|
Uitspraak
00/5850 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A., te Rotterdam, appellante,
en
[appellante], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 oktober 1998 heeft appellante afwijzend beschikt op
gedaagdes aanvraag haar op grond van de Ziekenfondswet in aanmerking te
brengen voor verstrekking van een werkstoel.
Appellante heeft het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 23
oktober 1998 bij besluit van 22 juli 1999 (het bestreden besluit)
ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 10
oktober 2000 (de aangevallen uitspraak) onder meer het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Van die uitspraak is appellante op bij beroepschrift van 13 november
2000 (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 17 januari 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19
september 2001, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door
haar gemachtigde mr. M.B. Gschwind en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en
toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Ook de Raad neemt deze tot uitgangspunt van zijn
oordeelsvorming.
Het gaat in dit geding om de vraag of het bestreden besluit van 22 juli
1999, voorzover daarbij de weigering om een werkstoel te verstrekken is
gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante het
besluit betreffende de werkstoel op onjuiste bepalingen heeft gebaseerd
nu het primaire besluit dateert van 23 oktober 1998 en artikel 2, tweede
lid, onder k en artikel 2, tweede lid, onder l, van de Regeling
hulpmiddelen 1996 (de Regeling) zoals die thans luiden, nog geen deel
uitmaakten van de Regeling zoals die gold voor 1 april 1999.
In hoger beroep is namens appellante gesteld dat het bestreden besluit
volgens vaste jurisprudentie ex nunc wordt getoetst. Wijzigingen in de
regelgeving hebben volgens haar tot gevolg dat bij de toetsing in het
kader van de bezwaarschriftprocedure moet worden uitgegaan van het
nieuwe recht. In casu heeft er hangende het bezwaar een wijziging van de
Regeling plaatsgevonden en appellante heeft haar beslissing van 22 juli
1999 dan ook op deze gewijzigde Regeling gebaseerd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), vindt op grondslag van het bezwaar heroverweging van het
bestreden besluit - het primaire besluit - plaats.
Zoals de Raad reeds eerder als zijn oordeel heeft doen blijken
impliceert dit in een geval als het onderhavige, waarbij het gaat om een
eenmalige verstrekking in natura, dat bij de herbeoordeling naar
aanleiding van het bezwaarschrift in beginsel dient te worden uitgegaan
van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op
bezwaar (ex-nunctoetsing). Nu de wijziging van de Regeling per 1 april
1999 geen overgangsrecht bevat en aanknopingspunten voor een ander
oordeel ontbreken, heeft appellante terecht de aanvraag van de werkstoel
bij het bestreden besluit getoetst aan het bepaalde in artikel 2, tweede
lid, onder l, van de Regeling, op grond waarvan aanspraak op
hulpmiddelen de verschaffing in bruikleen omvat van inrichtingselementen
van woningen als aangegeven in artikel 26c, zoals die bepalingen zijn
gewijzigd, respectievelijk aan de Regeling zijn toegevoegd met ingang
van 1 april 1999.
Artikel 26c, eerste lid, van de Regeling luidt dat de in artikel 2,
tweede lid, onder 1, bedoelde middelen zijn: b. aan functiebeperkingen
aangepaste stoelen, voorzien van een of meer van de volgende functies of
aanpassingen:
1. staopsysteem, indien de verzekerde niet zelfstandig kan opstaan uit
een stoel met optimale zithoogte;
2. specifieke polstering;
3. abductiebalk;
4. arthrodesezitting;
5. pelottes voor zijwaartse steun.
In deze bepaling ligt besloten dat een zitvoorziening die voldoet aan de
normale ergonomische eisen en geen aanpassingen behoeft als bedoeld in
deze bepaling, niet voor verstrekking in aanmerking komt.
Uit het rapport van de ergotherapeute E. Heckman, die namens gedaagde de
werkstoel heeft aangevraagd, blijkt, dat de werkstoel aan de volgende
vereisten moet voldoen:
Gebruikersdoel:
· Het goed ondersteund kunnen zitten tijdens het eten, huishouden,
lezen en het doen van haar administratie.
· In hoogte instelbare werkstoel voor het werken in de juiste
werkhouding aan verschillende werkhoogten (huiskamer-, keukentafel)
· Verrijdbaar voor het overbruggen van de afstand tussen de
verschillende werkplekken, omdat betrokkene de stoel niet m.b.v. de armen
kan verplaatsen.
· Adequate hoogte van de armleuningen ter ondersteuning van de armen.
· Adequate zithouding (o.a. zitdiepte, zitbreedte) waarbij rekening is
gehouden met de lichaamsmaten van belanghebbende.
Gelet op deze aan de werkstoel te stellen eisen heeft appellante naar
het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat de aanvraag betrekking
heeft op een werkstoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen en
geen aanpassingen behoeft als bedoeld in artikel 26c, eerste lid, van de
Regeling, zodat op die grond de aangevraagde stoel niet voor
verstrekking in aanmerking komt. De Raad merkt hierbij nog op dat een
stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen ook naar het voor 1
april 1999 geldende recht niet voor verstrekking in aanmerking kwam.
De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de aangevallen
uitspraak niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep voor
zover betrekking hebbend op de werkstoel alsnog ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep voor zover betrekking hebbend op de
werkstoel alsnog ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|