|
Uitspraak
99/353 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 5 december 1997 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen de correctienota's over de jaren 1991 tot en
met 1994, gedateerd 12 augustus 1996. Daarbij heeft appellant -
voorzover van belang - aan gedaagde medegedeeld dat de extra betalingen
die gedaagde bij bepaalde feestdagen aan haar werknemers verstrekt, niet
tot het loongrensloon voor de Ziekenfondswet (verder: Zfw) behoren.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 7
december 1998 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard voorzover gericht tegen het niet aanmerken van de
extra betalingen als loon in de zin van de Zfw en het bestreden besluit
in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft het beroep voor het overige
ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden
van het hoger beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d.
27 april 1999.
Namens gedaagde is een verweerschrift, gedateerd 21 mei 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 oktober
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.E.D.M.
Zijlmans en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij een op 16 en 17 april 1996 bij gedaagde uitgevoerde looncontrole
over de jaren 1991 tot en met 1994 is door appellants looninspecteur L.
van Ruiten geconstateerd dat gedaagde bij de bepaling van het
loongrensloon voor de Zfw de uitkering van een extra weeksalaris bij
moederdag, Pasen en Kerstmis heeft meegenomen. De aanspraak op deze
extra uitkering volgt uit artikel 2 van de door gedaagde gehanteerde
arbeidsovereenkomsten. In dat artikel is voorts bepaald dat de werknemer
verplicht is overwerk te verrichten zonder vergoeding.
Uit het looncontrolerapport d.d. 9 mei 1996 blijkt dat het loon van een
drietal werknemers, waarvoor de werkgever geen verzekeringsplicht voor
de Zfw heeft aangenomen, onder de loongrens blijft indien de extra
weeksalarissen buiten beschouwing worden gelaten.
Op basis van het looncontrolerapport zijn d.d. 12 augustus 1996 over de
jaren 1991 tot en met 1994 correctienota's opgelegd.
Bij het thans bestreden besluit is het daartegen ingediende bezwaar
ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat de extra
betalingen uitsluitend worden verricht aan een werknemer die bij
gedaagde in dienst is op het moment dat de genoemde gelegenheden zich
voordoen en dat de extra betaling bij beλindiging van de
dienstbetrekking niet geheel of naar evenredigheid van de duur van de
dienstbetrekking wordt verstrekt. Hieruit heeft appellant geconcludeerd
dat de extra betalingen wel zijn overeengekomen, maar niet vast zijn,
zodat zij niet behoren tot het loongrensloon voor de Zfw.
De rechtbank heeft overwogen dat het verplichte karakter van zowel de
extra werkzaamheden als de extra betalingen in samenhang met het feit
dat de arbeidsovereenkomsten in beginsel voor een jaar zijn aangegaan en
feitelijk veel langer dan een jaar van kracht zijn geweest, tot geen
andere conclusie leidt dan dat appellant de betalingen ten onrechte niet
heeft aangemerkt als loon in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Zfw.
In hoger beroep heeft appellant andermaal doen aanvoeren dat en waarom
naar zijn oordeel de onderhavige betalingen niet zijn aan te merken als
behorend tot het loon in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Zfw.
De Raad overweegt het volgende.
Het systeem van de verzekeringsplicht ingevolge de Zfw houdt in dat een
werknemer in de zin van de Ziektewet voor de Zfw verzekerd is, tenzij
zijn loon hoger is dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Zfw
genoemde loongrensloon. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan
sprake is, is het vierde lid van evenvermeld artikel van beslissende
betekenis. In dit vierde lid wordt het loongrensloon, voor zover hier
van belang, omschreven als `overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in
geld vastgestelde uitkering'.
Gelet op het feit dat in artikel 2 van de arbeidsovereenkomsten is
bepaald dat de werknemer recht heeft op de betaling van een extra bedrag
bij gelegenheid van respectievelijk moederdag, Pasen en Kerstmis, kan
naar het oordeel van de Raad zeker worden gesproken van overeengekomen
loon. Nu de werknemers echter slechts recht op deze extra betaling
kunnen doen gelden, wanneer zij tijdens deze gelegenheden nog in dienst
van gedaagde zijn, is er geen sprake van overeengekomen vast loon als
omschreven in artikel 3, vierde lid, van de Zfw. De betaling van de
extra bedragen is immers gebonden aan een voorwaarde, waarvan de
vervulling onzeker is, aangezien tevoren niet vaststaat of een
werknemer tijdens de genoemde feestdagen nog in dienst van gedaagde zal
zijn, en is aldus ook niet naar tijdsruimte bepaald.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zich bij het bestreden
besluit derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de extra
betalingen niet behoren te worden meegenomen bij de vaststelling van het
loongrensloon.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover
daarbij het beroep van gedaagde gegrond is verklaard en voor zover
appellant daarbij is veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, voor
vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ook voor het overige ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H. Bekker
en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2000.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|