|
Uitspraak
00/6575 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ
Zorgverzekeringen U.A. gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 16 maart 1999 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat niet aan haar verzoek om teruggave van de procentuele premie
ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) kan worden voldaan.
Op 24 april 1999 heeft appellante beroep ingesteld tegen de weigering
van gedaagde om tijdig te beslissen op het tegen de brief van 16 maart
1999 gemaakte bezwaar.
Bij besluit van 2 juni 1999 (verder te noemen: het bestreden besluit)
heeft gedaagde het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 15 december 2000 het beroep
tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft W. Leufkens te Heerlen op daartoe aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, voorzover daarbij
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is
gereageerd bij brieven van 28 februari 2001, 8 juli 2001, 3 oktober 2001
en 5 november 2001.
Gedaagde heeft desgevraagd bij brief van 26 juni 2001 nadere
inlichtingen verstrekt.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 22 november 2002. Partijen zijn daar niet verschenen,
zoals was aangekondigd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellante ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit
van 10 april 1996 heeft de SVB aan appellante medegedeeld dat zij
verzekerd is ingevolge de Zfw en dat de verschuldigde (nominale en
procentuele) premies worden ingehouden op haar AOW-pensioen. Hiertegen
heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. Gedaagde heeft een
zogeheten E121-verklaring afgegeven op naam van appellante.
Bij brief van 16 februari 1999 heeft appellante aan gedaagde verzocht om
terugbetaling van de ingehouden premies Zfw, op welk verzoek door
gedaagde bij brief van 16 maart 1999 is geantwoord dat daaraan niet kan
worden voldaan. Daarbij heeft gedaagde erop gewezen dat de vraag of
procentuele premies voor de Zfw verschuldigd zijn door de SVB wordt
beantwoord. Dit standpunt heeft gedaagde gehandhaafd bij het bestreden
besluit en is door de rechtbank onderschreven.
Appellante heeft in hoger beroep uitgebreid gemotiveerd betoogd dat er
ten onrechte premies voor de Zfw worden ingehouden op het AOW-pensioen.
De Raad overweegt als volgt.
Met de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden is ook de Raad
van oordeel dat de SVB de enige instantie is die in een geval als het
onderhavige kan beslissen omtrent de terugbetaling van de ingehouden
procentuele premies voor de Zfw. De SVB is in een situatie als die van
appellante inhoudingsplichtig en beslist omtrent de vraag of sprake is
van verzekeringsplicht ingevolge de Zfw. Alleen de SVB, en niet
gedaagde, is bevoegd hierin een standpunt in te nemen.
Naar gedaagde in onder meer het verweerschrift heeft vermeld, is
gedaagde wel bevoegd te beslissen omtrent de verschuldigdheid van de
nominale premie voor de Zfw. Naar het oordeel van de Raad heeft het
verzoek van appellante van 16 februari 1999 ook betrekking op deze
premie en zal gedaagde dan ook op dat verzoek nog steeds een
inhoudelijke beslissing dienen te nemen, waartegen appellante desgewenst
een rechtsmiddel kan aanwenden.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep niet slaagt en dat
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|