|
Uitspraak
01/515 ZFW
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar DSW U.A., gevestigd te
Schiedam, appellante,
en
[A.], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [C.],
wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft bij besluit van 10 augustus 1999 afwijzend beschikt op
de aanvraag van 20 juli 1999 ertoe strekkende dat aan [C.] een Manus
Robot Manipulator (hierna: robotarm) wordt verstrekt.
Namens gedaagde is bij brief van 14 augustus 1999 tegen dat besluit
bezwaar gemaakt.
Het College voor zorgverzekeringen heeft appellante bij brief van 15 mei
2000 van advies gediend.
Appellante heeft het bezwaar bij het bestreden besluit van 18 mei 2000
ongegrond verklaard.
Gedaagde is van dat besluit in beroep gekomen bij de rechtbank
Rotterdam. Deze rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak
van 12 december 2000 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd
en appellante gelast een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die
uitspraak. Voorts is appellante daarbij veroordeeld tot vergoeding van
proceskosten en griffierecht.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. M.F. Vermaat, werkzaam bij de Stichting De
Ombudsman te Hilversum, een verweerschrift (met bijlage) ingezonden.
Appellante heeft desgevraagd bij brief van 24 juli 2001 stukken
ingezonden, waarop vanwege gedaagde bij brief van 24 augustus 2001 is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de
Raad op 4 september 2001, waar voor gedaagde is verschenen mr. Vermaat,
voornoemd, en waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door F.M.
van Veen, werkzaam bij appellante.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee besloten is
het onderzoek te heropenen en de zaak te verwijzen naar de meervoudige
kamer.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 18 december
2001.
Appellante is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. Vermaat voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De zoon van gedaagde, [C.], geboren [in] 1986, heeft een progressieve
spierziekte (M. Duchenne). Hij heeft een zwakke rompbalans en kan niet
staan of lopen. Hij kan zijn armen niet optillen en zijn
hand/vingerfunctie is zeer gering. Hij verplaatst zich op school en
buitenshuis in een elektrische rolstoel. Hij bestuurt de rolstoel met
een aangepaste joystick omdat hij onvoldoende functie en spierkracht
heeft om een standaard joystick te gebruiken. Hij is volledig
afhankelijk van ADL-hulp, 24 uur per dag. Hij wordt bij het eten en drinken geholpen door zijn
ouders. De aangevraagde robotarm zou het hem niet alleen mogelijk maken
zelfstandig te eten, maar hem tevens in staat stellen andere dagelijkse
handelingen te verrichten, zoals audio- en videoapparatuur bedienen,
deuren openen en sluiten, voorwerpen oprapen, telefoneren en faxen. De
revalidatiearts heeft verklaard dat de robotarm noodzakelijk is.
Het bestreden besluit van 18 mei 2000 berust op het standpunt dat
artikel 15 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering en
artikel 2 van de Regeling hulpmiddelen 1996 geen ruimte bieden om de
aangevraagde robotarm te verstrekken. Appellante heeft daartoe het
volgende overwogen:
"Op grond van artikel 15 van het Verstrekkingenbesluit
Ziekenfondsverzekering bestaat aanspraak op die hulpmiddelen die als
zodanig door de minister zijn aangewezen. Dat heeft plaatsgevonden in de
Regeling hulpmiddelen 1996, laatstelijk gewijzigd bij Regeling van 28
april 1999, Stcrt. 87.
In artikel 2 van de Regeling hulpmiddelen 1996 is een limitatieve lijst
van hulpmiddelen opgenomen die door ons in eigendom, dan wel in bruikleen
kunnen worden verstrekt. Andere dan de in dat artikel genoemde
hulpmiddelen komen daarmede niet voor verstrekking in aanmerking. De Arm
Robot Manipulator staat niet vermeld op de limitatieve lijst en kan
derhalve niet verstrekt, respectievelijk vergoed worden. De aanvraag is
gedaan om uw zoon [C.] in staat te stellen een aantal handelingen,
waaronder eten, drinken en ADL-handelingen zelfstandig uit te voeren.
Met gebruik van de Arm Robot Manipulator zou hij gedurende langere
perioden onafhankelijk van ADL-assistentie kunnen zijn.
