|
Uitspraak
00/5156 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Stichting Zilveren Kruis Zorgverzekeraar Rijnmond, gevestigd te
Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 5 maart 1998, zoals aangevuld bij brief
van 9 maart 1998, afwijzend beschikt op de aanvraag van appellante om op
grond van het bepaalde bij en krachtens de Ziekenfondswet (Zfw)
toestemming te verlenen voor het ondergaan van een behandeling in the
Bonati Institute te Hudson, Florida (V.S.), hierna: the Bonati Institute.
Namens appellante is bij brief van 15 april 1998 tegen dat besluit
bezwaar gemaakt.
De Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad heeft
gedaagde bij brief van 19 januari 1999 van advies gediend.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van
1 maart 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij
uitspraak van 25 juli 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. J. Geelhoed, advocaat te Naaldwijk, op bij
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden en bij brief van 24
september 2002 inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 oktober 2002.
Appellante is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. H. Kreeft, werkzaam in dienst van gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante heeft recidiverende rugklachten waarvoor zij in Nederland
enkele malen zonder blijvend succes operatief is behandeld. Zij heeft
zich op eigen initiatief en met steun van haar behandelend
anesthesioloog, M.P. Neeleman, gewend tot dr. A.O. Bonati van the Bonati
Institute. Na onderzoek op 28 januari 1998 is dr. Bonati tot de
conclusie gekomen dat er naar zijn mening mogelijkheden waren voor een
arthroscopische laserbehandeling in zijn instituut. Appellante heeft
gedaagde op 5 december 1997 om toestemming voor behandeling in dit
instituut gevraagd. Gedaagde heeft de gevraagde toestemming voor
behandeling bij besluit van 5 maart 1998, zoals toegelicht bij brief van
9 maart 1998, afgewezen. Appellante is tussen 8 maart 1998 tot en met
eind mei 1998 in Florida behandeld. Zij stelt dat haar klachten ten
gevolge van deze behandeling met circa 80% zijn verminderd.
Bij het bestreden besluit op bezwaar van 1 maart 1999 heeft gedaagde
zijn weigering om de kosten van deze behandeling te vergoeden
gehandhaafd. Dit besluit berust op het standpunt dat de in the Bonati
Institute toegepaste behandeling geen in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijke behandeling is en derhalve niet kan worden aangemerkt als
een verstrekking als bedoeld in artikel 3, onder b en sub 1 van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering. Gedaagde is van mening dat
zij, gelet hierop, geen toestemming kan verlenen voor het ondergaan van
de aangevraagde behandeling in het buitenland. Gedaagde onderschrijft
het standpunt van de Commissie voor beroepszaken van de voormalige
Ziekenfondsraad d.d. 19 januari 1999. Daarin is na bestudering van
literatuur en raadpleging van de werkgroep wervelkolom van de
Nederlandse Vereniging voor Orthopedie het volgende overwogen:
"De huidige literatuur laat zien dat de arthroscopische
discectomie in ontwikkeling is. Het aantal studies over de effectiviteit
van de endoscopische herniaoperatie is te gering en van onvoldoende
kwaliteit om hierop een standpunt te baseren. De techniek blijkt veilig
en laat bij streng geselecteerde patiënten (met kortdurende
herniaklachten die nog niet eerder zijn geopereerd) goede resultaten
zien. Dit is echter niet de categorie van patiënten waarover het in de
aan de Ziekenfondsraad voorgelegde geschillen gaat: patiënten met
failed back syndroom met ernstige invaliditeit, soms zelfs gebonden aan
het gebruik van een rolstoel. Bovendien ontbreekt onderzoek waarin de
arthroscopische methode wordt vergeleken met de open chirurgische
methode. Een uitspraak over de meerwaarde van de endoscopische
benadering is dan ook niet mogelijk. De beroepsgroep (orthopeden) is
uiterst sceptisch over de behandeling en ziet geen indicatie voor
verwijzing van patiënten met failed backsyndroom naar dr. Bonati."
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de door dr. Bonati toegepaste
methode in een experimenteel stadium verkeert en dat op grond van de
beschikbare gegevens geen meerwaarde is aan te tonen ten opzichte van de
- in het reguliere circuit gebruikelijke - open chirurgische behandeling
van herniaklachten, zodat er geen sprake kan zijn van een medische
noodzaak voor de aangevraagde behandeling.
Namens appellante is in beroep bij de rechtbank naar voren gebracht dat
de kritiek die binnen de beroepsgroep in Nederland op de behandeling
door dr. Bonati bestaat, niet ziet op de behandeling als zodanig, maar
veeleer op het feit dat hij zijn methode wenst te commercialiseren en
deze daarom niet aan de openbaarheid wenst prijs te geven. Voorts is
aangevoerd dat gedaagde onvoldoende heeft aangetoond dat de methode nog
in een experimenteel stadium zou verkeren. Gesteld is dat er 312,
grotendeels buitenlandse, wetenschappelijke artikelen over deze methode
bestaan. Ten slotte is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel nu
een ander ziekenfonds aan een andere verzekerde wel toestemming heeft
verleend.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zij
was van oordeel dat de methode van dr. Bonati, gezien het advies van de
Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad, niet kan
worden aangemerkt als een in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijke behandeling. Zij heeft het volgende overwogen:
"Eiseres heeft de juistheid van dat advies onvoldoende
gemotiveerd bestreden. Ook de door haar in het geding gebrachte brieven
van 9 februari 1998 en 14 mei 1998 van de orthopedisch chirurg dr. M.
