer als hierboven reeds aangegeven, dat
niet van discriminatie kan worden gesproken indien met de regeling een
gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en er sprake is van geschiktheid
en proportionaliteit van de gehanteerde middelen in relatie tot het
beoogde doel. Het resultaat van die toetsing kan geen ander zijn dan
hierboven aangegeven met betrekking tot de gehanteerde leeftijds- en
inkomensgrens. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat met de
totstandkoming van de
Wet-Van Otterloo in feite een, van een
werknemersverzekering afgeleide, volksverzekering tegen ziektekosten
(met een inkomensgrens) in het leven is geroepen ten behoeve van
ingezetenen ouder dan 65 jaar. Het rekening houden met het inkomen van
de echtgenoot in de sfeer van de volksverzekeringen, als onderdeel van
een sociaal beleid waarbij het niveau van bodemvoorzieningen wordt
afgestemd op de reële behoeften in samenhang met de leefvorm, heeft de
Raad reeds eerder aanvaardbaar geacht (zie RSV 1994/241), en hij ziet
geen aanleiding daarover in casu anders te oordelen.
Wat betreft de stelling dat de regeling indirect onderscheid maakt naar
geslacht hebben appellanten zich tevens beroepen op de derde
EG-richtlijn.
De Raad verstaat dit beroep zo, dat gesteld wordt dat meer vrouwen dan
mannen nadeel ondervinden van de inkomenstoets, gegeven het feit dat
meer mannen een inkomen boven de grens van de Wet zullen hebben, zodat
vrouwen vaker, ondanks een eigen inkomen beneden de grens, uit hoofde
van het inkomen van hun echtgenoot niet zullen voldoen aan de
voorwaarden voor verzekering.
In zoverre de bescherming van de richtlijn hier kan worden ingeroepen,
stelt de Raad vast dat van strijd met die regeling niet kan worden
gesproken indien het onderscheid wordt gerechtvaardigd door objectieve
gronden die geen enkel verband houden met discriminatie naar geslacht.
De Raad is van oordeel dat die objectieve gronden hierboven in
toereikende mate zijn uiteengezet om dit beroep te weerleggen.
Een toetsing aan artikel 26 IVBPR op dit punt kan geen andere uitkomst
hebben.
Ten slotte is op het punt van discriminatie naar geslacht namens A een
beroep gedaan op artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM; Trb. 1951,
54), in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol
bij dat verdrag. Daarbij is verwezen naar het arrest van het Europese
Hof tot bescherming van de rechten van de mens d.d. 21 februari 1997
(Van Raalte vs Nederland, RSV 1998/5), waarin een striktere toets dan
gebruikelijk voor de rechtvaardiging van een onderscheid in de zin van
artikel 14 EVRM is gehanteerd.
De Raad betwijfelt of in de onderhavige gedingen kan worden gesproken
van een "possession" in de zin van artikel 1 van het Eerste
Protocol, voormeld; maar ook als dat wel het geval zal zijn, ziet de
Raad hier geen plaats voor een andere toetsingsmaatstaf dan de
gebruikelijke, welke overeenkomt met de toetsing zoals deze hierboven in
verband met artikel 26 IVBPR is uitgevoerd. In de
(standaard)bewoordingen
van het Hof te Straatsburg moet, voor een "objective and reasonable
justification" van onderscheid, sprake zijn van een "legitimate
aim" en van een "reasonable relationship of proportionality
between the means employed and the aim sought to be realised". In
het genoemde arrest Van Raalte voegt het Hof hieraan toe dat ter
rechtvaardiging van een onderscheid uitsluitend gebaseerd op geslacht
"very weighty reasons" naar voren zouden moeten worden
gebracht, waarmee kennelijk bedoeld is voor dat geval een verscherpte
toetsingsmaatstaf aan te leggen. Een soortgelijke maatstaf had het Hof
al eerder gehanteerd in het arrest Gaygusuz vs. Oostenrijk (RSV 1997/234)
met betrekking tot een onderscheid naar nationaliteit.
In casu gaat het echter niet om een onderscheid dat uitsluitend op
geslacht is gebaseerd maar, ook in de stelling namens A, om een
onderscheid dat primair op inkomen betrekking heeft en slechts indirect
met onderscheid naar geslacht in verband valt te brengen. In zo'n geval
ziet de Raad, zoals hij reeds heeft overwogen in de uitspraak
gepubliceerd in RSV 1998/160, geen grond om de eerderbedoelde specifieke
toetsingsmaatstaf te hanteren.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de ingestelde hoger beroepen
niet kunnen slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden
bevestigd. Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|