|
Uitspraak
00/6739 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie voor de bezwaarschriften van de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds (hierna: CZ)
heeft bij besluit van 4 oktober 1999 afwijzend beschikt op de namens
appellante ingediende aanvraag van 19 augustus 1999 om toestemming te
verlenen voor het vervangen van borstprothesen en het uitvoeren van een
bilaterale borstreconstructie.
Namens appellante is bij brief van 8 november 1999 tegen dat besluit
bezwaar gemaakt.
De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor
zorgverzekeringen heeft gedaagde bij brief van 24 juli 2000 van advies
gediend.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van
28 juli 2000 ongegrond verklaard.
Appellante is van dat besluit in beroep gekomen bij de rechtbank
Maastricht. Deze rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit
bij de aangevallen uitspraak van 27 november 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Heerlen, op bij
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden.
Namens appellante is bij brief van 24 april 2001 een vanwege de Raad
gestelde vraag beantwoord, waarop gedaagde bij brief van 21 mei 2001
heeft gerepliceerd.
Namens appellante zijn bij brief van 24 januari 2002 desgevraagd
inlichtingen verstrekt.
Desgevraagd heeft W.C.G. Blanken, revalidatie arts te
Driebergen-Rijsenburg, de Raad bij brieven van 18 juli 2002 en 10 februari 2003 als onafhankelijk deskundige van verslag en advies
gediend.
Partijen hebben over en weer op het rapport van de deskundige
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 april 2003.
Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Dohmen,
voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.H.
Louer-Verhoof en drs. W.T.N. Jansen, beiden werkzaam bij CZ.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van te dezen van belang zijnde feiten
en omstandigheden naar rubriek II onder A van de aangevallen uitspraak.
De juistheid van deze weergave is tussen partijen niet in geschil. De
Raad maakt haar tot de zijne.
Namens appellante heeft prof. dr. W.D. Boeckx, plastisch chirurg te
Maastricht, ten behoeve van appellante een aanvraag ingediend strekkende
tot verlening van toestemming voor vervanging van beide borstprothesen
en een borstreconstructie beiderzijds onder toepassing van een gesteelde
latissimus dorsi plastiek in verband met asymmetrische borsten, pijn en
kapselvorming, zulks na recidiverende reconstructie-ingrepen op basis
van beiderzijdse amputatie.
Gedaagde heeft die aanvraag afgewezen. Zij heeft zich - kort samengevat
- op het standpunt gesteld dat er gezien het advies van haar medisch
adviseur geen sprake is van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen
als bedoeld in de van toepassing zijnde regeling. Voorts is er naar haar
mening geen sprake van een verminking als bedoeld in die regeling, omdat
daarvan eerst sprake zou zijn in geval van een ernstige deformiteit, al
dan niet met weefseldefecten, welke het gevolg is van een ziekte,
ongeval of geneeskundige verrichting, die direct in het oog springt en
die in het normale dagelijkse verkeer niet is te camoufleren met bij
voorbeeld kleding. Gedaagde schaart zich dienaangaande achter het advies
van haar medisch adviseur.
Appellante heeft in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat de
aangevraagde behandeling bedoeld was om haar uitgebreide pijnklachten te
verminderen of op te heffen en niet als een vormverbeterende/cosmetische
ingreep, zoals gedaagde heeft aangenomen. Er was naar haar mening sprake
van een medische noodzaak die prof. dr. Boeckx als deskundige heeft
voorgesteld. Zij stelt lichamelijke functiestoornissen te hebben
ondervonden aangezien zij haar armen niet meer naar achteren kon
bewegen, geen auto meer kon rijden en geen tas meer kon dragen. Zij
heeft bestreden dat de pijnklachten niet objectiveerbaar waren en
daartoe een gemotiveerde verklaring van prof. dr. Boeckx d.d. 27 juli
2000 in geding gebracht.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft
de Raad hangende het geding in hoger beroep bij brief van 11 april 2001
bericht dat bij appellante op 22 december 2000 beiderzijds
borstprotheses zijn verwijderd in verband met infecties, waarvoor - in
verband met door prof. dr. Boeckx gestelde acute noodzaak - op 24
januari 2001 een machtiging is afgegeven. Naar aanleiding van een in
maart 2001 ingediende nieuwe aanvraag voor een borstreconstructie
beiderzijds onder toepassing van een bilaterale latissimus dorsi is
appellante op 19 maart 2001 gezien door de medisch adviseur van CZ. Deze
heeft daarbij geoordeeld dat sprake was van een verminking in de zin van
de van toepassing zijnde wettelijke regeling. Door CZ is daarop een
machtiging verleend voor de aangevraagde ingreep die vervolgens heeft
plaats gevonden. Gedaagde heeft aangegeven dat appellante, gelet op deze
nieuwe ontwikkelingen, naar haar oordeel geen belang meer heeft bij
voortzetting van het hoger beroep.
De Raad dient zich gelet hierop eerst uit te laten over de vraag of
appellante nog enig processueel belang heeft bij een beoordeling van het
hoger beroep. Hij heeft deze vraag positief beantwoord. Hij heeft
daarbij in aanmerking genomen dat namens appellante is aangegeven dat
materiële en immateriële schade is geleden en dat zij overweegt CZ
daarvoor in een later stadium aansprakelijk te stellen.
