|
Uitspraak
01/3987 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Onderlinge Waarborgmaatschappij Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A.,
gevestigd te Rotterdam, appellant
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 19 juni 1998 heeft appellant aan gedaagde kennis gegeven
van het besluit, inhoudende een weigering vergoeding van de kosten van
een behandeling in het kader van bijzondere tandheelkundige hulp, omdat
de gevraagde zogenoemde "i-96-behandeling" niet valt onder
artikel 8 van de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering.
Het tegen dat primaire besluit ingediende bezwaar is door appellant bij
het bestreden besluit van 27 mei 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 13 juni 2001 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op daartoe bij
beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden.
Bij brief van 27 november 2002 heeft appellant de Raad, zoals verzocht
bij brief van 7 november 2002, nog nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 2002,
waar namens appellant zijn verschenen mr. M.B. Gschwind en adviserend
tandarts dr. C. Vis, beiden werkzaam bij appellant. Gedaagde is niet
verschenen.
II. MOTIVERING
Bij gedaagde zijn tandheelkundige implantaten geplaatst in verband met
een ernstige aandoening van het tand-kaak-mondstelsel (een sterke
resorptie van de kaak).
Op 7 april 1998, circa vijf jaar na de plaatsing van de implantaten, is
namens gedaagde bij appellant een aanvraag ingediend voor (onder meer)
een vergoeding van de kosten van een behandeling bestaande uit het de-
en remonteren van de staafconstructie, ten behoeve van het controleren
op individuele mobiliteit van de bij gedaagde geplaatste implantaten en
abutments. Deze behandeling is bij appellant bekend onder de code i-96
(uitgebreid nazorgconsult na implantologie).
Bij het primaire besluit van 19 juni 1998 heeft appellant de aanvraag
van gedaagde afgewezen. Vervolgens heeft appellant, gesteund door het
advies van 21 mei 1999 van de (voormalige) Commissie voor beroepszaken
van de Ziekenfondsraad, het bezwaar van gedaagde tegen het primaire
besluit bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden
besluit ligt het standpunt ten grondslag dat de gevraagde i-96-
behandeling louter preventief is en derhalve tandheelkundig onnodig
kostbaar is. In de visie van appellant is de osseoïntegratie inmiddels
al opgetreden en zijn er in het geval van gedaagde geen aanwijzingen
voor een spontaan osseoïntegratieverlies.
Gedaagde is echter van mening dat een periodieke i-96-behandeling
noodzakelijk is om de conditie van de implantaten en abutments te kunnen
controleren.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de motivering van het
bestreden besluit niet de conclusie kan dragen dat in het geval van
gedaagde sprake is van een onnodig kostbare behandeling. Daartoe heeft
de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij voor verweerder
appellant en voor eiseres gedaagde dient te worden gelezen:
"Een i-96-behandeling kan derhalve vallen onder de aanspraak op
bijzondere tandheelkundige hulp zoals neergelegd in artikel 8, eerste
lid, van de Regeling. Vervolgens komt de rechtbank, gelet op het
bepaalde in artikel 2 van de Regeling, toe aan de vraag of de
aangevraagde i-96-behandeling, die in de eerdergenoemde tarievenlijst
staat omschreven als "periodieke controle met staafmontage",
in het geval van eiseres onnodig kostbaar is, zoals verweerder heeft
betoogd. Verweerder heeft zich in zijn bestreden besluit op het
standpunt gesteld dat het uitvoeren van een i-96-behandeling bij eiseres
zuiver preventief is en als zodanig onnodig kostbaar. Ter zitting heeft
verweerder daaraan nog toegevoegd dat een dergelijke behandeling meer
dan twee jaar na de plaatsing van de implantaten alleen voor vergoeding
in aanmerking kan komen indien het periodiek onderzoek in het kader van
het cluster een concrete aanleiding geeft om problemen te verwachten.
Het woord "periodieke" in de toelichting bij de behandelcode
i-96, dient, zo meent verweerder, te worden uitgelegd in die zin dat een
vergoeding voor het de- en remonteren van de staafconstructie alleen
mogelijk is als daarvoor een concrete aanleiding is. De rechtbank kan
dit standpunt van verweerder niet onderschrijven. Onder een periodiek
onderzoek dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verstaan een
regelmatig, zich telkens na afloop van een bepaalde periode herhalend
onderzoek. Juist de ommekomst van een bepaalde termijn vormt de
aanleiding om (weer) aanspraak te kunnen maken op een bepaalde
behandeling. Het feit dat de i-96-behandeling in het geval van eiseres
alleen is aangevraagd om te controleren of er sprake is van loszittende
onderdelen, vormt op zichzelf dus onvoldoende grondslag voor de
conclusie van verweerder dat die behandeling onnodig kostbaar is. Daar
komt nog bij dat de aangevraagde behandeling in het geval van eiseres de
eerste periodieke controle met staafdemontage is sinds de plaatsing van
de implantaten. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen de
partijen niet in geschil dat er juist bij een eerste controle na
plaatsing een redelijke kans bestaat dat er losse onderdelen worden
aangetroffen. Ook om die reden kan de rechtbank het standpunt van
verweerder dat de aangevraagde behandeling onnodig kostbaar is, niet
volgen."
