|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 99/4142 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
De Onderlinge Waarborgmaatschappij AZIVO Algemeen Ziekenfonds de
volharding U.A., gevestigd te Den Haag, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit op bezwaar van 4 maart 1998 (het bestreden besluit) heeft
gedaagde overeenkomstig het hierna vermelde advies van de Commissie voor
beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad (hierna: de
Ziekenfondsraad) vastgehouden aan de in haar eerder besluit van 30 juli
1997 neergelegde weigering om appellante toestemming te geven voor een
diagnostisch onderzoek en behandeling in het Spine & Joint Centre te
Rotterdam.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad had bij advies van
20 februari 1998 de visie van gedaagde onderschreven dat appellante op
grond van de Ziekenfondswet niet in aanmerking komt voor vergoeding van
de door haar gevraagde behandeling in het Spine & Joint Centre.
Daarbij is onder meer verwezen naar de in dat advies vermelde
bevindingen van de geraadpleegde medisch adviseur van de
Ziekenfondsraad, luidend, voor zover hier van belang:
"Uit de brief van de gynaecoloog (die verzekerde heeft geadviseerd
zich te wenden tot het Spine & Joint Centre) en uit de informatie
van het Spine & Joint Centre is niet op te maken dat het hier gaat
om multidisciplinaire problematiek, van dusdanig complexe aard dat
hiervoor revalidatiezorg noodzakelijk is. De door het Spine & Joint
Centre voorgestelde (en inmiddels ook verleende) hulp is een specifieke
vorm van oefentherapie. Het programma bestaat uit een groepsbehandeling
van acht weken waarin het spiercorset van het bekken op een specifieke
manier wordt getraind. Het verklaringsmodel voor de behandeling is
wetenschappelijk onderbouwd, maar nog niet in klinische studies voor
deze categorie patiënten bevestigd. Dit geldt ook voor de speciaal
gebruikte apparatuur, de meerwaarde hiervan is wetenschappelijk nog niet
aangetoond. Het centrum verzorgt in samenwerking met het Nederlands
Paramedisch Instituut al jaren een opleidingsprogramma voor
fysiotherapeuten over de behandeling van bekkeninstabiliteit. Dit
betekent dat een fysiotherapeut die opgeleid is in de
oefentherapeutische technieken die het Spine & Joint Centre heeft
ontwikkeld, in staat moet zijn om deze behandeling te geven."
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep bij tussen partijen gewezen
uitspraak van 21 juni 1999 ongegrond verklaard.
Appellante is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen bij de Raad.
Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 juni 2000, waar
appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door haar echtgenoot, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.C. Guijt en
A.T.M. van Dam, arts.
II. MOTIVERING
Voor wat betreft het procesverloop, de standpunten van partijen in
eerste aanleg en de van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad
naar de aangevallen uitspraak.
Appellante is in augustus 1996 bevallen van haar eerste kind. Daarna
kreeg zij last van bekkeninstabiliteit. Op advies van de haar
behandelend gynaecoloog C.A.G. Holleboom heeft zij op 11 juli 1997 een
diagnostisch onderzoek in het Spine & Joint Centre (hierna: SJC)
ondergaan waaruit instabiliteit van het bekken naar voren kwam zonder
radiculair beeld. Door het SJC is toen met appellante afgesproken dat
zij voorshands, in afwachting van accordering door gedaagde, de haar
eerder ten laste van de Ziekenfondsverzekering verstrekte fysiotherapie
zou voortzetten en na drie maanden weer bij het SJC zou terugkomen.
Het onderzoeksverslag van het SJC vermeldt voorts dat die eerder door
appellante elders ondergane fysiotherapie op hetzelfde principe berust
als de therapie in het SJC, zij het dat het SJC wat meer aandacht aan de
gedragsmatige aspecten kan besteden.
Blijkens de aan appellante gerichte brief van het SJC d.d. 31 juli 1997
heeft appellante zich (niet pas na drie maanden doch reeds) eind juli
1997 aangemeld bij het SJC voor oefentherapie van 26 augustus tot en met
17 oktober 1997. Voor die behandeling had appellante geen toestemming
van gedaagde.
Op een door appellante ingediend verzoek om vergoeding van voormeld
diagnostisch onderzoek in het SJC heeft gedaagde, die stelt dat verzoek
op 24 juli 1997 per fax te hebben ontvangen, bij primair besluit van 30
juli 1997 afwijzend beschikt op de grond dat gedaagde met het SJC geen
medewerkersovereenkomst heeft.
Daarop heeft appellante bij haar tegen dat primair besluit gericht
bezwaarschrift van 8 september 1997 tevens verzocht om vergoeding van de
door haar inmiddels bij het SJC op 26 augustus 1997 begonnen
oefentherapie.
Bij het onder I vermeld bestreden besluit van 4 maart 1998 heeft
gedaagde haar primair besluit gehandhaafd, omdat van een medische
noodzaak voor geneeskundige behandeling in het SJC niet was gebleken.
