|
Uitspraak
02/842 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 12 augustus 1999 heeft gedaagde aan appellant kennis
gegeven van het besluit dat hij wegens onrechtmatige inschrijving over
de periode van 14 november 1993 tot 1 december 1997 schadevergoeding
verschuldigd is ten bedrage van f 7.914,67.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft geleid tot het bestreden
besluit van 11 november 1999. De vordering is bij dat besluit beperkt
tot f 6.600,14.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 18 december 2001
het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd
en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Appellant heeft bij brief van 30 mei 2003 een nader stuk ingezonden.
Bij brief van 5 juni 2003 heeft gedaagde desgevraagd inlichtingen
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juni 2003.
Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen mr. J.P.M.F. Verkennis, J.F.P.G.M. Overdijk en L.T.
Blanckenborg, werkzaam in dienst van gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft als werknemer gewerkt in de onderneming van zijn ouders,
[naam onderneming] te [vestigingsplaats]. In verband daarmee heeft hij
met ingang van 13 september 1989 als verzekerde ingevolge de
Ziekenfondswet (Zfw) ingeschreven gestaan bij (de rechtsvoorganger van)
gedaagde. De onderneming van zijn ouders is op 14 oktober 1993 failliet
verklaard. De arbeidsovereenkomst is in verband hiermee per 13 november
1993 beëindigd. De voormalige Bedrijfsvereniging voor Bank- en
Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen (hierna: de
bedrijfsvereniging) heeft appellant bij brief van 22 februari 1994 in
kennis gesteld van het besluit om de betalingsverplichting van de
voormalige werkgever met toepassing van artikel 61 van de
Werkloosheidswet (hierna: WW) over te nemen over de periode van 1
september 1993 tot en met 13 november 1993. De rechtsopvolger van de
bedrijfsvereniging heeft gedaagde begin februari 1998 bericht dat de
uitkering van appellant ingevolge de Werkloosheidswet per 13 november
1993 is beëindigd. Gedaagde heeft appellant bij brief van 24 februari
1999 verzocht aan te geven op grond waarvan hij naar zijn mening recht
had op inschrijving als ziekenfondsverzekerde over de periode van 14
november 1993 tot 1 december 1997. Appellant heeft bij brief van 23 mei
1999 gereageerd. Vervolgens heeft gedaagde het in rubriek 1 genoemde
besluit van 12 augustus 1999 genomen. Dit besluit berust op het
standpunt dat appellant zich medio november 1993 niet terstond heeft
afgemeld als ziekenfondsverzekerde.
Op de hoorzitting van de bezwaarprocedure heeft appellant hiervoor als
verklaring gegeven dat hij niet wist dat hij zich direct had moeten
afmelden en dat hij, als hij dat wel had geweten, een particuliere
ziektekostenverzekering had kunnen afsluiten.
Gedaagde heeft vervolgens bij het bestreden besluit op bezwaar van 11
november 1999, gezien de specifieke omstandigheden van het geval, het
bedrag van de gevorderde schadevergoeding gematigd tot de premie die
appellant bij VGZ verschuldigd zou zijn geweest voor een particuliere
ziektekostenverzekering. Appellant heeft op dit bedrag ad
f 6.600,14 de over de periode van onrechtmatige inschrijving
onverschuldigd betaalde nominale premie voor de ziekenfondsverzekering
in mindering gebracht.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit in de
aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens
gebreken in de regeling van het mandaat. Zij heeft de rechtsgevolgen van
het vernietigde besluit evenwel in stand gelaten op de grond dat naar
haar oordeel appellant zijn inlichtingenplicht verzaakt heeft, gedaagde
mitsdien bevoegd was om schadevergoeding te vorderen en gedaagde in de
omstandigheden van het geval in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik
heeft kunnen maken op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. De rechtbank
heeft in haar overwegingen betrokken dat niet gebleken is dat gedaagde
nalatig is geweest bij het vervullen van zijn controletaak, nu aan het
einde van de voorgeschreven controletermijn van vijf jaar geconstateerd
is dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen.
Het hoger beroep richt zich tegen het in stand laten van de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
Appellant heeft in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat hij in
oktober 1993 alle meldingen heeft gedaan naar het GAK, de
pensioenfondsen, CZ en VGZ voor al zijn collega's en hemzelf. Voor zijn
standpunt dat gedaagde niet bevoegd is schadevergoeding te vorderen
heeft hij een beroep gedaan op de hem verstrekte
verzekeringsvoorwaarden. Verder is naar voren gebracht dat gedaagde geen
schade heeft geleden omdat in de periode in geding geen verstrekkingen
zijn gedaan. Appellant acht het niet redelijk dat gedaagde er na de
ontvangst van het bericht van de rechtsopvolger van de
bedrijfsvereniging dat de WW-uitkering per 13 november 1993 was beëindigd,
meer dan een jaar over heeft gedaan om een primair besluit te nemen.
Voorts is hij van mening dat gedaagde zijn recht op schadevergoeding
heeft verspeeld door niet tijdig een beslissing te nemen op het door hem
ingediende bezwaarschrift.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de rechtbank
terecht heeft besloten om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand te laten.
De Raad beantwoordt die vraag als volgt.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Zfw wordt al hetgeen (verder) de
inschrijving als verzekerde ingevolge de Zfw betreft bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur geregeld. Daarbij kunnen verplichtingen
worden opgelegd aan verzekerden, gewezen verzekerden, werkgevers en
vroegere werkgevers.
