|
Uitspraak
01/3383 ZFW en 02/4877 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
OWM ZAO Zorgverzekeringen U.A., gevestigd te Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit op bezwaar van 14 maart 2001 (het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 29
juni 2000 ongegrond verklaard. Bij dat primaire besluit is
schadevergoeding ten bedrage van f 415,98 gevorderd wegens onrechtmatige
inschrijving in de verplichte ziekenfondsverzekering over de periode van
1 mei 2000 tot 26 juni 2000.
De rechtbank Amsterdam heeft bij de aangevallen uitspraak van 21 mei
2001 (onder meer) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Van die uitspraak is appellant op daartoe bij beroepschrift aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25
september 2002, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door R. Out, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit is gebaseerd op het feit dat appellant, die
werkzaamheden heeft verricht via het uitzendbureau [naam uitzendbureau]
te [vestigingsplaats], gedaagde pas op 26 juni 2000 heeft verzocht zijn
inschrijving als verplicht verzekerde met ingang van 1 mei 2000 te beëindigen
wegens einde dienstverband.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten en heeft
daartoe onder meer het volgende overwogen:
"Ingevolge artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit zijn
degenen, die bij een ziekenfonds zijn ingeschreven verplicht dit
ziekenfonds, terstond in kennis te stellen van feiten en omstandigheden,
welke tot beëindiging van de inschrijving als verzekerde of
medeverzekerde leiden. Ingevolge artikel 14, vierde lid, van het
Inschrijvingsbesluit dienen kennisgevingen, bedoeld in het vorige lid,
uiterlijk in de week na die, waarin de bedoelde feiten en omstandigheden
zich voordeden, aan het ziekenfonds te worden gedaan.
Artikel 22, eerste lid, van het Inschrijvingsbesluit bepaalt dat de
schade, die is geleden als gevolg van de omstandigheid dat degene, die
niet verzekerd is dan wel anderszins niet voor inschrijving als
verzekerde in aanmerking komt, zich niettemin als zodanig heeft doen
inschrijven alsmede de schade, die is geleden als gevolg van de
omstandigheid dat degene, die is ingeschreven in de verzekering, heeft
verzuimd het ziekenfonds, waarbij hij is ingeschreven, overeenkomstig
het bepaalde in de leden 3 en 4 van artikel 14, in kennis te stellen van
het einde van zijn verzekering of die van zijn medeverzekerden, gesteld
wordt op een door het College van Zorgverzekeringen vast te stellen
bedrag, gebaseerd op de landelijk gemiddelde jaarlijkse kosten per
hoofd, berekend over de periode van hun onrechtmatige inschrijving. De
Ziekenfondsraad kan ter zake nadere regels stellen.
Bij artikel 3 van het Besluit nadere regeling ziekenfondsverzekering van
de Ziekenfondsraad, is het bedrag bedoeld in artikel 22, eerste lid, van
het Inschrijvingsbesluit gesteld op een bedrag van f 226,90 per maand
per persoon.
Niet in geschil is dat eiser gedurende de periode van 1 mei tot 26 juni
2000 ten onrechte als ziekenfondsverzekerde stond ingeschreven. Eiser
werkte immers (in ieder geval) vanaf 1 mei 2000 niet langer als
uitzendkracht en niet gebleken is dat eiser vanaf dat moment uit andere
hoofde verplicht ziekenfondsverzekerd was.
Voorts staat vast dat eiser verweerder niet tijdig in kennis heeft
gesteld van de beëindiging van zijn dienstverband, zoals hij ingevolge
de hierboven aangehaalde leden 3 en 4 van artikel 14 van het
Inschrijvingsbesluit verplicht was. Daarbij wordt opgemerkt dat
verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld dat in de praktijk
niet een termijn van 7 dagen maar een termijn van 30 dagen wordt
gehanteerd.
De stelling van eiser dat zijn werkgever hem heeft afgemeld en dat de
omstandigheid dat verweerder de afmelding niet heeft ontvangen, hem niet
kan worden tegengeworpen, kan eiser niet baten, nu hij ingevolge
voornoemde wetsartikelen zelf verantwoordelijk was voor het verstrekken
van verlangde inlichtingen.
Verweerder was gezien het voorgaande bevoegd toepassing te geven aan
artikel 22, eerste lid, van het Inschrijvingsbesluit.
De schadevergoeding heeft verweerder ingevolge artikel 22, eerste lid
van het Inschrijvingsbesluit bepaald op basis van de door de
Ziekenfondsraad vastgestelde forfaitaire bedragen. Dat uitgegaan dient
te worden van forfaitaire bedragen impliceert dat geen rekening kan
worden gehouden met de door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij in
de periode van 1 mei 2000 tot 26 mei 2000 geen beroep heeft gedaan op
zijn ziekenfondsverzekering.
Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder de schadevergoeding had
moeten matigen dan wel kwijtschelden wordt het volgende overwogen.
Blijkens het bestreden besluit voert verweerder het beleid dat matiging
of kwijtschelding van de vordering op sociale en/of financiële gronden
moet worden overwogen indien er sprake is van een (gezins)inkomen op of
onder het bijstandsniveau en er sprake is van een ernstige meervoudige
schuldproblematiek.
Eiser heeft dienaangaande naar voren gebracht dat zijn inkomen onder het
bijstandsniveau ligt en dat hij schulden heeft bij familie.
Allereerst wordt overwogen dat de rechtbank verweerders beleid op dit
punt niet onredelijk acht. Vervolgens wordt overwogen dat eiser het
feitelijk bestaan van bedoelde schulden niet op enig voor verweerder
controleerbare wijze aannemelijk heeft gemaakt, zodat verweerder naar
het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen besluiten van
matiging dan wel kwijtschelding van de vordering af te zien.
Eiser heeft gesteld dat hij de algemene voorwaarden alsmede de folder
onrechtmatige inschrijving niet heeft ontvangen. Verweerder heeft
daartegen tijdens de hoorzitting naar voren gebracht dat de
polisvoorwaarden bij een nieuwe inschrijving worden toegezonden en dat
indien sprake is van een herinschrijving binnen zes maanden, de
verzekerde wordt geacht de polisvoorwaarden nog te hebben.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval eiser de
verzekeringsvoorwaarden niet zou hebben ontvangen, het op zijn weg had
gelegen om deze alsnog bij verweerder op te vragen.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser uit de toezending van de
nota's had kunnen afleiden dat hij nog niet als verzekerde was
uitgeschreven. Ook de ontvangst van deze nota's had voor eiser
aanleiding kunnen zijn contact met verweerder op te nemen. Dat eiser
zich eerst eind juni 2000 tot verweerder heeft gewend, dient voor eisers
rekening en risico te komen.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder maandelijks
de inschrijvingen had moeten controleren, wordt overwogen dat verweerder
verplicht is om eenmaal in de vijf jaar een controle met betrekking tot
de rechtmatigheid van de inschrijving als verzekerde uit te voeren. Van
een overschrijding van de termijn van vijf jaar is in de onderhavige
situatie geen sprake."
De Raad kan zich, gelet op de gedingstukken en gehoord partijen, geheel
verenigen met het hierboven weergegeven oordeel van de rechtbank.
Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is
aangevoerd, er op neerkomend dat appellant stelt dat hij van gedaagde
nimmer de verzekeringsvoorwaarden heeft ontvangen en dat gedaagde hem
niet heeft gewezen op de op hem rustende informatieplicht bij het einde
van een dienstverband, merkt de Raad nog het volgende op.
Daargelaten dat de Raad het niet aannemelijk acht dat appellant, die in
ieder geval wél een verzekeringspolis en premienota's heeft ontvangen,
nimmer de verzekeringsvoorwaarden van gedaagde zou hebben ontvangen,
is appellant gelet op het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het
Inschrijvingsbesluit verplicht gedaagde terstond, althans binnen de in
het vierde lid van dat artikel bedoelde termijn in kennis te stellen van
feiten en omstandigheden, welke tot beëindiging van de inschrijving als
verzekerde leiden.
Mede in aanmerking genomen dat van algemene bekendheid moet worden
geacht dat de verplichte ziekenfondsverzekering eindigt bij het einde
van de dienstbetrekking (CRvB 12 december 2000, USZ 2001/54), acht de
Raad niet aannemelijk gemaakt dat appellant daarvan niet op de hoogte
was, zodat hij had kunnen weten dat hij gedaagde tijdig van het einde
van zijn dienstverband op de hoogte had moeten stellen. Voor zover
aangenomen zou moeten worden dat appellant niet van die op hem rustende
(tijdige) meldingsplicht op de hoogte was, had het naar het oordeel van
de Raad gezien evenbedoeld feit van algemene bekendheid in elk geval op
de weg van appellant gelegen dat hij bij gedaagde tijdig na het staken
van zijn werkzaamheden als uitzendkracht (derhalve op of kort na 1 mei
2000) inlichtingen had ingewonnen.
Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot
een ander oordeel kunnen leiden.
Uit het voorgaande vloeit voort dat gedaagde bevoegd was
schadevergoeding te vorderen overeenkomstig hetgeen bepaald is in het
bestreden besluit. De Raad is niet gebleken dat de wijze waarop gedaagde
van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in strijd komt met enige
regel van geschreven of ongeschreven recht.
Nu de rechtbank het bestreden besluit terecht en op goede gronden in
stand heeft gelaten, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. Ch. de Vrey
en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. de Gooijer.
|
|