|
Uitspraak
98/3828 ZFW, 98/8430 ZFW, 98/8433 ZFW, 99/2425 ZFW, 99/4148 ZFW, 99/2444
ZFW, 99/5337 ZFW, 99/3366 ZFW, 00/515 ZFW, 99/3360 ZFW, 00/433 ZFW en
00/1301 ZFW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
1. [A.], wonende te [B.],
2. [C.], wonende te [D.],
3. [E.], wonende te [F.],
4. [G.], wonende te [H.],
5. [I.], wonende te [J.],
6. [K.], wonende te [L.],
7. [M.], wonende te [N.],
8. [O.], wonende te [P.],
9. [Q.], wonende te [R.], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft ten aanzien van gedaagden besluiten afgegeven, waarbij
hun bezwaren tegen primaire besluiten, inhoudend dat gedaagden niet
verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw), ongegrond zijn
verklaard.
De beroepen van gedaagden tegen deze besluiten zijn in eerste aanleg
behandeld door de Arrondissementsrechtbanken te Breda, te Roermond en te
Zutphen.
Bij uitspraken van 17 maart 1998, 16 november 1998, 25 maart 1999, 11
mei 1999, 14 juli 1999, 6 september 1999, 21 december 1999 en 16
februari 2000 zijn de beroepen gegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 6
september 1999 appellant veroordeeld tot vergoeding van de schade die
gedaagde 6 heeft geleden als gevolg van het door de rechtbank
vernietigde besluit van 2 juni 1998, op grond waarvan gedaagde 6 niet
verplicht verzekerd wordt geacht ingevolge de Zfw.
Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraken hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagden zijn verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 mei
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.J.M.
Gielen, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde 1 is verschenen
bij gemachtigde mr. P.W.C.M. Meerbach, advocaat te Woerden, waar
gedaagde 4 in persoon is verschenen, waar gedaagde 6 is verschenen bij gemachtigde mr. M.D. Vis, advocaat te Amsterdam,
waar gedaagde 7 is verschenen bij gemachtigde mr. M.J.G.M. Lamers, advocaat te Utrecht, waar gedaagde 9 is verschenen
bij gemachtigde mr. C. Geertsema, financieel adviseur te Rotterdam, en
waar de overige gedaagden niet zijn verschenen.
Na de zitting is de Raad tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet
volledig was geweest en is het onderzoek heropend.
Bij brief van 7 november 2000 heeft drs. mr. J.L.M. van Wesemael namens
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vragen van de Raad
beantwoord.
Bij brief van 28 februari 2001 heeft J.W.J. Siebers, Hoofd Afdeling
Verzekeringen van het College voor zorgverzekeringen, namens dit College
vragen van de Raad beantwoord.
Bij schrijven van 4 mei 2001 is van de zijde van appellant op
bovengenoemde brieven van 7 november 2000 en van 28 februari 2001 gereageerd.
Van de zijde van gedaagden 1, 2, 3, 4, 6 en 8 is eveneens schriftelijk
gereageerd op bovengenoemde brieven.
De gedingen zijn opnieuw en gevoegd behandeld ter zitting van de Raad,
gehouden op 14 juni 2001, waar appellant zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. P. Brouwer en mr. M.J. van Vuuren, werkzaam
bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde 1 is verschenen bij gemachtigde
mr. Meerbach, voornoemd, waar gedaagde 3 en gedaagde 7 zijn verschenen
bij gemachtigde mr. Lamers, voornoemd, en waar gedaagde 6 is verschenen
bij gemachtigde mr. Vis, voornoemd. De overige gedaagden zijn niet ter
zitting verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagden ontvingen ten tijde hier in geding allen een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet. Bij het einde van de dienstbetrekking
hebben zij, in de meeste gevallen door tussenkomst van de kantonrechter,
een schadevergoeding ontvangen, die is aangewend voor de aankoop van een
stamrecht, uit hoofde waarvan zij maandelijks een lijfrente-uitkering
ontvangen van een verzekeringsmaatschappij. De genoemde schadevergoeding
is in alle gevallen rechtstreeks door de voormalige werkgever aan de
verzekeringsmaatschappij betaald.
