|
Uitspraak
00/2879 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Onderlinge Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar, gevestigd te
Wageningen, appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 10 juni 1998 heeft appellante ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 9 januari 1998, waarbij
appellante heeft geweigerd gedaagde per 1 januari 1998 in te schrijven
als ziekenfondsverzekerde op de grond dat zijn loon op de peildatum (1
november 1997) meer bedroeg dan de voor 1998 vastgestelde loongrens van
f 62.200,--.
De Rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 4 april 2000 het door
gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, bepaald dat appellante een nieuw besluit dient te
nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en
bepaald dat appellante het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 april
2002, waar voor appellante is verschenen mr. A.J. Vosmeijer, werkzaam
bij appellante, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit betreft de weigering van appellante om gedaagde
per 1 januari 1998 in te schrijven als ziekenfondsverzekerde. Daarbij
heeft appellante geen rekening gehouden met een wijziging in de hoogte
van de aan gedaagde toegekende uitkering krachtens de Algemene
nabestaandenwet (Anw) per die datum. In de visie van appellante is
bepalend het loon, waaronder begrepen de uitkering krachtens de Anw, van
gedaagde op 1 november 1997 de peildatum als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, aanhef en onder c, van de Zfw. Dit loon bedroeg meer dan de
voor 1998 vastgestelde loongrens.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als
verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Het voorgaande houdt concreet in dat tussen partijen
niet in geschil is het antwoord op de vraag of het pensioen ingevolge de
AWW bij de bepaling van het loon dient te worden betrokken, doch wel het
antwoord op de vraag op welke datum dit dient te geschieden. De
rechtbank zal mitsdien beoordelen of verweerders standpunt juist is, dat
op grond van de Zfw, voor inschrijving doorslaggevend is het loon,
inclusief het AWW-pensioen, op de peildatum 1 november van het
voorafgaande jaar (in dit geval: 1997).
Op grond van het bepaalde bij artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Zfw is, voorzover in casu van belang, verzekerd de werknemer in
de zin van de Ziektewet wiens loon, verdiend in een of meer betrekkingen
in de zin van de Ziektewet niet meer bedraagt dan f 62.200,-- per jaar;
op grond van het bepaalde onder b is verzekerd degene die naar de
omstandigheden beoordeeld hier te lande woonachtig is en een uitkering
ontvangt ingevolge de Algemene nabestaandenwet (aanvankelijk: de
Algemene Weduwen en Wezenwet).
Ingevolge het bepaalde bij artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a van
de Zfw wordt voor de toepassing van het bepaalde bij het eerste lid,
onder a, van de Zfw een limitatieve opsomming gegeven van hetgeen onder
loon wordt verstaan. Voorts wordt in het vierde lid aanhef en onder c
bepaald dat voor de toepassing van het bepaalde bij het eerste lid,
onder a tot het einde van het kalenderjaar geen rekening wordt gehouden
met wijzigingen van het loon, welke tijdens de duur van de uitkering na
1 november van het voorafgaande kalenderjaar plaatsvinden of hebben
plaatsgevonden.
In de limitatieve opsomming genoemd onder artikel 3, vierde lid, aanhef
en onder a is niet een pensioen ingevolge de AWW/Anw opgenomen.
De rechtbank komt het geheel beziend tot de conclusie dat de peildatum
van 1 november als neergelegd in voornoemd artikellid, niet toeziet op een
pensioen ingevolge de AWW/Anw. Om die reden is de rechtbank van oordeel
dat het bestreden besluit, volgens welke verweerder gelet op de Zfw
gehouden was voor de bepaling van de hoogte van het loon, inclusief het
AWW-pensioen, 1 november van het voorafgaande jaar als peildatum te
hanteren, niet berust op een deugdelijke motivering."
De Raad volgt de rechtbank hierin niet en overweegt daartoe het
volgende.
Artikel 2a van het op artikel 3, negende lid, van de Zfw gebaseerde
Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet luidt als volgt:
1. Van de verzekering ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, b en d,
van de Ziekenfondswet is uitgezonderd degene wiens vaste, naar
tijdsruimte en in geld vastgestelde inkomen uit een of meer
rechtsverhoudingen die afzonderlijk bezien rechtsgrond vormen voor
verzekering ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b of d, van de
Ziekenfondswet, in voorkomend geval vermeerderd met het loon, bedoeld in
artikel 3, vierde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet, meer bedraagt
dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet
bedoelde bedrag.
2. Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 3, vierde lid, onder
b, c, d en e, van de Ziekenfondswet, van overeenkomstige toepassing.
Met dit artikel is niet alleen gegeven dat een uitkering krachtens de
Anw dient te worden betrokken bij het antwoord op de vraag of de
loongrens wordt overschreden (het eerste lid), maar tevens dat daarbij
beslissend is het inkomen op de peildatum van artikel 3, vierde lid,
onder c, van de Zfw (het tweede lid).
Uit het vorenstaande volgt dan ook dat het hoger beroep slaagt. De
aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep
dient alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2002.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|