|
Uitspraak
01/2942 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
Stichting Ziekenfonds VGZ kantoor Zuid-Oost Brabant, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij aanvraag van 13 maart 2000 gedaagde verzocht op
grond van de Ziekenfondswet (Zfw) en het op die wet gebaseerde
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: het
Verstrekkingenbesluit) een vergoeding te verstrekken voor het
geneesmiddel Buscopan.
Bij primair besluit van 12 mei 2000 heeft gedaagde deze aanvraag
afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 16 augustus 2000 is het bezwaar van
appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 9 mei 2001 het beroep tegen
het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen. Bij brief van 18 juni 2001 heeft appellant de
gronden aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 6 november
2000, waar appellant en gedaagde beiden niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
Het bestreden besluit van 16 augustus 2000 berust - kort gezegd - op het
standpunt van gedaagde dat Buscopan weliswaar een geregistreerd
geneesmiddel is, maar niet is opgenomen in bijlage 1 van de Regeling
farmaceutische hulp 1996 (hierna: de Regeling). Gedaagde is van mening
dat zij Buscopan alleen mag verstrekken als dit geneesmiddel is
opgenomen in bijlage 1 van de Regeling. Dit standpunt wordt
onderschreven in het advies van de Commissie verstrekkingen geschillen
van het College voor zorgverzekeringen (hierna: CVZ) van 14 augustus
2000.
Appellant heeft hiertegen in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat hij
andere door hem geprobeerde soortgelijke geneesmiddelen slecht verdraagt
omdat hij hier misselijk van wordt en deze hem braakneigingen geven.
Daarnaast is Buscopan volgens appellant goedkoper dan andere
soortgelijke geneesmiddelen. Appellant voert ten slotte aan dat hij
uitkeringsgerechtigd is en dat de kosten van Buscopan zwaar drukken op
zijn besteedbare inkomen.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat gedaagde
zich gezien de relevante wet- en regelgeving terecht op het standpunt
heeft gesteld, dat geen aanspraak bestaat op een vergoeding van het
geneesmiddel Buscopan. Het bestreden besluit kan derhalve in stand
blijven. De Zfw en de aanverwante regelgeving bieden volgens de
rechtbank geen mogelijkheden om voor een geneesmiddel dat niet in
bijlage 1 van de Regeling is opgenomen, toch een vergoeding te
verstrekken. De rechtbank stelt vast dat het CVZ dit ook heeft bevestigd
in zijn advies.
Appellant kan zich hiermee niet verenigen. In hoger beroep is door
appellant - onder meer - aangevoerd dat Buscopan hem de minste
bijwerkingen geeft en dat hij de kosten van dit geneesmiddel en de
bijkomende kosten niet zelf kan dragen.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden
besluit neergelegde standpunt. Hieraan is ter verduidelijking toegevoegd
dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat de Zfw en de daarop
gebaseerde regelgeving geen hardheidsclausule kennen met betrekking tot
farmaceutische hulp. Een vergoeding van het door appellant gebruikte
geneesmiddel Buscopan is alleen mogelijk na wijziging van bijlage 1 van
de Regeling door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of
gedaagde op goede gronden heeft geweigerd Buscopan aan appellant te
vergoeden. De Raad beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank in de
aangevallen uitspraak en onder verwijzing naar de gronden van die
uitspraak, met de strekking waarvan hij zich kan verenigen, bevestigend.
Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder j Zfw, hebben
verzekerden, voor zover daarop geen aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene wet bijzondere ziektekosten, aanspraak op onder andere
farmaceutische zorg. In het Verstrekkingenbesluit worden de in-houd en
de omvang van die zorg nader geregeld. Ingevolge artikel 2 van het
Verstrekkingenbesluit hebben verzekerden ter voorziening in hun
geneeskundige verzorging aanspraak op de verstrekkingen als omschreven
in - voor zover hier van belang - artikel 9 van het
Verstrekkingenbesluit. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van het
Verstrekkingenbesluit bepaalt dat farmaceutische hulp bestaat uit de
aflevering van bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen.
Ingevolge artikel 1 van de hier van toepassing zijnde Regeling
farmaceutische hulp 1996 omvat farmaceutische hulp de geregistreerde
geneesmiddelen, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.
De Raad is van oordeel dat het dwingendrechtelijke karakter van deze
bepalingen uitgangspunt behoort te zijn voor het antwoord op de vraag
of in een concreet geval terecht verstrekking van een geneesmiddel aan
een verzekerde is geweigerd, zij het dat in een uitzonderlijk geval
sprake kan zijn van zodanig bijzondere omstandigheden dat onverkorte
toepassing van dwingendrechtelijke wetsbepalingen in die mate in strijd
komt met regels van ongeschreven recht, dat die onverkorte toepassing
geen rechtsplicht meer kan zijn.
Niet in geschil is dat het geneesmiddel Buscopan niet op bijlage 1 van
de Regeling voorkomt en dat het middel op die grond niet voor
verstrekking in aanmerking komt.
Het vorenoverwogene mede in aanmerking genomen is de Raad van oordeel
dat hetgeen door de huisarts van appellant is aangevoerd, te weten de
gestelde onacceptabele bijwerkingen zoals duizeligheid en misselijkheid
in relatie tot het gebruik van Buscopan, alsmede het beroep van
appellant op de effecten op zijn besteedbare inkomen, bepaald niet
dusdanig zwaarwegend zijn dat gedaagde op grond van het ongeschreven
recht gehouden zou zijn om (een tegemoetkoming terzake) dit geneesmiddel
met voorbijgaan aan voormeld gesloten stelsel ingevolge de Zfw aan
appellant te verstrekken.
Uit het voorafgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 december
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|