Bij de bestreden besluiten heeft appellant zich op het standpunt gesteld
dat de lijfrente-uitkeringen zijn aan te merken als inkomsten uit hoofde
van de dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a,
van het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet (Stb. 1986,
694, verder: het Besluit). Aangezien deze inkomsten tezamen met de
uitkering ingevolge de WW de loongrens Zfw overstijgen, en ook overigens
is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gestelde
voorwaarden, acht appellant gedaagden niet verplicht verzekerd ingevolge
de Zfw.
De rechtbanken hebben de door gedaagden tegen de onderscheidenlijke
besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard. De rechtbanken hebben
hiertoe overwogen dat de lijfrente-uitkeringen niet zijn te beschouwen
als uitkeringen uit hoofde van de dienstbetrekking ter zake waarvan
betrokkene een uitkering ingevolge de WW ontvangt. Daarbij hebben zij
van belang geacht dat de werknemer een vrije keuze had bij de besteding
van het bedrag aan schadevergoeding dat bij het einde van de
dienstbetrekking is toegekend en dat een andere keuze, bijvoorbeeld
betaling van het bedrag ineens, er toe zou hebben geleid dat het bedrag
aan schadevergoeding geen rol zou hebben gespeeld bij de vaststelling
van het jaarloon voor de Zfw. Voorts achten de rechtbanken van belang
dat de gekozen constructie, waarin de werkgever het geldbedrag
rechtstreeks heeft overgemaakt aan de verzekeringsmaatschappij, is
ingegeven door zuiver fiscale motieven en dat niet de voormalige
werkgever, maar een verzekeringsmaatschappij de uitkering betaalt. Tot
slot is in een aantal uitspraken overwogen dat bij toepassing van de
Toeslagenwet en de Ioaw de lijfrente-uitkeringen niet als inkomsten uit
hoofde van de dienstbetrekking worden beschouwd indien de werknemer in
geval van een schadevergoeding bij het einde van de dienstbetrekking een
vrije bestedingskeuze met betrekking tot dat geldbedrag heeft.
Appellant kan zich met deze uitspraken niet verenigen en heeft zich in
hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de
lijfrente-uitkeringen dienen te worden aangemerkt als overeengekomen
vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde inkomsten uit hoofde van
de dienstbetrekking. Subsidiair heeft appellant zich op het standpunt
gesteld dat in ieder geval de lijfrente-uitkeringen die worden betaald
uit hoofde van een stamrecht dat op naam van de voormalige werkgever is
gevestigd, zijn te beschouwen als inkomsten in de zin van artikel 2,
eerste lid, onder a, van het Besluit.
De Raad overweegt het volgende.
Kernvraag in de onderhavige gedingen is of gedaagden op grond van
artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitgesloten
zijn van verzekering in de zin van de Zfw.
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit luidt:
Van de verzekering ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a van de
Ziekenfondswet zijn uitgezonderd:
a. degene die bij of krachtens artikel 7 van de Ziektewet als werknemer
in de zin van die wet worden beschouwd en die uit hoofde van de
dienstbetrekking ter zake van de beëindiging waarvan hij recht heeft op
een uitkering op grond van de verplichte verzekering ingevolge de
Werkloosheidswet, overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld
vastgestelde inkomsten ontvangt, indien deze inkomsten tezamen met de
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet op jaarbasis meer bedragen dan
het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet genoemde
bedrag en indien zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet wordt
berekend naar het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering, tenzij hij op de dag,
voorafgaande aan die, waarop dit het geval is, verzekerd was op grond
van de Ziekenfondswet.
