|
Uitspraak
98/280 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij OLM Het Groene Land Zorgverzekeraar
U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr. M. Koelewijn, bedrijfsjurist te Schijndel, op
daartoe aangevoerde gronden en onder overlegging van een groot aantal
stukken, in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 17 december 1998
tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak),
inhoudende ongegrondverklaring van appellants beroep tegen het door
gedaagde ten aanzien van hem in het kader van de Ziekenfondswet genomen
besluit van 7 juni 1996 (het bestreden besluit).
Gedaagde heeft een verweerschrift gedateerd 28 mei 1998 doen indienen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 1999,
waar namens appellant is verschenen mr. Koelewijn, voornoemd, alsmede L.
Koelewijn, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.W.
Bestebreurtje, juridisch medewerker van gedaagde.
II. MOTIVERING
Appellant lijdt aan het Ushersyndroom, hetgeen in zijn geval een
combinatie van volledige doofheid en de oogziekte retinitis pigmentosa
tot gevolg heeft. Appellant heeft op 9 mei 1996 aan gedaagde verzocht om
de door hem ter bestrijding van die oogziekte beoogde behandeling door
dr. Orfilio Pelaez Molina te Havanna (Cuba) in het kader van de
Ziekenfondswet voor zijn rekening te nemen. Bij besluit van 7 juni 1996
heeft gedaagde geweigerd dat verzoek te honoreren met als motivering dat
volgens zijn adviserend geneeskundige de betrokken behandelmethode (ook
wel aangeduid als de Cubatherapie) in de medische wereld zijn waarde
niet wetenschappelijk heeft bewezen en ook de oogartsen in Nederland er
zeer sceptisch tegenover staan.
De Commissie voor Beroepszaken van de toenmalige Ziekenfondsraad is in
een op verzoek van appellant op 1 november 1996 uitgebracht advies tot
de conclusie gekomen dat het besluit van gedaagde juist is. Die
Commissie heeft daarbij doen wegen dat krachtens artikel 3 van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering voor de aanspraak op de
door appellant gewenste behandeling een voorwaarde is dat deze "in
de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is". Volgens de medisch
adviseur van de Ziekenfondsraad, die zich daartoe heeft gebaseerd op
eerder in soortgelijke gevallen ingesteld onderzoek, kan de beoogde
behandeling op zichzelf wel in Nederland worden toegepast, maar is
onvoldoende aantoonbaar dat de behandeling medisch gezien effectief is
voor de aandoening. In de reguliere medische vakpers zijn namelijk geen
wetenschappelijke rapporten verschenen met gedocumenteerde resultaten
van de betrokken behandelingsmethode. Voor zover daarover anderszins
gegevens bekend zijn wijzen deze er niet op dat de behandeling objectief
gezien gunstige resultaten heeft opgeleverd. De Commissie acht de
gewenste behandeling daarom niet in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijk.
Het vervolgens door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond
verklaard. Zij heeft daartoe in het bijzonder overwogen dat van de zijde
van gedaagde voldoende gegevens zijn aangedragen die de stelling
schragen dat dat de Cubatherapie in Nederland niet als gebruikelijk
onder de beroepsgenoten wordt beschouwd en door hen, wellicht op een
enkele uitzondering na, zelfs wordt afgewezen.
In hoger beroep is namens appellant met name betoogd dat in de eerste
helft van 1996 de betrokken behandelingsmethode wel als gebruikelijk in
de kring van de Nederlandse beroepsgenoten werd beschouwd, nu de
ongeveer 150 Nederlanders die in Cuba behandeld zijn, daarna door
Nederlandse oogartsen verder behandeld zijn. Volgens de gemachtigden van
appellant wordt de behandeling inmiddels ook in Europa toegepast en zou
nu ook de minister van Volksgezondheid de behandeling hoogwaardig
achten.
De Raad overweegt als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat ingevolge de toepasselijke regelgeving,
zoals deze is uitgelegd in vaste jurisprudentie, voor de beoordeling van
een geval als het onderhavige allereerst maatgevend is of een bepaalde
door een verzekerde gewenste behandeling door een niet gecontracteerde,
in het buitenland gevestigde, zorgverlener als in de kring van de
Nederlandse beroepsgenoten gebruikelijk kan worden beschouwd. De Raad
gaat er daarbij van uit dat de desbetreffende beroepsgenoten zich op de
hoogte stellen van zich elders voordoende ontwikkelingen op hun
vakgebied.
Het zojuist geschetste uitgangspunt in aanmerking nemend, kan de Raad
zich verenigen met de overwegingen van de aangevallen uitspraak en de
daarop door de rechtbank gebaseerde conclusie. De Raad voegt daaraan toe
dat uit de voorhanden gegevens niet blijkt dat de Cubatherapie ten tijde
voor dit geding van belang door vakgenoten buiten Cuba werd gebezigd of
op wetenschappelijke gronden werd onderschreven. Hetgeen in hoger beroep
zijdens appellant is aangevoerd kan aan voormelde conclusie geenszins
afdoen. De Raad acht met name de zijdens appellant aangevoerde
omstandigheid dat zo'n 150 Nederlanders de Cubatherapie hebben ondergaan
en nadien ook nog door Nederlandse oogartsen zijn behandeld, bepaald
ontoereikend om te concluderen dat die behandeling in de kring van de
Nederlandse beroepsgenoten gebruikelijk is.
Hetgeen van de kant van appellant - overigens zonder dat dit is gestaafd
met enig bewijsstuk - is gesteld over de ontwikkelingen na de voor dit
geding van belang zijnde periode, welke eindigde op 7 juni 1996, kan
niet tot het beoogde resultaat leiden reeds omdat zulks de grenzen van
dit geding te buiten gaat.
Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het
bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen
uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.
van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8
oktober 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|