|
Uitspraak
01/1366 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 12 mei 1999 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 9 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering en
artikel 2 van de Regeling farmaceutische hulp 1996 (hierna: de Regeling)
geweigerd appellante vergoeding te verlenen voor de geneesmiddelen GCSF
en Eprex ten laste van de wettelijke ziektekostenverzekering krachtens
de Ziekenfondswet (Zfw). Volgens gedaagde is er voor de aandoening van
appellante, Myele Displastisch Syndroom (MDS) type Refractaire Anemie
Ringsider oblasten (hierna: RARS), geen sprake van een algemeen
aanvaarde medische indicatie voor toediening van die geneesmiddelen.
De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor
Zorgverzekeringen (CVZ) heeft bij advies als bedoeld in artikel 74 van
de Zfw van 24 maart 2000, gehoord de bevindingen van de aan het CVZ
verbonden medisch adviseur, het standpunt van gedaagde onderschreven.
Bij het bestreden besluit van 29 maart 2000 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft het namens appellante tegen
dat besluit ingesteld beroep verworpen bij uitspraak van 23 januari
2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Tegen die uitspraak is namens appellante hoger beroep ingesteld op de
daartoe bij beroepschrift (met bijlagen, waaronder brieven van dr. P.W.G.
van der Linden, internist en van prof. P.C. Huijgens, hematoloog)
aangevoerde gronden. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 juni
2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.C.M.
Peperkamp, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn juridisch
medewerker mr. M.B. Gschwind.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitvoerige weergave van de in dit geding van belang zijnde
regelgeving bij en krachtens de Zfw verwijst de Raad naar rubriek 3 van
de aangevallen uitspraak.
In dit geding gaat het om de vraag of de rechtbank zich terecht heeft
geschaard achter het onder I vermeld standpunt van gedaagde, inhoudend
dat appellante krachtens de Zfw geen aanspraak heeft op de door haar
gevraagde vergoeding van de - combinatie van - geneesmiddelen Eprex en
GCSF.
Voor het antwoord op die vraag is, naar tussen partijen niet is betwist,
bepalend of gedaagde terecht heeft aangenomen dat behandeling van
appellantes aandoening, MDS type RARS, met die middelen niet geïndiceerd
was te achten als vereist ingevolge bijlage 2 bij artikel 2 van de
Regeling.
Krachtens het zo-even bedoelde onderdeel van de Regeling vallen genoemde
geneesmiddelen slechts dan onder de ten laste van de krachtens de Zfw te
verstrekken farmaceutische zorg, indien is voldaan aan de voorwaarde dat
de verzekerde voor die middelen een algemeen aanvaarde medische
indicatie heeft.
In het spoor van onder meer de Commissie Farmaceutische Hulp van het CVZ
aanvaardt gedaagde een indicatie als zojuist bedoeld indien, voor zover
thans van belang, de werkzaamheid van de betreffende geneesmiddelen bij
de betreffende ziekte wetenschappelijk is onderbouwd en tevens sprake is
van een in Nederland zeldzaam voorkomende aandoening (prevalentie 1 :
200.000).
Haar visie dat in casu aan die voorwaarden niet is voldaan baseert
gedaagde op bevindingen van haar medisch adviseurs J. van Hooidonk en N.
van Thiel alsmede op de daarmee strokende zienswijze van de medisch
adviseur van het CVZ. Daaruit leidt gedaagde af dat over de werking van
de onderhavige geneesmiddelen bij de ziekte MDS type RARS ten tijde in
geding nog onvoldoende onderzoeksresultaten voorhanden waren, dat de
betrokken medische beroepsgroep de onderhavige middelen bij deze
aandoening (vooralsnog) als experimenteel beschouwt, alsmede dat geen
sprake is van een zeldzame aandoening als hiervoor bedoeld.
Uitgaande van voornoemde, krachtens de Zfw van toepassing zijnde,
criteria vindt de Raad in de verklaringen van de behandelend internist
dr. P.W.G. van der Linden en de hematoloog prof. dr. P.C. Huijgens, geen
aanleiding om de zienswijze van gedaagde en het oordeel van de rechtbank
voor onjuist te houden. Ook overigens onderschrijft de Raad gedaagdes
standpunt en de daarop in dit geding gegeven nadere toelichting.
Naar 's Raads oordeel komt uit de aanwezige gegevens naar voren dat,
althans ten tijde hier van belang, MDS van het type RARS niet als een
algemeen aanvaarde indicatie gold voor de onderhavige geneesmiddelen,
dat de wetenschappelijke onderbouwing van de werking van die middelen
nog onvoldoende was, en dat behandeling van dit type MDS met die
combinatie van middelen nog in een experimentele fase verkeerde. Ook uit
de brief d.d. 25 juli 2000, waarin genoemde hematoloog onder meer
vermeldt dat de responsekans bij het type RARS lager is dan bij andere
vormen van myelodysplasie, valt niet af te leiden dat de combinatie van
Eprex en GCSF bij deze specifieke aandoening destijds in de kring van
beroepsgenoten werd aanvaard als gangbare therapie. Gegevens die voor
wat betreft de hier van belang zijnde periode tot een andere conclusie
nopen zijn zijdens appellante niet in geding gebracht.
De Raad ziet - ten slotte - ook niet dat gedaagde, lettend op de
bevindingen van voormelde medisch adviseurs, niet op goede grond stelt
dat MDS type RARS niet kan worden beschouwd als zeldzaam in de hiervoor
bedoelde zin. De terzake namens appellante bij de hoorzitting in bezwaar
en bij beroepschrift in eerste aanleg, onder meer met verwijzing naar
uitlatingen van de behandelend internist en voormelde hematoloog,
genoemde aantallen (100 à 120 respectievelijk 500) alsmede de door de
hematoloog in zijn brief van 8 maart 2001 expliciet vermelde toename met
enkele tientallen gevallen per jaar, bieden veeleer steun voor de
zienswijze van gedaagde en de daaraan ten grondslag liggende bevindingen
van haar medisch adviseurs.
Naar in het vorengaande ligt besloten faalt het hoger beroep.
De Raad ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling als bedoeld
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
8 augustus 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|