|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/6005 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 november 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 8 juli 1999, waarbij
gedaagde heeft vastgesteld dat, gelet op zijn overige
inkomensbestanddelen, de toekenning van een uitkering krachtens de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 4 juni 1999 aan
appellant niet met zich heeft gebracht dat hij ingaande die datum
verzekerd is op grond van de Ziekenfondswet.
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 17 oktober 2000 het namens
appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden, op
bij aanvullend beroepschrift van 16 maart 2001 aangevoerde gronden van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 maart 2001, ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van de
Raad van 26 februari 2003, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
In dit geding is van betekenis het bepaalde in artikel 2, eerste lid,
aanhef en onder a, van het Besluit beperking kring verzekerden
Ziekenfondswet (hierna: het Besluit).
Ingevolge deze bepaling is van de verzekering ingevolge artikel 3,
eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet uitgezonderd:
degene die bij of krachtens artikel 8a van de Ziektewet als werknemer in
de zin van die wet wordt beschouwd en die uit hoofde van de
dienstbetrekking waarin hij niet meer of nog slechts ten dele werkzaam
is vanwege de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij recht heeft een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de verplichte verzekering
ingevolge de WAO, overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld
vastgestelde inkomsten of invaliditeitspensioen ontvangt, indien deze
inkomsten en dit pensioen tezamen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op jaarbasis meer bedragen dan het in artikel 3, eerste lid, onder a,
van de Ziekenfondswet genoemde bedrag en indien zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO wordt berekend naar het
maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, tenzij hij op de dag voorafgaande aan die, waarop
dit het geval is, verzekerd was op grond van de Ziekenfondswet.
Appellant is als IT-coördinator werkzaam geweest bij [bedrijfsnaam] te
[vestigingsplaats]. Deze vennootschap heeft met Levob
Schadeverzekeringen een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering
afgesloten ter beperking van de loonderving die bij
arbeidsongeschiktheid ontstaat. De verzekering voorziet bij
arbeidsongeschiktheid in een aanvullende uitkering op de wettelijke
WAO-uitkering. De door appellant op 9 januari 1997 ondertekende
verklaring waarbij hij zich heeft aangemeld voor deelname aan deze
collectieve verzekering, vermeldt dat de polisvoorwaarden zijn opgenomen
in de arbeidsvoorwaarden. Voorts vermeldt deze verklaring dat de premie,
die aftrekbaar is voor de Sociale Verzekeringswetten en Loonheffing,
gebaseerd is op leeftijd, arbeidsverleden en 14 x het bruto
maandsalaris. De werknemers van [bedrijfsnaam] die de verzekering niet
wensten aan te gaan, dienden te verklaren dat zij afstand doen van het
recht op aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Op appellants salaris werd maandelijks de door hem verschuldigde premie
voor de collectieve arbeidsongeschiktheidsuitkering ingehouden.
Appellant heeft zijn werkzaamheden in juni 1998 moeten staken in verband
met ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 23 maart 1999
heeft gedaagde appellant ingaande 4 juni 1999 een uitkering krachtens de
WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en
gebaseerd op het maximum dagloon. Appellant was daarvoor particulier
verzekerd tegen ziektekosten. Bij besluit van 8 juli 1999 heeft gedaagde
appellant laten weten dat hij niet in aanmerking komt voor de
verzekering krachtens de Ziekenfondswet omdat de hoogte van zijn
uitkering krachtens de WAO vermeerderd met onder meer zijn aanvullende
arbeidsongeschiktheidsuitkering van Levob Schadeverzekeringen meer
bedraagt dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de
Ziekenfondswet genoemde bedrag.
Na ingewonnen advies van het College voor zorgverzekeringen heeft
gedaagde bij het bestreden besluit zijn besluit van 8 juli 1999
gehandhaafd. Met het College voor zorgverzekeringen heeft gedaagde zich
op het standpunt gesteld dat de aanvullende uitkering van Levob
Schadeverzekeringen moet worden beschouwd als inkomsten uit hoofde van
de dienstbetrekking waaraan appellant zijn uitkering krachtens de WAO
ontleent.
De rechtbank heeft gedaagde hierin gevolgd. Bij de aangevallen
uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als
verweerder, heeft zij daartoe het volgende overwogen:
"Ingevolge artikel 2 van het Besluit, zoals hiervoor weergegeven,
dient er sprake te zijn van inkomsten die worden genoten uit hoofde van
de dienstbetrekking waarin betrokkene niet meer of nog slechts ten dele
werkzaam is vanwege de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsverzekering ingevolge de WAO.
