|
Uitspraak
01/6059 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
OWM Agis Zorgverzekeringen U.A. (als rechtsopvolger van OWM Anova
Zorgverzekeringen U.A.), appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 februari 2000 heeft appellante geweigerd gedaagde -
in het kader van de Ziekenfondswet - in aanmerking te brengen voor een
aangepaste stoel.
Het tegen dat primaire besluit ingediende bezwaar is door appellante bij
besluit van 19 oktober 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 18 oktober 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van die uitspraak.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft bij brief van 4 december 2001 een reactie ingezonden en
bij brief van 25 januari 2002 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 april
2003.
Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C. Labib en door
de adviserend geneeskundige M.S.L. Plokker, beiden werkzaam bij
appellante. Namens gedaagde is haar echtgenoot G.H. Jansen verschenen.
II. MOTIVERING
De feiten welke de rechtbank als vaststaande heeft aangenomen - nu deze
tussen partijen niet in geschil zijn - vormen ook voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn beoordeling van het onderhavige geschil.
In de door de huisarts ondertekende aanvraag van 1 februari 2000 heeft
de huisarts vermeld dat gedaagde lijdt aan recidiverende rugklachten bij
osteoporosis en dat er sprake is van ingezakte wervels.
Naar aanleiding van het tegen het primaire besluit ingediende bezwaar
heeft de technisch adviseur van appellante op 31 mei 2000 een huisbezoek afgelegd, teneinde de situatie bij gedaagde
thuis te kunnen beoordelen. De bevindingen van de technisch adviseur
zijn neergelegd in een verslag van 5 juni 2000. Op grond van de
bevindingen van de technisch adviseur heeft de adviserend geneeskundige
van appellante geoordeeld dat gedaagde niet in aanmerking komt voor een
aangepaste stoel.
Vervolgens heeft de huisarts van gedaagde op 25 juli 2000 een nieuwe
aanvraag voor een aangepaste stoel ingediend. De huisarts heeft daarbij
aangegeven dat er naast de recidiverende rugklachten bij osteoporosis en
ingezakte wervels sprake is van spierverslapping en onvermogen om
zelfstandig overeind te komen.
Na ontvangst van het advies van de Commissie verstrekkingengeschillen
van het College voor zorgverzekeringen van 17 oktober 2000, heeft appellante bij het bestreden besluit van 19
oktober 2000 de bezwaren van gedaagde ongegrond verklaard.
Namens gedaagde is in beroep onder meer aangevoerd dat gedaagde lijdt
aan een ernstige botontkalking, dat deze gepaard gaat met hevige pijnen,
dat zij met behulp van een aangepaste stoel zonder hulp en pijn uit de
stoel kan komen, en dat een aangepaste stoel haar in de gelegenheid
stelt om enige tijd buiten het bed door te brengen.
Het standpunt van appellante komt er op neer dat de toets die het
ziekenfonds verricht een functionele is, dat de lichamelijke functies
van gedaagde worden beoordeeld en dat daarbij een medisch onderzoek in
beginsel achterwege kan blijven. Appellante is van opvatting dat het
onderzoek door de adviserend geneeskundige beperkt kon blijven tot
informatie verkregen uit de aanvraag en de eventuele bijlagen en de
bevindingen van de technisch adviseur.
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit in
strijd is met de vereiste zorgvuldigheid die een bestuursorgaan in acht
dient te nemen bij de voorbereiding van een besluit en dat het bestreden
besluit tevens een toereikende medische grondslag ontbeert. Zij heeft
daartoe, waar voor eiseres gedaagde en voor verweerder appellante
gelezen dient te worden, onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank overweegt dienaangaande dat de huisarts van eiseres
in de aanvraag van 1 februari 2000 de medische omstandigheden heeft
aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten
onrechte nagelaten om nadere informatie in te winnen bij de huisarts van
eiseres omtrent haar lichamelijke beperkingen, dan wel eiseres te
verzoeken om een nadere schriftelijke verklaring van de huisarts te
overleggen. Voorts stelt de rechtbank vast dat aan het bestreden besluit
geen medisch advies ten grondslag is gelegd. Anders dan verweerder is de
rechtbank van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met de informatie
verkregen uit de aanvraag en de bevindingen van de technisch adviseur,
nu een technisch adviseur geen medicus is en derhalve andere aspecten
toetst."
Het in eerste aanleg ingenomen standpunt is door appellante in hoger
beroep herhaald en ter zitting toegelicht.
De Raad ziet geen aanleiding om het oordeel en de overwegingen van de
rechtbank niet te volgen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat
indien een gehandicapte in het kader van de Ziekenfondswet een bepaalde
voorziening aanvraagt, in beginsel (eerst) een onderzoek door een
medicus dient plaats te vinden, en dat de betreffende medicus zonodig
informatie dient in te winnen bij, dan wel overleg dient te plegen met
de behandelend arts(en). Het gaat daarbij immers om het vaststellen van
lichamelijke of geestelijke beperkingen, tot welke beoordeling een
medicus in het bijzonder is opgeleid.
Dat deskundigen uit andere discipline daarbij een belangrijke
ondersteunende rol kunnen vervullen doet daar niet aan af. Voor een
uitzondering op dat uitgangspunt heeft de Raad in het onderhavige geval
geen aanknopingspunten kunnen vinden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij
het bestreden besluit is vernietigd, voor bevestiging in aanmerking
komt. De Raad acht het aangewezen dat appellante binnen 6 weken na deze
uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.
Ten overvloede merkt de Raad nog op dat appellante in het kader van het
nieuw te nemen besluit ook de recente medische situatie van gedaagde
dient te betrekken.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet
gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verstaat dat appellante binnen 6 weken na deze uitspraak een nieuw
besluit op bezwaar neemt;
Bepaalt dat van appellante een recht van € 327,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van A.
Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003.
(get.) R.M. van Male.
(get.) A. Heijink.
|
|