Het is DSW niet evenwel niet toegestaan om zelfstandig uitbreiding te
geven aan het wettelijk omschreven pakket hulpmiddelen, noch bevoegd om
u in de aanschaf een financiële tegemoetkoming te verschaffen."
Het College voor zorgverzekeringen heeft dit standpunt bij brief van 15
mei 2000 onderschreven.
Namens gedaagde is in het beroep bij de rechtbank aangevoerd dat de
Regeling hulpmiddelen 1996 geen limitatieve opsomming bevat nu het
daarin opgenomen begrip "eetapparaat" niet nader is
omschreven; de robotarm stelt [C.] niet al in staat om zelfstandig te
eten, maar heeft daarnaast ook andere gebruiksmogelijkheden. Gelet
hierop is de aangevraagde robotarm mede aan te merken als
"eetapparaat". Een goedkoper adequaat alternatief is niet
voorhanden. Voorts is namens gedaagde gewezen op de verplichtingen die
voor appellante voortvloeien uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard. Zij heeft daartoe (onder meer) overwogen als volgt:
"Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder i, in verbinding
met het derde lid, van de Ziekenfondswet kan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur de inhoud en omvang van aanspraken van verzekerden
op hulpmiddelen worden geregeld en kunnen voorwaarden worden gesteld
voor het tot gelding brengen van deze aanspraken.
In het eerste lid van artikel 15 van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering is bepaald dat hulpmiddelen de middelen omvatten
welke bij ministeriële regeling als zodanig zijn aangewezen. De
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft aan dit besluit
gevolg gegeven met de Regeling hulpmiddelen 1996 (verder: de Regeling).
In artikel 2, lid 1, aanhef en onder r, in verbinding met artikel 24,
eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling is bepaald dat de
aanspraak op hulpmiddelen voor het toedienen van voeding mede de
verschaffing in eigendom omvat van eetapparaten. In het vierde lid van
artikel 24 van de Regeling is bepaald dat een dergelijke aanspraak
bestaat indien het gebruik ervan om medische redenen is aangewezen.
In de toelichting bij artikel 24, eerste lid, van de Regeling (opgenomen
in Stcrt. 1995, 229) is het volgende vermeld met betrekking tot onderdeel
d:
"Onder de aanspraak op een eetapparaat wordt verstaan een eethulp
ten behoeve van personen met beperkingen in het gebruik van armen of
handen. De eethulp stelt deze personen in staat zelfstandig de maaltijd
te gebruiken, in een zelf te bepalen tempo. Het apparaat bestaat uit een
onderstel (frame aandrijfgedeelte en lepelarm) waarop het bord kan
worden verplaatst. Het bord kan links- of rechtsom draaien. De in de
lepelarm geplaatste lepel wordt automatisch naar het bord bewogen en
vervolgens naar boven in afhapstand. Andere op de markt beschikbare
geavanceerde apparatuur, met dezelfde mogelijkheden, bijvoorbeeld de
roboteethulp, moeten vooralsnog als onnodig kostbaar worden aangemerkt,
en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking."
De rechtbank is van oordeel dat de in de Regeling opgenomen hulpmiddelen
weliswaar een limitatieve opsomming behelst van de soort hulpmiddelen
welke verstrekt kunnen worden, maar dat het daarin opgenomen hulpmiddel
eetapparaat als zodanig in beginsel zelf mede de robotarm kan omsluiten.
Het indicatiecriterium dat de aangehaalde toelichting hanteert ten
aanzien van de uitsluiting van de robotarm is ontleend aan artikel 15,
tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering dat tot
1 januari 1997 luidde:
"2. Op een hulpmiddel bestaat geen aanspraak indien verschaffing,
wijziging of herstel daarvan redelijkerwijs overbodig, onnodig kostbaar,
onnodig gecompliceerd of niet doelmatig is."