In dit geding is aan de orde de vraag of de in het bestreden besluit
neergelegde weigering om appellante ingevolge artikel 9, vierde lid, van
de Zfw toestemming te verlenen voor diagnostisch onderzoek en verdere
behandeling bij het SJC, in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft, onder meer lettend op de door de medisch adviseur
van gedaagde in eerste aanleg gegeven toelichting, die vraag bevestigend
beantwoord.
Daartoe is bij de aangevallen uitspraak onder meer overwogen:
"Nu vast staat dat verweerder geen overeenkomst zoals bedoeld in
artikel 9, eerste lid, Zfw met het Centre heeft gesloten, dient
allereerst te worden beoordeeld of er in het onderhavige geval voor
verweerder aanleiding bestond om gebruik te maken van zijn bevoegdheid
als genoemd in artikel 9, vierde lid, Zfw. Het betreft hier een
discretionaire bevoegdheid, waarvan de uitoefening door de rechtbank slechts terughoudend kan worden getoetst. Voor die uitoefening is
vereist dat het voor de geneeskundige verzorging van de betrokkene nodig is dat deze zich wendt tot een
behandelaar of instelling met wie verweerder geen overeenkomst heeft
gesloten.
Dienaangaande heeft verweerder overwogen dat de door het Centre
verleende behandeling een specifieke vorm van oefentherapie is, waarbij
gebruik wordt gemaakt van speciale trainingsapparatuur. Nu niet is
gebleken dat het hier gaat om multidisciplinaire problematiek van
dusdanig complexe aard dat hiervoor revalidatiezorg noodzakelijk is, is
verweerder van opvatting dat de bekkeninstabiliteitsklachten waarvoor
eiseres hulp zoekt, ook door gecontracteerde fysiotherapeuten, met
deskundigheid op dit gebied, kunnen worden behandeld.
In het beroepschrift voert eiseres aan dat haar gynaecoloog en haar
huisarts haar het diagnostisch onderzoek en de behandeling bij het
Centre hadden aanbevolen.
Naar het oordeel van de rechtbank ontnemen dergelijke adviezen
verweerder niet de hem door de Zfw toegekende ruimte om zelfstandig te
beoordelen of er sprake is van een door het belang van de geneeskundige
verzorging van eiseres ingegeven noodzaak om zich te wenden tot een niet
gecontracteerde persoon of instelling. Zorgvuldige besluitvorming kan
meebrengen dat het ziekenfonds op een verzoek om toestemming niet eerder
beslist dan na zodanige adviezen, alsmede alle andere hem ten dienste
staande gegevens, betreffende het belang van de behandeling van eiseres
in het Centre, in zijn overwegingen te hebben betrokken.
Van de huisarts bevindt zich bij de gedingstukken slechts een brief d.d.
12 juni 1997, waarin deze - kennelijk met het oog op onderzoek/behandeling in het
Centre - zelf
advies verzoekt. Van de gynaecoloog bevat het dossier een brief d.d. 7
april 1997 waarin deze meedeelt eiseres voor een "second opinion"
c.q. verdere behandeling te hebben gewezen op het bestaan van het Centre.
Geen van beide geneeskundigen geeft blijkens de gedingstukken als eigen
gemotiveerd oordeel te kennen dat onderzoek/behandeling door het Centre
voor de geneeskundige verzorging van eiseres noodzakelijk is.
Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres een verklaring d.d. 18
juli 1997 van het Centre zelf voorgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat
naar het oordeel van het Centre het gemiddelde resultaat van de
voorafgaande behandelingen matig was.
De verklaring bevat verder een advies tot behandeling met oefentherapie
in het Centre.
Dienaangaande overweegt verweerder in het bestreden besluit dat hij deze
verklaring heeft voorgelegd aan zijn medisch adviseur en dat deze na
bestudering daarvan had meegedeeld zijn eerder verstrekte advies om niet
over te gaan tot het verlenen van toestemming voor de aangevraagde
behandeling, te handhaven. Gezien vorenweergegeven zakelijke inhoud van
de verklaring van het Centre, welke naar het oordeel van de rechtbank
veeleer de wenselijkheid dan de noodzakelijkheid van
onderzoek/behandeling van eiseres betreft, heeft verweerder met deze
overweging kunnen volstaan.
Appellante benadrukt in hoger beroep dat er bij haar sprake is van
multidisciplinaire problematiek in verband met bekkeninstabiliteit, dat
er haars inziens wel een medische noodzaak is voor therapie in het SJC
en dat gedaagde haar verzoek onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht.
Gedaagde betoogt bij verweerschrift onder meer:
"In de brief van het Spine en Joint Centre van 31 juli 1997 aan eiseres zijn de uitgangspunten van de behandeling
vermeld.
Deze behandeldoelen leveren geen indicatie op voor een
revalidatiebehandeling.
