|
Uitspraak
00/590 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Commissie voor bezwaarschriften van de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Breda
op 6 december 1999 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 oktober 2001,
waar appellant met kennisgeving van verhindering niet is verschenen, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N.J.H. Dams-van
der Heijden, werkzaam op de Afdeling Juridische Zaken van de Stichting
Centrale Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds (hierna: CZ Ziekenfonds).
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
Appellant heeft gedaagde op 2 april 1996 verzocht met terugwerkende
kracht tot 1 september 1994 ontheffing te verlenen van de verplichte
ziekenfondsverzekering. De reden hiervoor was een aan appellant met
terugwerkende kracht tot 1 september 1994 toegekende uitkering ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Op 11 april 1995 is door CZ Ziekenfonds een ziekenfondsverklaring
afgegeven, inhoudende - samengevat - dat appellant niet krachtens
pensioen of uitkering is verzekerd in de zin van de Ziekenfondswet (Zfw).
In die verklaring zijn als ingangsdatum en als einddatum vermeld 1
september 1994 respectievelijk 31 maart 1998.
Bij besluit van 24 maart 1997 heeft CZ Ziekenfonds afwijzend beslist op
het verzoek van appellant om de verleende ontheffing ongedaan te maken.
De Klachtencommissie van de Ziekenfondsraad (thans: College voor
Zorgverzekeringen) heeft appellant bij brief van 9 september 1997
bericht de tegen het besluit van 24 maart 1997 gerichte klacht niet toe
te wijzen.
Het tegen het besluit van 24 maart 1997 ingediende bezwaar is vervolgens
door gedaagde bij besluit van 22 juli 1998 (het bestreden besluit)
ongegrond verklaard.
De bevoegdheid van gedaagde
Uit de zaak, bekend onder nummer 00/4350 ZFW, welke is behandeld ter
zitting van de Raad van 21 juli 2001, is het de Raad bekend dat gedaagde
haar bevoegdheid om op appellantes bezwaarschrift te beslissen meent te
ontlenen aan het Reglement bezwaarschriftenprocedure CZ (hierna:
Reglement).
Dit Reglement bevat onder meer de volgende bepalingen:
"De directie van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep
Ziekenfonds (verder te noemen: CZ Ziekenfonds) en de Raad van Bestuur
van de o.w.m. Centrale Zorgverzekeraars groep Ziektekosten u.a, in de
hoedanigheid van uitvoeringsorgaan AWBZ (verder te noemen: CZ
Ziektekosten) besluit:
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. Commissie: de Commissie als bedoeld in artikel 2;
b. Indiener van een bezwaarschrift: degene, die zich door een
beschikking van CZ in zijn belang acht geschaad en die het
bezwaarschrift heeft ingediend c.q. namens wie het bezwaarschrift is
ingediend;
c. Beschikking: een op basis van de Ziekenfondswet of Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten genomen schriftelijke beslissing van CZ op een
aanvraag, zoals bedoeld in de wet;
d. Beslissing op bezwaarschriften: de beslissing van CZ op een door of
namens de indiener van een bezwaarschrift ingediend bezwaarschrift tegen
een beschikking;
e. De wet: de Algemene Wet Bestuursrecht.
Artikel 2
1. Er is een Commissie voor bezwaarschriften.
2. De Commissie heeft tot taak het horen van de indiener van een
bezwaarschrift en het nemen van beslissingen op bezwaarschrift.
Artikel 3
1. De behandelend medewerker van de Afdeling Juridische Zaken wijst na
ontvangst van een bezwaarschrift de leden van de commissie aan.
2. Afhankelijk van de aard en de complexiteit van de zaak bestaat de
commissie uit een dan wel meer personen.
3. De behandelend medewerker van de Afdeling Juridische Zaken is
voorzitter van de commissie.
4. De meerderheid van de leden en de voorzitter van de commissie mag
niet betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van de beschikking.
Artikel 18
De commissie beslist binnen de door de wet gestelde uiterste termijn.
Deze termijn wordt opgeschort, indien het bepaalde in artikel 7,8 of 1
van toepassing is, dan wel in overleg met de indiener van een
bezwaarschrift.
Artikel 19
1. De beslissing op bezwaarschrift wordt in afschrift gezonden aan de
afdeling, die de bestreden beschikking heeft genomen.
2. Indien door de beslissing op bezwaarschrift de beschikking vernietigd
wordt, dan zal de afdeling, die de vernietigde beschikking heeft
genomen, zorgdragen voor verdere afwikkeling conform (MB) de beslissing
op bezwaarschrift."
