|
Uitspraak
99/4137 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Onderlinge Waarborgmaatschappij OLM Het Groene Land zorgverzekeraar
U.A. (Zwolle), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep
gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Assen op 22 juni
1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarbij het beroep tegen het in
het kader van de Ziekenfondswet (Zfw) genomen besluit van 8 februari
1995 ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij brief van 15 maart 2000 (met bijlagen) haar
standpunt nogmaals toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 april 2000, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde V.
Nicolic, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door haar
juridisch medewerker R. Bestebreurtje.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1948, heeft sinds jaren last van rugklachten,
waarvoor zij onder meer regelmatig fysiotherapeutische behandeling
krijgt.
In 1994 is appellante, zoals ook in voorgaande jaren, gedurende zes
maanden in Joegoslavië geweest. Tijdens haar verblijf daar heeft zij
zich onder doktersbehandeling gesteld in verband met rug- en nekpijn,
hartkloppingen, hoofdpijn en overgeven.
Zij heeft de medische kosten ad f 1.373,92 gedeclareerd op een formulier
aangifte van ongeval/ziekte, ondertekend op 2 januari 1995. Op het
formulier heeft zij vermeld dat zij in 1992 ziek is geworden, dat toen
haar kuur is begonnen en dat zij die behandeling in overleg met de
huisarts (in Joegoslavië) moest afmaken. In haar brief van 18 januari
1995 verklaart zij nader dat zij in 1994 van de fysiotherapeut een
tijdje moest stoppen met de behandeling, maar dat in Joegoslavië de
pijn zo hevig werd dat zij weer behandeld moest worden.
Bij besluit van 8 februari 1995 heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek van appellante, zulks omdat er geen sprake zou zijn van
spoedhulp maar van voortzetting van de behandeling die in Nederland al
was gestart.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad (de Commissie)
heeft in haar advies van 31 juli 1997 onder meer het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van het verzoek om advies heeft de commissie
advies gevraagd aan de medisch adviseur van de Ziekenfondsraad. Deze
heeft de commissie meegedeeld dat de verstrekte gegevens buitengewoon
summier zijn. Uit de stukken is afgeleid dat sprake is geweest van acuut
optredende klachten, waaronder hartkloppingen, pijn in de nek en
overgeven. Om te kunnen bepalen of de behandeling zoals in het geval van
uw cliënte heeft plaatsgehad (of fysiotherapie), nodig was en niet kon
worden uitgesteld tot terugkeer in Nederland, is het noodzakelijk om geïnformeerd
te zijn over de stoornissen en beperkingen op het moment waarop uw cliënte
stelt te zijn aangewezen op de behandeling in het kuuroord. Omdat elke
toelichting van de behandelend arts(en) in Joegoslavië ontbrak, is het
betreffende kuuroord, het Gezondheidscentrum te Leskovac, om nadere
informatie gevraagd. De Bestuurder van dit centrum, dr. R. Todorovic, heeft echter verklaard dat het centrum niet over enige
medische documentatie beschikt betreffende uw cliënte. De medisch
adviseur kan daarom over deze specifieke situatie geen medisch oordeel
geven. Wel kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat de geschetste
aandoening met een chronisch karakter bijna nooit spoedeisende
behandeling vergt.
Op grond van het bovenstaande komt de commissie tot de conclusie dat -
mede gelet op de informatie van de medisch adviseur van de
Ziekenfondsraad - uit de overgelegde stukken niet aannemelijk is
geworden dat de hulp medisch gezien noodzakelijk was. Wel kan de
commissie billijken dat uw cliënte een arts geraadpleegd heeft naar
aanleiding van de acuut optredende klachten waaronder hartkloppingen,
pijn in de nek, hoofdpijn en overgeven, welke hulp als spoedeisende hulp
kan worden aangemerkt.
De commissie meent derhalve dat de kosten die betrekking hebben op de
spoedeisende hulp redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking komen.