Dekker, de brieven van 3 december 1997 en 31 juli 1998 van de
anesthesioloog dr. M.P. Neeleman en de brief van 22 mei 1998 van de
anesthesist dr. J.W. Kroon geven geen aanleiding voor twijfel aan de
juistheid van het advies. Voorts heeft eiseres haar stelling dat de
methode van Dr. Bonati ook bij patiënten met ernstige invaliditeit
goede resultaten laat zien, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ten slotte
heeft eiseres niet een van de door haar genoemde 312 wetenschappelijke
artikelen overgelegd, terwijl ook voorts niet is gebleken van wetenschappelijke artikelen waaruit kan worden afgeleid dat de methode
van Dr. Bonati door (internationaal) wetenschappelijk onderzoek voldoende
is gevalideerd.
Het - subsidiaire - beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt
niet. Voorzover een ander ziekenfonds in strijd met het bepaalde bij en
krachtens de Zfw de kosten van behandeling door Dr. Bonati aan een
verzekerde heeft vergoed, kan zulks niet leiden tot het oordeel dat
verweerder tot vergoeding van de kosten van de behandeling aan eiseres
is gehouden. Van enige gehoudenheid van verweerder om uit
coulanceoverwegingen uit eigen middelen de behandeling te vergoeden,
kan voorts geen sprake zijn.
Uit het voorgaande vloeit reeds voort dat verweerder terecht heeft
geoordeeld dat vergoeding van de behandeling dient te worden geweigerd.
Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd kan derhalve buiten
bespreking blijven."
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de
arthroscopische laserbehandelmethode van een aandoening van de
wervelkolom, zoals deze wordt toegepast in the Bonati Institute, een
verstrekking in natura is waarop verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet
recht hebben.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de in geding zijnde
behandeling wel degelijk gebruikelijk is in de kring van de Nederlandse
beroepsgenoten gezien het feit dat het een naar de stand van de medische
wetenschap en praktijk adequate behandeling betreft. Zij is van mening
dat de rechtbank een te strenge norm aanlegt door te verlangen dat zij
het volledige bewijs moet leveren dat het advies van de Ziekenfondsraad
onjuist zou zijn. Zulk een bewijslastverdeling kan naar haar oordeel
niet uit artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden
afgeleid, zeker niet wanneer daadwerkelijk één of meer buitenlandse
wetenschappelijke artikelen overgelegd zouden moeten worden. Ten slotte
acht appellante het strijdig met de in de artikelen 3:2 en 3:4 van de
Awb neergelegde zorgvuldigheid dat gedaagde geen nader onderzoek heeft
laten verrichten naar discrepanties in de adviezen van haar eigen
medisch adviseurs en die van appellante.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in het bestreden
besluit neergelegde standpunt dat de aangevraagde medische behandeling
moet worden beschouwd als een in een experimenteel stadium verkerende
behandeling, die niet gebruikelijk is in de kring van de Nederlandse
beroepsgenoten. Zij heeft verwezen naar het advies van de Commissie voor
beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad van 19 januari 1999 en
daarnaast een beroep gedaan op verklaringen van de artsen M. Dekker, J.W.
Kroon en M.P. Neeleman.
Dekker heeft verklaard: "Bonati vertelt, dat hij inmiddels deze
behandeling ongeveer 7 jaar doet, doch hij heeft hierover nooit
gepubliceerd. Wel heeft hij enige lezingen gehouden over de
behandelingsmethode, doch daarbij laat hij niet het achterste van zijn
tong zien. Vandaar uit is er toch veel kritiek op deze behandeling, met
name omdat hij aangeeft, dat hij daarop octrooi heeft aangevraagd,
hetgeen in medische kringen als zeer ongebruikelijk wordt
beschouwd" en over de resultaten van de behandeling: "Ik heb
geen idee. Ook al over z'n resultaten. Daarvan is niets bekend."
J.W. Kroon heeft verklaard: "Voor zover mij (...) bekend heeft
Bonati de expertise om onder scopische controle middels lasertechnieken
adhesievorming op te heffen en eventuele bulging discs te behandelen.
Dit is een behandeling die vooralsnog niet uitgevoerd wordt en tevens
binnen de Nederlandse beroepsgroep niet erg bekend is."
M.P. Neeleman heeft verklaard: "De behandeling van Bonati wordt
onder Nederlandse medische specialisten met gemengde gevoelens bezien.