In het Reglement wordt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op
bezwaar overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan
namens welke het primaire besluit is genomen. Zoals eerder door de Raad
is overwogen (CRvB 25 maart 1997, AB 1997, 182, te lezen in verbinding
met ABRvS 6 januari 1997, AB 1997, 86) voorziet de bezwaarprocedure, als
neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in een
dergelijke delegatie van beslisbevoegdheid. De bevoegdheid tot bedoelde
delegatie behoeft een uitdrukkelijke tot afwijking van de Awb strekkende
grondslag in een wet in formele zin, niet zijnde de Awb. In het
onderhavige geval ontbreekt een wettelijke grondslag daarvoor.
Ter zitting van 10 oktober 2001 is door de gemachtigde van gedaagde naar
voren gebracht dat haar uit een oud stuk is gebleken dat het destijds
bij de instelling van de Commissie voor bezwaarschriften de bedoeling
van de directie van CZ Ziekenfonds is geweest haar bevoegdheid om op
bezwaarschriften te beslissen te mandateren.
De Raad gaat hieraan voorbij, nu deze kennelijke bedoeling niet blijkt
uit de tekst van het Reglement en gedaagde in de praktijk, gelet op de
eerdere stellingen van gedaagdes gemachtigde terzake bij de behandeling
van de zaak 00/4350 ZFW, is uitgegaan van een gedelegeerde bevoegdheid.
Op grond van het voorgaande stelt de Raad vast dat het bestreden besluit
onbevoegd is genomen door gedaagde, zodat dit reeds hierom voor
vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak, waarbij het
bestreden besluit in stand is gelaten, komt derhalve eveneens voor
vernietiging in aanmerking.
Materiële beoordeling
De Raad ziet om proceseconomische redenen aanleiding het bestreden
besluit ondanks de vernietiging ervan materieel te beoordelen.
Aan het bestreden besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat de
ontheffing voor het tijdvak van 1 september 1994 tot en met 31 maart
1998 is verleend en dat de regelgeving die destijds van kracht was, de
Regeling aanwijzing van categorieën van personen tijdelijk uitgezonderd
van de verplichte verzekering ziekenfondswet (hierna: de Regeling), geen
tussentijdse opheffing van de ontheffing toestond.
In beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat hij voor het eerst
hoorde van de looptijd van de ontheffing tot 1 april 1998, nadat hij om
ongedaanmaking van de ontheffing had verzocht. Indien hij van tevoren
had geweten dat de ontheffing tot 1 april 1998 zou gelden, zou hij deze
niet hebben aangevraagd, gelet op de toen beschikbare gegevens over (de
ontwikkeling van) zijn inkomsten.
De rechtbank heeft het volgende overwogen (waarbij appellant als
"eiser" is aangeduid en gedaagde als "verweerder":
"Op het verzoek van eiser om ontheffing van de verplichte
ziekenfondsverzekering was van toepassing de toen nog geldende
"Regeling aanwijzing van categorieën van personen, tijdelijk
uitgezonderd van de verplichte verzekering Ziekenfondswet" (hierna:
de Regeling). Artikel 2 van de Regeling opende de mogelijkheid voor
personen - zoals eiser - die zowel over een AWW-uitkering als over
andere inkomsten beschikten, ervoor te kiezen niet door middel van het
ziekenfonds verzekerd te zijn. Uit artikel 2 van de Regeling volgt dat
die uitzondering op de verzekeringsplicht voor degenen die van die
mogelijkheid gebruik wensen te maken, geldt gedurende een periode van
drie jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen. Die termijn van drie
jaren is enkele keren verlengd. Ten tijde van de indiening van de
ontheffingsaanvraag van eiser gold als ontheffingsperiode de periode van
1 april 1995 tot en met 31 maart 1998. Verweerder heeft voor deze gehele
periode aan eiser ontheffing van de verplichte verzekering verleend. De
rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat gedurende die
periode in die situatie geen wijziging kon worden gebracht. Daarbij
wordt in aanmerking genomen dat in de toelichting bij de Regeling tot
uitdrukking is gebracht dat door betrokkenen niet op de door hen tot
uitdrukking gebrachte wens tot ontheffing kan worden teruggekomen en dat
derhalve tot de einddatum van die periode geen ziekenfondsverzekering
ontstaat, ongeacht of er inmiddels een andere titel voor verplichte
verzekering is ontstaan.
(...)
