|
Uitspraak
01/2882 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekeringen u.a., gevestigd
te Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 26 augustus 1998 heeft gedaagde afwijzend beschikt op de
aanvraag van appellant om hem in het kader van de Ziekenfondswet (Zfw)
een computer met internetaansluiting te verstrekken.
Namens appellant is bij brief van 30 september 1998 tegen dat besluit
bezwaar gemaakt.
De voormalige Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft
gedaagde bij brief van 14 april 1999 van advies gediend.
Gedaagde heeft het bezwaar bij besluit van 22 april 1999 (het bestreden
besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 25 januari 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, van deze
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde
gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 augustus 2002 is namens appellant een aanvulling op het
beroepschrift gegeven.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 20
augustus 2002, waar appellant en gedaagde, zoals tevoren aangekondigd,
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de aan het bestreden besluit voorafgegane
relevante feiten verwijst de Raad naar rubriek III van de aangevallen
uitspraak.
Gedaagde heeft het verzoek van appellant, bij wie een autistische
stoornis is geconstateerd, opgevat als een verzoek om hem een computer
met internetverbinding te verschaffen, de kosten van een abonnement op
een internetprovider te vergoeden en tegemoet te komen in de kosten van
het gebruik van de telefoon. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde
zijn eerdere afwijzing van het gevraagde gehandhaafd.
Dit besluit berust op het standpunt dat de aangevraagde computer met
internetverbinding niet ten laste van de Ziekenfondswet verstrekt kan
worden, omdat de internetverbinding geen zelfstandige voorziening is die
voorkomt in de limitatieve opsomming in de Regeling hulpmiddelen 1996
(hierna: de Regeling) en evenmin is aan te merken als een aan een
handicap aangepast accessoire bij een computer. Zo al moet worden
geconcludeerd dat de internetverbinding wel op grond van genoemde
Regeling zou kunnen worden verstrekt dan is die verstrekking volgens
gedaagde niet medisch noodzakelijk, omdat appellant voor zijn
communicatie niet geheel is aangewezen op die voorziening.
Dit standpunt is door de toenmalige Commissie voor beroepszaken van de
ziekenfondsraad in haar advies van 14 april 1999 onderschreven.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat er op grond van de
Ziekenfondswet geen aanspraak bestaat op een internetaansluiting, omdat
deze niet voorkomt op de limitatieve opsomming van hulpmiddelen in de
Regeling en evenmin gezien kan worden als behorend tot de
standaarduitrusting van een computer. Omdat appellant voor zijn
communicatie niet geheel of nagenoeg geheel is aangewezen op een
computer, bestaat er op grond van de Ziekenfondswet ook geen aanspraak
op verstrekking van een computer. Gedaagde heeft naar het oordeel van de
rechtbank evenmin aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 8 van
het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) een computer met internetaansluiting te
verstrekken, omdat, zo de Nederlandse Staat al een verplichting daartoe
zou hebben op grond van genoemde bepaling, niet gebleken is dat
appellant niet op een andere wijze vergoeding dan wel verstrekking van
een computer zou kunnen verkrijgen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt
dat appellant voor de aanschaf van een computer met internetverbinding
inmiddels bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
heeft gekregen.
In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd, dat
hij in verband met zijn handicap voor het leggen en onderhouden van
contacten is aangewezen op een computer met internetverbinding. Hij
heeft zich daarvoor beroepen op de in eerste aanleg in geding gebrachte
informatie van prof. dr. I.A. van Berckelaer-Onnes. Via internet is het
mogelijk met lotgenoten te communiceren via speciaal daartoe bestemde
sites. Appellant meent dat de Regeling zich er niet tegen verzet dat een
computer als communicatiemiddel wordt verstrekt aan anderen dan de in de
toelichting op artikel 26 van de Regeling genoemde motorisch
gehandicapten. Volgens appellant moet uit de toelichting op artikel 26
van de Regeling worden afgeleid, dat die bepaling geen limitatieve
opsomming van hulpmiddelen bevat en dat de in genoemde bepaling
geregelde zorgaanspraak niet beperkt is tot de groep motorisch
gehandicapten, nu computers ook aan doof/blinden kunnen worden
toegekend. Voorts beroept appellant zich op artikel 8 EVRM, stellend dat
er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen het recht op
privé-leven en de van gedaagde verlangde verstrekking van een computer
met internetverbinding. De gevraagde computer is een relatief goedkope
verstrekking, zodat de overheid bij afweging van het algemeen belang en
het individuele belang niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de in
geding zijnde verstrekking buiten het verstrekkingenpakket te houden
waarop ingevolge de Ziekenfondswet aanspraak bestaat.
Gedaagde handhaaft haar eerder ingenomen standpunt, dat niet voldaan
wordt aan de in artikel 26 van de Regeling gestelde vereisten voor
verstrekking van de gevraagde computer met internetverbinding. Ten
aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM voert gedaagde aan dat, zo uit
dit artikel zou volgen dat de Nederlandse Staat een verplichting heeft
appellant een computer ter beschikking te stellen, niet vaststaat dat
dit zou dienen te geschieden op grond van de Ziekenfondswet.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is allereerst in geschil of appellant op grond van
artikel 26 van de Regeling aanspraak heeft op de gevraagde verstrekking.