Onder deze omstandigheden komt de commissie tot het oordeel dat uw cliënte
aan het verdrag met
Joegoslavië geen aanspraken kan ontlenen op vergoeding van een aantal
van de kosten van specialistische en fysiotherapeutische hulp en
behandeling in het kuuroord. Wel zou de commissie het ziekenfonds in
overweging willen geven de kosten die met de directe spoedeisende hulp
(huisartsconsult, elektrocardiogram) samenhangen, te vergoeden."
Bij brief van 3 november 1997 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld
dat op basis van het advies van de Commissie alsnog is besloten enkele
kostenposten (consult huisarts in Joegoslavië en kosten ECG), totaal f
189,77, te vergoeden.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde
terecht de door appellante verzochte vergoeding van de kosten, verbonden
aan het verblijf in het kuuroord, heeft geweigerd.
De Raad overweegt het volgende.
Uit de door appellante overgelegde nota's en uit hetgeen door en namens
haar ter zitting is verklaard, blijkt dat appellante voor de tijdens
haar verblijf in Joegoslavië in 1994 opgetreden klachten na het consult
bij de huisarts verder is behandeld in het kuuroord te Leskovac. Zij
heeft daar een totaalbehandeling ondergaan (massages, modderbaden, dieet,
etc.) waarvan de behandeling door een fysiotherapeut een onlosmakelijk
onderdeel vormde.
Gedaagde heeft de weigering om de in het kuuroord gemaakte kosten te
vergoeden gegrond op de volgende overwegingen:
- er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 13 van het
van toepassing zijnde Nederlands-Joegoslavisch Verdrag inzake sociale
zekerheid van 11 mei 1997 (Trb. 1977,156, hierna: het Verdrag), in die
zin dat de gezondheidstoestand van appellante gedurende haar tijdelijk
verblijf in Joegoslavië niet zodanig was dat onmiddellijke
geneeskundige hulp noodzakelijk moest worden geacht;
- verblijf/behandeling in een kuuroord betreft geen verstrekking conform
de Zfw.
Ook naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk geworden dat
appellantes gezondheidsproblemen ten tijde van haar verblijf in
Joegoslavië zo spoedeisend waren dat zij onmiddellijk geneeskundige
hulp nodig had. Zowel uit eerdervermeld formulier van 2 januari 1995 als
uit appellantes verklaringen blijkt dat sprake was van chronische
klachten en dat de behandeling in Joegoslavië een voortzetting betrof
van de in Nederland aangevangen behandeling door een fysiotherapeut. De
uit Joegoslavië ontvangen informatie van dr. R. Todorovic van het
Gezondheidscentrum te Leskovac heeft geen enkele helderheid terzake
kunnen verschaffen, nu daaruit slechts blijkt dat het kuuroord niet
beschikte over medische informatie omtrent appellante.
Appellante kan dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 13 van het
Verdrag, aan het Verdrag geen aanspraak ontlenen op vergoeding van de
kosten van (het samenstel van) behandelingen in het kuuroord.
De Raad onderschrijft overigens eveneens de tweede door gedaagde
gehanteerde weigeringsgrond. De in en bij de Zfw gegeven
verstrekkingenregeling, bevattende een duidelijk omschreven en
limitatief bedoeld verstrekkingensysteem, biedt voor vergoeding van de
kosten van behandeling in een kuuroord geen ruimte, nu van zodanige
vergoeding in die regeling, ook waar die (in het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering) betrekking heeft op verstrekkingen of
vergoedingen in bijzondere gevallen of spoedgevallen, geen melding wordt
gemaakt.
Hetgeen door en namens appellante is aangevoerd (waarbij appellante in
hoger beroep met name heeft gewezen op de originele nota's als bewijs
van de betreffende behandelingen) kan niet leiden tot een ander oordeel.
Al het vorenoverwogene leidt tot bevestiging van de aangevallen
uitspraak.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en
mr. D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van 't
Klooster als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|