Deze bepaling is vervallen bij KB van 15 november 1996 (Stb. 1996, 595)
waarbij het derde tot en met vijfde lid zijn vernummerd tot het tweede
tot en met vierde lid. Daarbij is tevens aan artikel 2 van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering een derde lid toegevoegd
welke met ingang van 1 januari 1997 luidt:
"3. De aanspraak op een verstrekking kan slechts tot gelding worden
gebracht voor zover de verzekerde gelet op zijn behoefte en uit een
oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard,
inhoud en omvang is aangewezen."
Dit aan het op 1 januari 1997 ingevoerde derde lid van artikel 9b van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ontleende indicatiecriterium heeft
blijkens de tekst kennelijk een ruimhartiger strekking dan het per 1
januari 1997 vervallen indicatiecriterium.
Nu de aangehaalde toelichting bij artikel 24, eerste lid, aanhef en
onder d, van de Regeling het vervallen indicatiecriterium als maatstaf
aanlegt is de toelichting op dit onderdeel achterhaald en dient deze
naar het oordeel van de rechtbank derhalve buiten toepassing te worden
gelaten voorzover deze de robotarm uitsluit op basis van dit oude
criterium. Nu uit de toelichting volgt dat de robotarm in beginsel als
eetapparaat kan worden aangemerkt komt hiermee de wettelijke grondslag
voor de weigering zoals verwoord in het bestreden besluit te ontvallen.
Het bestreden besluit komt derhalve reeds hierom voor vernietiging in
aanmerking.
De rechtbank ziet voorts, gelet op artikel 8:69, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, aanleiding om te onderzoeken of eiser
mogelijkerwijs uit andere hoofde dan op grond van artikel 2, eerste lid,
aanhef en onder r, in verbinding met art. 24, eerste lid, aanhef en
onder d, van de Regeling aanspraak kan maken op de verstrekking van een
robotarm ten behoeve van [C.], nu niet alleen met het oog op hulp bij
het eten is verzocht om dit hulpmiddel, maar ook met het oog op het
dagelijks functioneren in het algemeen, terwijl verweerder heeft
volstaan met de enkele constatering dat de robotarm niet valt onder de
in artikel 2 van de Regeling opgenomen hulpmiddelen.
In artikel 2, lid 1, aanhef en onder t, in verbinding met artikel 26,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling is bepaald dat de
aanspraak op hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en
signalering mede de verschaffing in eigendom omvat van computers met bijbehorende apparatuur voor
lichamelijk gehandicapten. In het tweede lid van artikel 26 van de
Regeling is bepaald dat een dergelijke aanspraak bestaat indien de
lichamelijk gehandicapte voor communicatie of bediening van
huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op deze
voorzieningen is aangewezen.
In de toelichting bij artikel 26, eerste lid, van de Regeling is met
betrekking tot onderdeel a het volgende vermeld:
"De onderhavige zorgaanspraak omvat zowel de computer hardware als
de software. Een computer in de thuissituatie is in het algemeen slechts
geďndiceerd bij motorisch gehandicapten, voor wie de computer met
aanpassing als enig of nagenoeg enig middel adequate communicatie
mogelijk maakt. Naast de computer als communicatiemiddel kunnen
motorisch zeer ernstig gehandicapten deze voorziening ook gebruiken voor
omgevingsbediening. Met de computer is het mogelijk ramen, deuren en
gordijnen te openen of te sluiten. Tevens kunnen allerlei apparaten
hiermee aan of uitgezet worden, ook voor telefoneren wordt de
omgevingsbesturing gebruikt. Voor deze categorie gehandicapten bestaat
geen goedkoper alternatief."
Nu de toelichting in algemene termen spreekt en het tweede lid van
artikel 26 de bediening van huishoudelijke hulpmiddelen als zelfstandig
criterium aanlegt, terwijl uit de aanvraag blijkt dat de robotarm [C.]
onder andere in staat zal stellen mede te communiceren via telefoon, fax
en computer, vermag de rechtbank niet in te zien dat de robotarm, welke
gelet op de aangehaalde toelichting als een computer met aanpassingen
kan worden aangemerkt, niet kan worden begrepen onder de in artikel 26,
eerste lid aanhef en onder a, van de Regeling bedoelde zorgaanspraak.