Enerzijds zijn de resultaten binnen de beperkte expertise met
"Nederlandse" casuďstiek buitengewoon, anderzijds bestaat er
geen wetenschappelijk onderzoek naar zijn methode."
De Raad overweegt het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de Raad, gegeven het
voorwerp van het geding, te weten het thans bestreden besluit van 1
maart 1999, dat genomen is naar aanleiding van de aanvraag van
appellante van 5 december 1997, slechts betrekking heeft op de eventuele
aanspraken van appellante in het tijdvak tussen de aanvraag en het
bestreden besluit. Met ontwikkelingen die nadien hebben plaatsgevonden
kan, gelet hierop, in het onderhavige geding geen rekening worden
gehouden.
Blijkens artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor
zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw gebaseerde Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (Vb). Blijkens artikel 3, onder b, van het Vb
omvat de genees- en heelkundige hulp, hulp te verlenen door een
specialist naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring van de
beroepsgenoten gebruikelijk is. Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de
Zfw kan bij ministeriële regeling worden bepaald in welke gevallen en
onder welke voorwaarden een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming
kan geven zich voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking
te wenden tot een in het buitenland gevestigde zorgverlener.
Uit 's Raads constante jurisprudentie tot nu toe vloeide voort dat voor
de beoordeling van een geval als het onderhavige allereerst maatgevend
is of de door een verzekerde verlangde behandeling door een in het
buitenland gevestigde zorgverlener als in de kring van de Nederlandse
beroepsgenoten gebruikelijk kan worden aangemerkt. De Raad ging er
daarbij van uit dat de desbetreffende beroepsgenoten zich op de hoogte
stellen van zich (elders) voordoende ontwikkelingen op hun vakgebied. De
Raad ziet in het arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2001,
inzake C-157/99, aanleiding voornoemde uitleg van de te dezen relevante
wet- en regelgeving nader te preciseren in dier voege dat bij de
beoordeling of een behandeling als gebruikelijk in de kring van de
beroepsgenoten kan worden aangemerkt acht dient te worden geslagen op de
vraag of deze door de internationale medische wetenschap voldoende is
beproefd en deugdelijk bevonden. Daarbij dienen alle beschikbare
relevante gegevens in aanmerking te worden genomen, daaronder met name
begrepen bestaande wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende
meningen van specialisten.
Daarvan uitgaande is de Raad tot het oordeel gekomen dat met betrekking
tot het in geding zijnde tijdvak niet kan worden gezegd dat de
onderwerpelijke in the Bonati Institute toegepaste behandeling van
appellante gebruikelijk was in de kring van de beroepsgenoten. De Raad
overweegt daartoe dat deze behandeling ten tijde in geding blijkens de
voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting in Nederland
niet werd toegepast en dat noch uit de advisering van de Commissie voor
beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad noch uit de vanwege
appellante ingezonden medische stukken kan worden afgeleid dat deze
methode, zonder in Nederland feitelijk te worden toegepast, door de
internationale medische wetenschap voldoende beproefd is en deugdelijk
is bevonden. Uit deze stukken, in hun onderling verband bezien, leidt de
Raad af dat geen scherp beeld bestaat van de door dr. Bonati toegepaste
behandelmethode, dat hij de finesses ervan niet aan de openbaarheid
wenst prijs te geven en dat voldoende medisch wetenschappelijk onderzoek
met betrekking tot de deugdelijkheid en effectiviteit van die specifieke
methode (dan ook) ontbreekt. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen
dat appellante met betrekking tot het in geding zijnde tijdvak geen
enkel gegeven heeft ingezonden of overgelegd waarin aanknopingspunten
kunnen worden gevonden voor het tegendeel.
De Raad is, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet gebleken dat
het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Hij wijst er op dat de
medisch adviseur van gedaagde, nog voordat appellante naar the Bonati
Institute vertrok, overlegd heeft met appellante, met haar echtgenoot,
met dr. H.M. Laane en M. Dekker, orthopedisch chirurg te Zevenaar, en
dat haar nog voor haar vertrek is meegedeeld wat de bevindingen waren.
De grief dat de rechtbank ten onrechte volledig bewijs van de gestelde
onjuistheid van het advies van de voormalige Ziekenfondsraad zou hebben
verlangd, berust naar het oordeel van de Raad op een onjuiste lezing van
de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft niet meer verlangd dan dat
appellante haar stellingen voldoende aannemelijk maakt en zij heeft -
naar 's Raads oordeel met juistheid - geoordeeld dat appellante daarin
niet geslaagd is door geen enkel van de door haar genoemde 312 artikelen
over te leggen.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde zich terecht op het standpunt
heeft gesteld dat de aangevraagde behandeling geen verstrekking betreft
waarop ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Zfw recht bestaat en
dat terecht is beslist tot afwijzing van de aanvraag.
Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en
dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. Ch. de Vrey
en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Van Netten
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2002.
(get.) R.M. van Male.
(get.) A. van Netten.
|
|