|
Uitspraak
99/811 ZFW en 99/1070 ZFW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A te B (hierna: A),
en
de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB).
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
A en de SVB zijn beiden in hoger beroep gekomen van een uitspraak van de
Arrondissementsrechtbank te Alkmaar, gedateerd 18 januari 1999.
De gronden van de hoger beroepen zijn aangevoerd bij brieven van
respectievelijk 24 juli 1999 en 9 februari 1999.
Partijen hebben over en weer gereageerd op de ingediende
beroepschriften.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 29 november 2000.
A is daar in persoon verschenen. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde
A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
A ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid zowel een Nederlandse als een
Duitse socialeverzekeringsuitkering. Sedert 28 augustus 1990 wordt hij
verplicht verzekerd ingevolge de Nederlandse Ziekenfondswet (Zfw)
geacht. Deze verzekering is inzet geweest van een geding, alhier
geregistreerd onder 96/8336 ZFW, waarin de Raad bij uitspraak van 19
augustus 1998 (RSV 1999/36) het oordeel van het Nederlandse
uitvoeringsorgaan betreffende de verplichte verzekering heeft bevestigd.
De inzet van het onderhavige geding is, zoals de rechtbank in de thans
aangevallen uitspraak heeft overwogen, dat A onder het Duitse stelsel
terzake van ziektekostenverzekering wenst te vallen. Hiertoe is hij in
overleg getreden met de SVB, die het Duitse orgaan (het AOK
Bundesverband) heeft verzocht medewerking te verlenen aan de
totstandkoming van een overeenkomst op grond van artikel 17 van de
EG-verordening nr 1408/71. Dit orgaan heeft bij brief van 9 november
1995 laten weten hiertoe geen mogelijkheid te zien. De SVB heeft A bij
brief van 3 januari 1996 hiervan, en tevens van zijn conclusie dat A ook
vanaf 1 januari 1996 aan de Nederlandse wetgeving onderworpen blijft,
mededeling gedaan.
Tegen deze mededeling heeft A bezwaar gemaakt, dat bij het thans
bestreden besluit van 3 december 1996 ongegrond is verklaard.
In beroep heeft de rechtbank overwogen, dat de brief van 3 januari 1996
van de SVB geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bevat. Bij de aangevallen uitspraak heeft de
rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 3
december 1996 vernietigd en A alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar
verklaard, bepaald dat de SVB aan A het griffierecht van f. 200,- vergoedt en de SVB veroordeeld in de door A gemaakte
proceskosten.
In hoger beroep vordert A, evenals in eerste aanleg, aansluiting bij het
Duitse ziektekostenverzekeringsstelsel, althans vergoeding van medische
kosten die onder dat stelsel wel, maar door het Nederlandse ziekenfonds
(kennelijk) niet worden vergoed. De SVB maakt bezwaar tegen het
onderdeel van de aangevallen uitspraak waarbij hem is opgedragen f.
200,- aan griffierecht te vergoeden, nu het wettelijke en van A geheven
griffierecht slechts f. 50,- zou bedragen.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 17 van de Verordening 1408/71 bepaalt:
"Twee of meer Lid-Staten, de bevoegde autoriteiten van
deze Staten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen
in onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of
groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16
vast-stellen."
Het gaat hier dus om afwijkingen van de bepalingen omtrent de toe te
passen wetgeving ingevolge titel II van de Verordening. De SVB en het
hierboven genoemde Duitse orgaan zijn hiertoe bevoegd ingevolge artikel
4, eerste en tiende lid, in verbinding met Bijlage 10, van de
EG-verordening nr 574/72.
Ten aanzien van het besluitkarakter van het handelen van een bevoegd
orgaan in het kader van deze bepaling acht de Raad allereerst van
betekenis dat hierbij onmiskenbaar de rechtspositie van een betrokkene
(als A), gerelateerd aan grensoverschrijdende sociale zekerheid, aan de
orde is. De reikwijdte van het handelen van een bevoegd orgaan als de
SVB wordt in de eerste plaats beïnvloed door het bevoegdheidskarakter
van de onderhavige bepaling, en vervolgens beperkt door het vereiste van
overeenstemming met, in casu, een ander bevoegd orgaan. Een beslissing
van de SVB ingevolge artikel 17 van Verordening 1408/71 kan dan ook niet
meer inhouden dan het resultaat van de afweging of het van zijn
bevoegdheid ingevolge die bepaling gebruik zal maken, en zo ja, de
bereidverklaring met het andere bevoegde orgaan tot overeenstemming te
geraken betreffende een in het belang van de betrokkene te maken
uitzondering op het in de voorafgaande artikelen van titel II van de
Verordening bepaalde.
In zoverre is er naar het oordeel van de Raad echter, in afwijking van
de visie van de rechtbank, wel sprake van een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Awb.
In het onderhavige geval is de besluitvorming naar aanleiding van A's
verzoek voor het eerst schriftelijk neergelegd in de brief van de SVB
van 3 januari 1996, hierboven vermeld, welke dan ook als een besluit in
de zin van de Awb kan worden aangemerkt.
Het beroep van A in eerste aanleg, en ook in hoger beroep, tegen de
beslissing waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 3 januari 1996
ongegrond is verklaard, overstijgt de reikwijdte van een besluit
ingevolge artikel 17 van de Verordening als hierboven omschreven,
aangezien de SVB daarbij niet kan bewerkstelligen dat de Duitse
wetgeving op hem van toepassing wordt, en zeker niet dat aanspraak
bestaat op bepaalde voorzieningen ingevolge die wetgeving. Het beroep
van A dient derhalve alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De hierna uit te spreken vernietiging van de aangevallen uitspraak
betreft mede de bepaling inzake het door de SVB te vergoeden
griffierecht, zodat door die vernietiging het belang aan het door de SVB
ingestelde hoger beroep komt te ontvallen.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het hoger beroep van de SVB niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar 24 januari 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|