Nu verweerder in bezwaar de afwijzing heeft gehandhaafd onder de
overweging dat de limitatieve opsomming van artikel 2 van de Regeling
niet voorziet in een robotarm, heeft verweerder kennelijk een te
beperkte uitleg gegeven aan die bepaling in verbinding met artikel 26
van de Regeling en komt het bestreden besluit voorts om die reden in
aanmerking voor vernietiging.
Verweerder zal derhalve met inachtneming van hetgeen hiervoor is
overwogen opnieuw moeten beoordelen of eiser ten behoeve van [C.]
aanspraak kan maken op de verstrekking in enigerlei vorm van een
robotarm. Bij de toepassing van artikel 2, derde lid van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering en artikel 26, tweede lid,
van de Regeling zal verweerder voorts acht dienen te slaan op het
progressieve karakter van de spierziekte van [C.].
Gelet op de vernietiging wegens onjuiste regeltoepassing komt de
rechtbank niet meer toe aan een toetsing van de Regeling aan artikel 8
van het EVRM. De rechtbank merkt in dit verband ter voorlichting van
partijen ten overvloede op dat naar haar oordeel de bescherming die
artikel 8 van het EVRM thans biedt niet zover strekt dat eiser op grond
van die bepaling de verstrekking van een robotarm door verweerder kan
afdwingen."
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is
dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de toelichting bij
artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling hulpmiddelen
1996 een vervallen indicatiecriterium inhoudt, voor zover deze de
robotarm uitsluit van het verstrekkingenpakket. Voorts is aangevoerd dat
de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de robotarm als een
computer met aanpassingen kan worden aangemerkt.
Gedaagde heeft zich in hoger beroep achter het oordeel van de rechtbank
gesteld. Hij stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde robotarm de
goedkoopste adequate voorziening is omdat andere - goedkopere -
specifieke eethulpen inadequaat zijn gebleken. Subsidiair is aangevoerd
dat alhoewel de van toepassing zijnde limitatieve regelgeving niet
voorziet in een hardheidsclausule, op grond van artikel 8 EVRM een
positieve verplichting kan bestaan om bepaalde voorzieningen voor zeer
ernstig lichamelijk gehandicapten toegankelijk te maken, in welk verband
een beroep is gedaan op EHRM 24 februari 1998 (gepubliceerd in JB
1998/70) inzake Botta tegen Italië.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of appellante
terecht heeft geweigerd de aangevraagde robotarm te verstrekken. Met
betrekking tot deze vraag wordt het volgende overwogen.
Vooropgesteld moet worden - zie onder meer 's Raads uitspraak van 26
april 2000, gepubliceerd in USZ 2000/174 - dat de Ziekenfondswet en de
daarop berustende regelingen een gesloten systeem behelzen van de ten
laste van de in deze wet geregelde verzekering komende verstrekkingen,
in die zin dat in beginsel op geen andere verstrekkingen aanspraak
bestaat dan in deze regelgeving is bepaald. Ten aanzien van hulpmiddelen
stelt de Raad voorts vast dat aan dit gesloten systeem vorm en inhoud is
gegeven door het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het
Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering en de daarop rustende
Regeling hulpmiddelen 1996, waarin een limitatieve en nauw omschreven
opsomming van hulpmiddelen is gegeven en de gevallen waarin daarop - al
dan niet - aanspraak bestaat. Voorts vloeit uit 's Raads vaste
jurisprudentie - zie bij voorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2000,
gepubliceerd in USZ 2001/13 - voort dat in de aard van een dergelijk
enumeratief en limitatief systeem van aanspraken besloten ligt dat er in
beginsel geen ruimte is voor een extensieve interpretatie van de daarin
geregelde aanspraken en gevallen.
Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder r, in samenhang
met artikel 24, eerste lid onder d, van de Regeling hulpmiddelen 1996
bestaat aanspraak op hulpmiddelen voor het toedienen van voeding in de
vorm van eetapparaten. Gelet op even vermeld enumeratief en limitatief
systeem van verstrekkingen (waaronder hulpmiddelen) ingevolge de
Ziekenfondswet en de op zichzelf genomen duidelijke tekst van de van
toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften, ziet de Raad geen
ruimte voor een extensieve interpretatie inhoudende dat onder
eetapparaten mede moeten worden verstaan hulpmiddelen die niet specifiek
bestemd zijn voor het toedienen van voeding, maar die daarvoor gezien
hun technische mogelijkheden wel mede kunnen worden gebruikt, zoals de
in geding zijnde robotarm. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat
de regelgever de robotarm blijkens de toelichting op de Regeling - mede
in verband met de daaraan verbonden kosten - uitdrukkelijk buiten het
verstrekkingenpakket heeft willen laten en dat met betrekking tot zulk
een hulpmiddel ten tijde van belang niet was gebleken van een veranderd
inzicht van de regelgever. De Raad voegt hier nog aan toe dat de
regelgever nog betrekkelijk recent - in afwijking van een advies van het
College voor zorgverzekeringen - heeft beslist dat de robotarm
vooralsnog niet wordt opgenomen in het verstrekkingenpakket.
Gelet op het enumeratief limitatief systeem van verstrekkingen ingevolge
de Ziekenfondswet ziet de Raad evenmin ruimte voor een extensieve
interpretatie van het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder t, in
verbinding met artikel 26, eerste lid onder a, van de Regeling
hulpmiddelen 1996. Het daarin neergelegde recht op verstrekking van een
computer met bijbehorende apparatuur heeft gezien de op zichzelf genomen
duidelijke tekst van eerstgenoemd algemeen verbindend voorschrift alleen
betrekking op hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en
signalering. De Raad is van oordeel dat de in geding zijnde robotarm
niet kan worden aangemerkt als een computer in de zin van deze
bepalingen zodat bovengestelde vraag moet worden beantwoord. De
omstandigheid dat hij, evenals een computer, wordt bestuurd door middel
van een processor doet daaraan niet af.
De vraag of appellant op grond van artikel 8 EVRM gehouden is aan
gedaagde een robotarm te verstrekken wordt door de Raad eveneens
ontkennend beantwoord.
Blijkens het eerste lid van dit artikel heeft een ieder recht op respect
voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en
zijn correspondentie. Het tweede lid bepaalt dat geen inmenging van enig
openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor
zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving
noodzakelijk is in het belang van opgesomde doeleinden, daaronder
begrepen het economisch welzijn van het land.
Het in dit artikel besloten liggende recht op respect voor het privé-leven
van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die
persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de
ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn
betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen
de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder
omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die
noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven.
Deze verplichtingen kunnen ook het nemen van maatregelen inhouden. Of
dergelijke verplichtingen bestaan is afhankelijk van de vraag of het
juiste evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van de
individuele persoon in acht is genomen, bij de beantwoording waarvan de
overheid altijd een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft. Voorts
is van belang of sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband
tussen de van de overheid verlangde maatregel en het recht op privé-leven
van de individuele persoon (EHRM 24 februari 1998, JB 1998/70 en NJ
1999/691 inzake Botta tegen Italië).
Namens gedaagde is aangevoerd dat de in geding zijnde robotarm hem in
staat stelt zelfstandig te functioneren; niet alleen bij het gebruiken
van maaltijden, maar ook bij het bedienen van lichtschakelaars,
deuropeners, het oprapen van voorwerpen van de grond en dergelijke. De
aangevraagde robotarm maakt hem daardoor minder afhankelijk van anderen
waardoor de sfeer van zijn privé-leven, in het bijzonder de
ontwikkeling van zijn persoonlijkheid in relatie tot anderen, wordt
vergroot.
De Raad is, gelet hierop, van oordeel dat gezegd moet worden dat er een
rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen het recht op privé-leven
van [C.] en de van appellante verlangde maatregel, te weten verstrekking
van een robotarm. Desalniettemin kan niet gezegd worden dat de overheid
bij afweging van het algemeen belang,
waaronder begrepen de kosten van de gezondheidszorg, en het individuele
belang niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de in geding zijnde
robotarm buiten het verstrekkingenpakket te houden waarop ingevolge de
Ziekenfondswet aanspraak bestaat, in aanmerking genomen de ruime
beoordelingsvrijheid die haar daarbij toekomt.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de
aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit gegrond is
verklaard, dient te worden vernietigd. Tevens volgt hieruit dat het
inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
januari 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|