Gelet op het voorafgaande concludeert de rechtbank dat verweerders
standpunt, dat op de verleende ontheffing voor 31 maart 1998 niet kon
worden teruggekomen, in overeenstemming is met de Regeling.
(...)
Eiser heeft in beroep niet betwist dat er telefonisch contact met
verweerders uitvoeringsorganisatie is geweest, voorafgaand aan de
indiening van het ontheffingsverzoek. Partijen zijn in beroep evenwel
verdeeld gebleven over het antwoord op de vraag of eiser daarbij is geïnformeerd
over de duur van de ontheffing.
Hetgeen op pagina 3 van het bestreden besluit is opgenomen over de
inhoud van het telefonisch contact tussen eiser en een medewerkster van
verweerder komt de rechtbank op zichzelf niet onaannemelijk voor.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat (ook) de ingangsdatum van de
ontheffing aan de orde moet zijn gekomen, aangezien aan de ontheffing
terugwerkende kracht is toegekend.
Wat daar verder ook van zij, de stelling van eiser dat hij voor het
eerst hoorde van de looptijd van de ontheffing toen hij om
ongedaanmaking van de ontheffing had verzocht, moet worden verworpen. In
de ziekenfondsverklaring van 11 april 1995 is de einddatum van 31 maart
1998 immers met zoveel woorden vermeld. Eiser had daaromtrent toen al
bij verweerder om opheldering kunnen vragen dan wel daartegen kunnen
opkomen."
In hoger beroep betwist appellant met name de laatste hiervoor
weergegeven overweging van de rechtbank. Volgens appellant komt gedaagde
geen beroep op artikel 2 van de Regeling toe, nu gedaagde hem nooit geïnformeerd
heeft over de verplichte looptijd van de ontheffing, terwijl dat wel op
haar weg lag, en hij van de regeling nooit gebruik zou hebben gemaakt
als hem duidelijk was geworden dat er sprake was van een verplichte
looptijd van de ontheffing. Voorts heeft de rechtbank haar oordeel, dat
de stellingen van gedaagde over telefonische inlichtingen die aan hem
zouden zijn verstrekt, haar niet onaannemelijk voorkomen, niet
gemotiveerd. Appellant heeft steeds ontkend dat hem telefonische
informatie is verstrekt over de onmogelijkheid van tussentijdse beëindiging
van de ontheffing. Tenslotte betwist appellant dat de vermelding van de
einddatum van 31 maart 1998 voor hem aanleiding had moeten zijn om
gedaagde om opheldering te vragen.
De Raad overweegt daarover als volgt.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat
de Regeling een beëindiging van de ontheffing vóór de einddatum ervan
niet toestaat.
Het dwingendrechtelijk karakter van de Regeling behoort uitgangspunt te
zijn voor het antwoord op de in geding zijnde vraag of terecht is
geweigerd de voor de periode van 1 september 1994 tot en met 31 maart
1998 verleende ontheffing van de verplichte ziekenfondsverzekering
tussentijds te beëindigen. Desalniettemin kunnen er omstandigheden zijn
waarin toepassing van dwingendrechtelijke wetsbepalingen in die mate in
strijd komt met regels van ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan
geen rechtsplicht meer kan zijn.
De door appellant aangevoerde omstandigheden acht de Raad echter niet zo
zwaarwegend dat van de duidelijke tekst van de - gepubliceerde -
Regeling zou moeten worden afgeweken. Weliswaar zou het van meer
zorgvuldigheid getuigen, indien CZ Ziekenfonds naar aanleiding van een
aanvraag om ontheffing de betrokkene schriftelijke informatie verstrekt
over de consequenties van de ontheffing, met name over de vaste
looptijd, maar daar staat tegenover dat van appellant redelijkerwijs
verwacht mocht worden dat hij bij onduidelijkheid over de betekenis van
de op de ontheffing vermelde einddatum daarover navraag had gedaan bij
CZ Ziekenfonds.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit inhoudelijk juist is.
Mede in aanmerking genomen dat uit het verweerschrift en het verhandelde
ter terechtzitting blijkt dat CZ Ziekenfonds het standpunt als
neergelegd in het bestreden besluit van gedaagde deelt, ziet de Raad in
het hiervoor overwogene aanleiding om de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Awb in stand te laten.
Aangezien appellant ten materiële in het ongelijk wordt gesteld acht de
Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Verstaat dat de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds
aan appellant het gestorte griffierecht van f 60,-- in beroep en f
170,-- in hoger beroep (in totaal f 230,-- ) dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|