Vooropgesteld moet worden - zie onder meer de uitspraak van de Raad van
26 april 2000 (USZ 2000/174) - dat de Ziekenfondswet en de daarop
berustende regelingen een gesloten systeem behelzen van de ten laste van
de in deze wet geregelde verzekering komende verstrekkingen, in die zin
dat in beginsel op geen andere verstrekkingen aanspraak bestaat dan in
deze regelgeving is bepaald. Ten aanzien van hulpmiddelen stelt de Raad
voorts vast dat aan dit gesloten systeem vorm en inhoud is gegeven door
het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering en de daarop berustende Regeling, waarin een
limitatieve en nauw omschreven opsomming van hulpmiddelen is gegeven en
de gevallen waarin daarop - al dan niet - aanspraak bestaat. Voorts
vloeit uit de vaste jurisprudentie van de Raad - zie bijvoorbeeld de
uitspraak van 24 oktober 2000 (USZ 2001/13) - voort dat in de aard van
een dergelijk enumeratief en limitatief systeem van aanspraken besloten
ligt dat er in beginsel geen ruimte is voor een extensieve interpretatie
van de daarin geregelde aanspraken en gevallen.
Ingevolge artikel 2, eerste lid onder t, van de Regeling omvat de
aanspraak op hulpmiddelen de verschaffing in eigendom van een te allen
tijde adequaat functionerend hulpmiddel voor communicatie,
informatievoorziening en signalering als aangegeven in artikel 26 van de
Regeling.
Artikel 26 van de Regeling luidt, voorzover van belang, als volgt.
"1. De in artikel 2, eerste lid, onder t, bedoelde middelen zijn:
a. computers met bijbehorende apparatuur voor lichamelijk gehandicapten;
b. (...)
2. Aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde gevallen bestaat
indien de lichamelijk gehandicapte voor communicatie of bediening van
huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op deze middelen
is aangewezen."
Anders dan namens appellant is betoogd is de Raad van oordeel dat
ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid onder a en tweede lid,
van de Regeling computers met bijbehorende apparatuur alleen verstrekt
kunnen worden aan lichamelijk gehandicapten. In de toelichting op deze
bepaling heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te komen tot
een afwijking van de op zich duidelijke tekst van deze bepalingen.
Bij appellant is blijkens de brief van 20 januari 1999 van prof. dr.
I.A. van Berckelaer-Onnes van de afdeling Orthopedagogiek van de
Universiteit Leiden een prikkelverwerkingsstoornis vastgesteld, die
blijkens de rapportage van 13 maart 2000 van de
psycholoog-psychotherapeut M.F.M. Boyer leidt tot een
obsessief-compulsieve stoornis, een paniekstoornis en een chronische
depressie. Naar het oordeel van de Raad kan deze handicap van appellant
niet worden aangemerkt als een lichamelijke handicap in de zin van
genoemde bepaling, zodat op grond van artikel 26 van de Regeling geen
aanspraak bestaat op verstrekking van een computer. Aan het oordeel dat
er in het geval van appellant geen sprake is van een lichamelijke
handicap in de zin van deze bepaling kan niet afdoen dat in een
wetenschappelijk onderzoek als een mogelijke oorzaak voor genoemde
handicap een ontwikkelingsstoornis van de hersenen wordt genoemd.
Nu de Regeling evenmin voorziet in vergoeding van de met het
internetgebruik gepaard gaande telefoonkosten en van een abonnement bij
een internetprovider concludeert de Raad dat de gevraagde voorzieningen
niet op grond van de Ziekenfondswet verstrekt kunnen worden.
De vraag of gedaagde op grond van artikel 8 EVRM gehouden is aan
gedaagde een computer met internetverbinding te verstrekken beantwoordt
de Raad eveneens ontkennend.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 29
januari 2002, RSV 2002/113) heeft blijkens het eerste lid van artikel 8
EVRM een ieder recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en
gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Het tweede lid bepaalt
dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de
uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in
een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van
opgesomde doeleinden, daaronder begrepen het economisch welzijn van het
land.
Het in dit artikel besloten liggende recht op respect voor het privé-leven
van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die
persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de
ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn
betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen
de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder
omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die
noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven.
Deze verplichtingen kunnen ook het nemen van maatregelen inhouden. Of
dergelijke verplichtingen bestaan is afhankelijk van de vraag of het
juiste evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van de
individuele persoon in acht is genomen, bij de beantwoording waarvan de
overheid altijd een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft. Voorts
is van belang of sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband
tussen de van de overheid verlangde maatregel en het recht op privé-leven
van de individuele persoon (EHRM 24 februari 1998, JB 1998/70 en NJ
1999/691 inzake Botta tegen Italië).
De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de overheid bij
afweging van het algemeen belang, waaronder begrepen de kosten van de
gezondheidszorg, en het individuele belang niet in redelijkheid heeft
kunnen besluiten de gevraagde computer met internetverbinding buiten het
verstrekkingenpakket te houden waarop ingevolge de Ziekenfondswet
aanspraak bestaat, in aanmerking genomen de ruime beoordelingsvrijheid
die haar daarbij toekomt. De Raad merkt in dit verband nog op dat de aan
appellant verstrekte bijstandsuitkering al een component voor
telefoonkosten bevat en dat een abonnement bij een internetprovider
eventueel kosteloos kan worden afgesloten.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1
oktober 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|