De Raad heeft vervolgens moeten vaststellen dat het bestreden besluit op
eigen naam genomen is door gedaagde, de Commissie voor de
bezwaarschriften van CZ. Deze commissie ontleent haar bevoegdheid om op
bezwaren als bedoeld in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) te beslissen aan het Reglement bezwaarschriftenprocedure CZ.
Blijkens dit reglement wordt de bevoegdheid tot het nemen van een
besluit op het bezwaar van een belanghebbende overgedragen aan een ander
bestuursorgaan dan het orgaan namens hetwelk het primaire besluit is
genomen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 25 maart 1997, AB
1997, 182) voorziet de bezwaarprocedure van de Awb niet in een
dergelijke delegatie van beslisbevoegdheid. Reeds hierom kan het te
dezen bestreden besluit in rechte geen stand houden en dient dit besluit
te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat
besluit in stand is gelaten.
Met betrekking tot het inhoudelijke - partijen verdeeld houdende -
geschilpunt overweegt de Raad het volgende.
Artikel 2 van de gezien het tijdstip van de aanvraag van toepassing
zijnde Regeling niet-klinische plastisch-chirurgische hulp
ziekenfondsverzekering (hierna: de Regeling) luidde, voor zover hier van
belang, als volgt:
"Aanspraak op niet-klinische plastisch-chirurgische behandeling met
daarmee samenhangende verrichtingen bestaat slechts, indien deze
strekken tot correctie van:
a. afwijkingen in het uiterlijk, welke gepaard gaan met aantoonbare
lichamelijke functiestoornissen;
b. verminkingen welke het gevolg zijn van een ziekte, ongeval of een
geneeskundige verrichting; "
Met betrekking tot de vraag of bij appellante ten tijde in geding sprake
was van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen, dan wel van een
verminking in evenbedoelde zin heeft de Raad zich laten voorlichten door
de in rubriek I genoemde revalidatie arts W.C.G. Blanken. Deze heeft
kennis genomen van de gedingstukken, appellante onderzocht en
inlichtingen ingewonnen bij de behandelende sector. Voorts heeft hij de
plastisch chirurg Sonneveld geconsulteerd. Op grond van de bevindingen
van zijn onderzoek is hij tot de conclusie gekomen - voor zover hier van
belang - dat bij appellante ten tijde in geding, 13 augustus 1999,
sprake was van een geluxeerde naar buiten en achter geplaatste
borstprothese met uitgebreide pijnklachten, waarvoor grote hoeveelheden
pijnmedicatie werden genomen, alsook van mechanische bezwaren van met
name de linker schoudergordel. Hij heeft daarbij vastgesteld dat prof.
dr. Boeckx uitgebreidere pijnklachten heeft beschreven dan de medisch
adviseur van CZ en dat het bestaan van meer uitgebreide pijnklachten,
bewegingsbeperkingen en een verminderde belastbaarheid van met name de
linkerarm is bevestigd door de huisarts. Gelet hierop heeft hij een
medische indicatie voor een latissimus dorsi borstreconstructie aanwezig
geacht.
De Raad is gezien dit rapport van oordeel dat het standpunt van
gedaagde, voor zover inhoudend dat bij appellante ten tijde in geding
geen sprake was van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen, geen
steun vindt in de hierop betrekking hebbende bevindingen en conclusie
van de onafhankelijke deskundige, welke de Raad in zoverre tot de zijne
maakt. De door gedaagde aangevoerde omstandigheid dat prof. dr. Boeckx in
zijn initiële aanvraag alleen "pijn ter hoogte van de
linkerborst" heeft vermeld en dat de medisch adviseur van CZ alleen
pijn ter plaatse van het litteken stelt te hebben vastgesteld, heeft de
Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad wijst erop dat
prof. dr. Boeckx op de aard, intensiteit en omvang van de pijnklachten
wel gemotiveerd is ingegaan in het bezwaarschrift en dat de door
gedaagde aangevoerde omstandigheid dat zij daarvan bij de initiële
beoordeling niet op de hoogte was, aangezien toen geen informatie van de
huisarts voorhanden was, voor risico van CZ dient te worden gelaten.
De Raad hoeft zich, gelet hierop niet uit te spreken over de vraag of
bij appellante ten tijde in geding tevens sprake was van een verminking
in de zin van de Regeling en of gedaagde bij zijn oordeel dat dit niet
het geval was, uitgegaan is van een juiste uitleg van dit begrip.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit eveneens
niet in stand kan blijven wegens strijd met de in artikel 7:12, eerste
lid, van de Awb neergelegde regel dat het besluit op bezwaar op een
deugdelijke motivering dient te berusten. Tevens vloeit hieruit voort
dat de aangevallen uitspraak ook om die reden dient te worden
vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten in beroep en in
hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor kosten van
rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor kosten van rechtsbijstand in
hoger beroep, alsook op € 12,16 voor reiskosten gemaakt in verband met
de behandeling van het beroep bij de rechtbank en € 37,16 aan
reiskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding proceskosten tot een bedrag groot
€ 1337,32;
Verstaat dat gedaagde het in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht ten bedrage van € 104,37 vergoedt;
Wijst CZ aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het
griffierecht dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|