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. In
het hoger beroepschrift is daartoe onder meer het volgende aangevoerd:
"In casu vraagt de tandarts van verzekerde een i-96-behandeling
vijf jaar na plaatsing van de behandeling (lees: implantaten). Hij meent
dat de osseoïntegratie van de individuele implantaten uitgebreid moet
worden gecontroleerd, omdat hij van mening is dat voorkomen nu eenmaal
beter is dan genezen. Zowel onze adviserend tandarts als de adviserend
tandarts van het College voor zorgverzekeringen achten het niet
aannemelijk dat de gevraagde behandeling strikt noodzakelijk is om
blijvend compensatie te bieden aan de handicap van verzekerde, namelijk
een zeer ernstig verworven aandoening van het tand-kaak-mondstelsel
(sterke resorptie van de kaak). De tandarts van verzekerde heeft in zijn
aanvraag aangegeven dat het protocol onderkaak aangeeft dat regelmatige
controle noodzakelijk is. In de door ons van de Nederlandse Vereniging
voor Orale Implantologie ontvangen protocollen wordt over nazorg het
volgende gezegd: "Nazorg wordt individueel bepaald. Deze is in het
begin frequent en zal bij uitblijven van complicaties afnemen. Een
gangbaar nazorgprotocol is: Eerste jaar: standaard nazorg; uitgebreide
nazorg (driemaandelijks), daarna: twee keer per jaar standaard nazorg
en uitgebreide nazorg (d.i. i-96) op indicatie." In casu gaat het
hier om een verzekerde waar na 5 jaar een i-96-behandeling wordt
aangevraagd en waar nu juist geen indicatie aanwezig is. De behandeling
is namelijk ter preventie, zoals de behandelend tandarts van verzekerde
zelf ook aangeeft."
Desgevraagd heeft appellant de Raad bij eerdervermelde brief van 27
november 2002 onder meer nog het volgende medegedeeld:
"Vergoeding van i-96 (op indicatie) vindt plaats op grond van
artikel 8, lid 1 Zfw; aard en omvang van de hulp is geregeld in artikel
8, lid 2 van de Zfw. Een en ander is nader uitgewerkt in de Regeling
tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering (nader te noemen de
Regeling). Verder speelt mee: artikel 2 van de Regeling (niet onnodig
kostbaar, onnodig gecompliceerd of tandheelkundig niet doelmatig).
Artikel 6, lid 1 van de Regeling tandheelkundige hulp voor volwassenen
omvat onder meer preventief onderhoud (het cluster). Aard en omvang van
i-96 is te omvangrijk om te worden aangemerkt als periodiek onderhoud
als bedoeld in het cluster en kan derhalve niet worden beschouwd als
preventief onderhoud in de zin van artikel 8, lid 1 van de Regeling. Er
is geen verschil tussen aanspraak i-96 na twee jaar of na 5 jaar.
Onnodig kostbaar is altijd een beoordelingscriterium, preventie speelt
in dit verband geen rol."
De Raad heeft het volgende overwogen.
Gelet op het samenstel van de hier aan de orde zijnde bepalingen, gelet
op hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd en gelet op de
overige beschikbare gegevens, is de Raad van oordeel dat vergoeding van
de zogenaamde i-96-behandeling eerst dan mogelijk is indien aan die
behandeling (uitgebreid consult nazorg: periodieke controle met
staafdemontage) een tandheelkundige indicatie ten grondslag ligt. Dat in
het geval van gedaagde ten tijde in geding sprake was van een dergelijke
indicatie is de Raad niet gebleken. Mitsdien heeft appellant bij het
bestreden besluit terecht het standpunt ingenomen dat de door gedaagde
gevraagde i-96-behandeling in de gegeven situatie onnodig kostbaar is
als bedoeld in artikel 2 van de Regeling tandheelkundige hulp
ziekenfondsverzekering.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan worden gelaten en dat het inleidend beroep van gedaagde alsnog
ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22
januari 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|