Verder wordt in de brief van het Spine en Joint Centre aan de
gynaecoloog, C.A.G. Holleboom aangegeven dat medebeoordeling
/behandeling door een psycholoog niet nodig lijkt. Overigens ook indien
er wel sprake zou zijn van een indicatie voor revalidatie zou dit er
niet toe leiden dat verweerder ertoe over zou gaan om toestemming te
verlenen voor de behandeling in het Spine en Joint Centre omdat
verweerder in de Haagse regio voldoende revalidatiezorg heeft
gecontracteerd alwaar eiseres adequate behandeling voor haar klachten
had kunnen ondergaan."
De Raad overweegt als volgt.
Vooropstaat artikel 9, eerste lid, van de Zfw.
Ingevolge dat voorschrift heeft een verzekerde, die haar aanspraak op
een verstrekking geldend wil maken, zich te wenden tot een persoon of
instelling, met wie of welke haar ziekenfonds tot dat doel een
overeenkomst heeft gesloten.
Het vierde lid maakt daar in zoverre een uitzondering op dat het
ziekenfonds de bevoegdheid is gegeven een verzekerde toestemming te
verlenen zich voor het geldend maken van haar recht tot een andere
persoon of instelling te wenden, indien dat voor haar geneeskundige
verzorging nodig is.
Hierbij gaat het om een door de wetgever aan het uitvoeringsorgaan
toegekende bevoegdheid.
Anders dan appellante kennelijk meent dient de wijze waarop het orgaan
van de onderhavige bevoegdheid gebruik heeft gemaakt met een zekere
terughoudendheid te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing beperkt
zich in gevallen als het onderhavige tot de vraag of gezegd moet worden
dat gedaagde niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om
gebruik te maken van haar bevoegdheid om toestemming te weigeren, dan
wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een hier van toepassing
zijnde geschreven of ongeschreven rechtsnorm.
Gelet op de bij het nemen van het bestreden besluit van 4 maart 1998 aan
gedaagde ter beschikking staande gegevens, waaronder de bevindingen van
zowel de eigen adviserend geneeskundige als van de medisch adviseur van
de onder I vermelde voormalige Ziekenfondsraad, heeft gedaagde in
redelijkheid kunnen beslissen dat niet is voldaan aan het ingevolge
artikel 9, lid 4, van de Zfw geldende vereiste, inhoudend dat
behandeling in het SJC voor de geneeskundige verzorging van appellante
nodig is.
Daarbij verdient aandacht dat gebruikmaking door gedaagde van de in die
bepaling neergelegde bevoegdheid eerst dan in beeld komt indien de
verzekerde, naar objectief medische maatstaf beschouwd, op behandeling
door de betreffende hulpverlener of instelling is aangewezen.
In het kader van die beoordeling is de eigen mening van betrokkene in
beginsel niet beslissend. Dat laatste klemt in het onderhavige geval
temeer nu appellante haar bestrijding van het standpunt van de medisch
adviseurs van gedaagde en de Ziekenfondsraad in rechte niet met enig
bewijs van medische aard heeft onderbouwd.
Uitgaande van de zo-even vermelde maatstaf en gegeven de bevindingen van
voormelde medisch adviseurs, behoefde gedaagde aan de haar bij het nemen
van het bestreden besluit tevens ter beschikking staande verklaringen
van de huisarts, gynaecoloog en het SJC, niet die betekenis toe te
kennen die appellante daaraan hecht. De Raad kan zich vinden in hetgeen
de rechtbank terzake heeft overwogen.
Voor de door appellante voorts in hoger beroep opgeworpen grief dat het
bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen bieden de in dit
geding ter beschikking staande gegevens naar het oordeel van de Raad
geen steun.
Op grond van die gegevens moet het er namelijk voor worden gehouden dat
het onderhavige - niet aangetekend verzonden - verzoek van appellante niet
eerder dan op 24 juli 1997 door gedaagde is ontvangen alsmede dat
appellante, hoewel gedaagde na die ontvangst prompt bij primair besluit
van 30 juli 1997 op haar verzoek heeft gereageerd, om haar moverende
redenen er van heeft afgezien aan gedaagde toestemming of informatie te
vragen voordat zij begon met de door haar verkozen therapie bij het SJC.
In verband met de onderhavige grief acht de Raad het voorts van belang
dat appellante tijdens de hoorzitting in bezwaar, naar onbetwist uit het
verslag daarvan naar voren komt, door gedaagde is voorgelicht over in
haar geval mogelijk in aanmerking komende wel beschikbare verstrekkingen
krachtens de Zfw. Appellante heeft zich daarover niet nader met gedaagde
verstaan.
Met inachtneming van het vorenoverwogene kan op grond van de voorhanden
gegevens niet worden gezegd dat gedaagde bij de toepassing van de hier
aan de orde zijnde bepalingen van de Zfw jegens appellante onzorgvuldig
heeft gehandeld.
Ook overigens vindt de Raad in de gedingstukken noch in de stellingen
van appellante grond om te oordelen dat het bestreden besluit de
rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.
Het ingestelde hoger beroep faalt derhalve.
De Raad ziet - ten slotte - geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid
van S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 1 augustus 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
|
|