Partijen worden uitsluitend verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag of de lijfrente-uitkeringen aangemerkt dienen te worden als
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde
inkomsten, die worden ontvangen uit hoofde van de dienstbetrekking ter
zake van de beëindiging waarvan gedaagden recht hebben op een uitkering
ingevolge de WW. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagden
werknemers zijn in de zin van de Ziektewet, dat de door hen ontvangen
uitkeringen ingevolge de WW worden berekend naar het maximum dagloon en
dat zij voorheen particulier verzekerd waren.
De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of er sprake
is van een causale relatie tussen de lijfrente-uitkeringen en de
dienstbetrekking waaruit het recht op een uitkering ingevolge de WW
voortvloeit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt
daartoe het volgende.
In de eerste plaats zou zonder het bestaan van de arbeidsverhouding geen
recht zijn ontstaan op een schadevergoeding wegens de beëindiging
daarvan. Voorts konden gedaagden niet zonder de medewerking van de
voormalige werkgever een stamrecht vestigen zoals door hen werd beoogd,
te weten een fiscaal vrijgestelde aanspraak op periodieke
lijfrente-uitkeringen. Vereiste voor het verkrijgen van een dergelijke
aanspraak is immers dat de werkgever de geldsom rechtstreeks stort aan
de verzekeringsmaatschappij, waardoor er in fiscale zin voor de
werknemer geen genietingsmoment kan worden aangewezen.
Tot slot heeft de Raad in aanmerking genomen dat de
lijfrente-uitkeringen die uit de aanspraak voortvloeien in de Wet op de
loonbelasting worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking,
hetgeen erop duidt dat ook in fiscale zin een causale band met de
dienstbetrekking wordt aangenomen.
Wat betreft de voorwaarde dat het moet gaan om overeengekomen inkomsten
overweegt de Raad dat, nog daargelaten of niet reeds voldoende is het
bestaan van een overeenkomst op basis waarvan de uitkeringen worden
genoten, in ieder geval vaststaat dat de werkgever zijn medewerking
heeft verleend aan de vestiging van het stamrecht door in te stemmen met
een rechtstreekse storting van het schadevergoedingsbedrag op het
rekeningnummer van de verzekeringsmaatschappij. Daartoe was
overeenstemming tussen de werkgever en de werknemer vereist.
Met betrekking tot het namens gedaagde 1 gevoerde verweer dat artikel 2,
eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit onverbindend is wegens
strijd met artikel 1 van de Grondwet, overweegt de Raad het volgende. De
vermeende strijd met artikel 1 van de Grondwet is volgens de gemachtigde
van gedaagde 1 gelegen in het feit dat artikel 2 van het Besluit de
betrokken uitkeringsgerechtigden sinds 1986 in een uitzonderingspositie
plaatst, terwijl de regeling destijds was bedoeld als een tijdelijke
regeling. Het enkele feit dat het Besluit aanvankelijk was bedoeld als
een tijdelijke regeling brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat
de bepalingen van het Besluit thans in strijd komen met artikel 1 van de
Grondwet. Dat een bepaalde categorie verzekerden wordt uitgesloten van
de verzekering ingevolge de Zfw betekent evenmin dat sprake is van
strijd met genoemde bepaling. Bedoelde categorie verkeert immers niet in
dezelfde omstandigheden als de categorie personen die wel verzekerd is
ingevolge de Zfw.
Schadevergoeding.
In de zaak, geregistreerd onder nummer 99/5337 ZFW, heeft de
Arrondissementsrechtbank te Roermond bij uitspraak van 6 september 1999
appellant veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van f
3.552,50 te vermeerderen met de wettelijke rente aan gedaagde 6. De
schadevergoeding is gebaseerd op het bij uitspraak van 25 maart 1999
door de rechtbank gegeven oordeel dat het besluit, op grond waarvan
gedaagde 6 niet verplicht verzekerd wordt geacht ingevolge de Zfw, in
rechte geen stand kan houden.
Aangezien deze uitspraak, zoals uit het vorenoverwogene volgt, in hoger
beroep wordt vernietigd, kan ook de uitspraak van6 september 1999 geen
stand houden.
In geen van de gedingen acht de Raad termen aanwezig om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de inleidende beroepen alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|