De rechtbank is met verweerder en het College voor zorgverzekering van
oordeel dat de uitkering die eiser geniet uit hoofde van de voornoemde
Levob-verzekering moet worden aangemerkt als inkomsten genoten uit
hoofde van de dienstbetrekking met [bedrijfsnaam].
De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de verzekering is
afgesloten via eisers werkgever. Eiser heeft er voor gekozen om gebruik
te maken van de door zijn werkgever gecreëerde mogelijkheid om zich via
de werkgever en op basis van de door deze met Levob gemaakte afspraken
en overeengekomen voorwaarden te verzekeren voor het risico van
inkomensderving bij arbeidsongeschiktheid.
Daarbij zijn de polisvoorwaarden van de verzekering, blijkens het door
eiser ingevulde aanmeldingsformulier, opgenomen in de
arbeidsvoorwaarden. De verschuldigde premie wordt door de werkgever op
het loon ingehouden. Eiser heeft geen individuele polis van de
verzekeraar ontvangen.
Gelet op het hiervoor geschetste verband tussen eisers dienstverband met
[bedrijfsnaam] en de door hem ontvangen verzekeringspenningen moet naar
het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat inkomsten worden
genoten uit hoofde van de dienstbetrekking bij [bedrijfsnaam] waarin hij
vanwege arbeidsongeschiktheid niet meer werkzaam is, zoals bedoeld in
artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit.
Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op
goede gronden bij het besluit op bezwaar zijn besluit van 8 juli 1999
heeft gehandhaafd."
Appellant kan zich met dit oordeel niet verenigen. Naar zijn mening kan
de aan de orde zijnde pensioenuitkering niet worden beschouwd als
inkomen uit hoofde van een dienstbetrekking. In zijn visie is er geen
rechtstreekse relatie tussen de dienstbetrekking en de
verzekeringsuitkering, nu hij de uitkering niet ontvangt van zijn
werkgever en bovendien zelf de premies heeft betaald. Zijn werkgever
heeft slechts als intermediair gefungeerd. Zijn oude werkgever bood
slechts de mogelijkheid om deel te nemen aan de collectieve verzekering.
Dat de verzekering was opgenomen in de arbeidsvoorwaarden en de
verschuldigde premie op het loon werd ingehouden, betekent naar de
mening van appellant evenmin dat er sprake is van een uitkering uit
hoofde van een dienstbetrekking.
De Raad volgt appellant hierin evenwel niet. In het voetspoor van zijn
uitspraak van 6 september 2001, gepubliceerd in onder meer RSV 01/262 en
USZ 01/277, welke uitspraak ziet op de aanwending door een werkgever van
een ten laste van hem komende vergoeding bij ontslag voor de aankoop van
een stamrecht op basis waarvan maandelijks een op zijn initiatief
ontslagen werknemer van een verzekeringsmaatschappij een
lijfrente-uitkering ontvangt ter aanvulling van een uitkering krachtens
de Werkloosheidswet, en bij welke uitspraak de Raad heeft geoordeeld dat
de lijfrente-uitkering uit hoofde van de dienstbetrekking in de zin van
artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit wordt genoten,
verenigt de Raad zich het oordeel waartoe de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak is gekomen en maakt hij de door haar aan dit
oordeel ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Ook naar het
oordeel van de Raad is te dezen sprake van een causale relatie tussen de
aanvullende pensioenuitkering en de dienstbetrekking waaruit appellants
aanspraak op een uitkering krachtens de WAO voortvloeit. Dat appellant
zelf de premie voor de aanvullende verzekering heeft betaald maakt dit
niet anders, te minder nu blijkens de door appellant op 9 januari 1997
ondertekende verklaring deze premie werd ingehouden op zijn brutoloon en
niet op zijn nettoloon. De Raad houdt het ervoor dat appellants
voormalige werkgever de premiebetaling heeft aangemerkt als een niet tot
het loon behorende aanspraak in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef
en onder d, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, hetgeen
onmiskenbaar duidt op een causale relatie tussen de aanvullende
uitkering en de dienstbetrekking. In dit verband wijst de Raad er tevens
op dat blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende afrekening
van de verzekeringsmaatschappij op de aanvullende uitkering
loonbelasting wordt ingehouden, ongetwijfeld op de grond dat het loon
uit vroegere dienstbetrekking betreft, hetgeen erop duidt dat ook in
fiscale zin een causaal verband met de dienstbetrekking wordt
aangenomen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.E. Lysen.
|
|