Ingevolge artikel 14, derde lid, van deze algemene maatregel van
bestuur, het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering (hierna:
Inschrijvingsbesluit), zijn degenen die bij een ziekenfonds zijn
ingeschreven, verplicht dit ziekenfonds terstond in kennis te stellen
van feiten of omstandigheden, welke tot beëindiging van de inschrijving
als verzekerde of medeverzekerde leiden. Ingevolge artikel 14, vierde
lid, van het Inschrijvingsbesluit dienen de kennisgevingen bedoeld in
het derde lid, uiterlijk in de week na die, waarop de bedoelde feiten of
omstandigheden zich voordeden aan het ziekenfonds te worden gedaan.
De Raad is van oordeel dat gezien de gedingstukken en het verhandelde
ter zitting van de Raad niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten
dat appellant in oktober 1993 wel melding heeft gemaakt van de beëindiging
van zijn dienstverband. Uit de administratie van gedaagde valt af te
leiden dat gedaagde in november 1993 bekend was met het feit van deze beëindiging.
Deze bekendheid heeft, naar gedaagde onweersproken ter zitting van de
Raad heeft gesteld, evenwel niet geleid tot uitschrijving van appellant
omdat uit informatie verkregen van de bedrijfsvereniging was gebleken
dat appellant uit hoofde van de WW verplicht verzekerd was. De Raad
neemt aan dat hetzelfde zou zijn gebeurd wanneer wel onomstotelijk was
komen vast te staan dat appellant terstond kennis had gegeven van het
einde van zijn dienstbetrekking. Van het vorenstaande uitgaande is de
Raad van oordeel dat het eerst aan appellant is toe te rekenen dat hij
in de week na 22 februari 1994, de datum van het besluit van de
bedrijfsvereniging dat de betalingsverplichting van de voormalige
werkgever op grond van artikel 61 van de WW werd overgenomen over de
periode van 1 september 1993 tot 13 november 1993, aan gedaagde niet
terstond kennis heeft gegeven van de beëindiging van die overname.
Ingaande 1 maart 1994 was er derhalve aan de zijde van appellant sprake
van hem toe te rekenen schending van voormeld op hem rustende
inlichtingenplicht in het kader van de Zfw.
Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Zfw kan het ziekenfonds van
degene die de regels, bedoeld in het tweede lid van dat artikel niet
naleeft een vergoeding vorderen voor de deswege geleden schade. De
hoogte van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig regels gesteld bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, van deze algemene maatregel van
bestuur, het Inschrijvingsbesluit, is het ziekenfonds bevoegd een
vergoeding te vorderen voor schade die is geleden als gevolg van de
omstandigheid dat degene die is ingeschreven in de verplichte
verzekering verzuimd heeft het ziekenfonds waarbij hij is ingeschreven,
overeenkomstig zijn verplichtingen ingevolge artikel 14, derde en vierde
lid, van het Inschrijvingsbesluit, in kennis te stellen van het einde
van zijn verzekering.
De Raad is van oordeel dat uit dit samenstel van bepalingen volgt dat
gedaagde met ingang van 1 maart 1994 bevoegd was om van appellant
schadevergoeding te vorderen wegens onrechtmatige inschrijving.
Aangezien gedaagde zich op het onjuiste standpunt heeft gesteld reeds
bevoegd te zijn geweest met ingang van 14 november 1993, betekent dit
dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit ten
onrechte in stand zijn gelaten voor wat betreft de periode van 14
november 1993 tot 1 maart 1994.
Met betrekking tot de periode van 1 maart 1994 tot 1 december 1997 dient
de Raad de vraag te beantwoorden of gedaagde in redelijkheid heeft
kunnen komen tot het besluit om van appellant schadevergoeding te
vorderen tot een naar rato aan de betrokken periode toe te rekenen
gedeelte van het in het bestreden besluit neergelegde
schadevergoedingsbedrag van f 6.600,04.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
De voormalige Ziekenfondsraad heeft de hoogte van de verschuldigde
schadevergoeding op grond van artikel 14, vierde lid, van het
Inschrijvingsbesluit (oud) vastgesteld in artikel 3 van het Besluit
nadere regeling inschrijving ziekenfondsverzekering. Uitgaande van de
door de Ziekenfondsraad vastgestelde bedragen was gedaagde bevoegd om
van appellant over de periode van 14 november 1993 tot 1 december 1997
schadevergoeding te vorderen tot een bedrag van f 7.914,67. Dit
schadevergoedingsbedrag is te herleiden tot de gemiddelde kosten per
verzekerde van verstrekkingen ingevolge de Zfw in de desbetreffende
perioden.
Blijkens vaste jurisprudentie van deze Raad mag het uitoefenen van de
bevoegdheid om schadevergoeding te vorderen van degene die niet heeft
voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 14, derde lid, van het
Inschrijvingsbesluit geen automatisme zijn, maar dient dit te berusten
op een evenwichtige belangenafweging.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde in redelijkheid
heeft kunnen besluiten om de gevorderde schadevergoeding te matigen tot
het bedrag aan premie dat verschuldigd zou zijn geweest indien appellant
bij VGZ particulier verzekerd zou zijn geweest tegen ziektekosten. Met
dit lagere schadevergoedingsbedrag is voldoende compensatie geboden voor
de te trage besluitvorming van gedaagde naar aanleiding van de in
februari 1998 van de rechtsopvolger van de bedrijfsvereniging ontvangen
informatie, het overschrijden van de beslistermijn in de
bezwaarprocedure en het onvoldoende naleven van haar wettelijke
controleplicht op de juistheid van het verzekerdenbestand. De Raad is,
anders dan de rechtbank, van oordeel dat gedaagde niet heeft kunnen
aantonen dat zij deze controleverplichting in het geval van appellant
voldoende is nagekomen. Voorts heeft de Raad hierbij laten wegen dat
appellant alle jaren na 1993 inschrijvingsbewijzen van gedaagde heeft
ontvangen en dat hij daarop geen enkele - aantoonbare - actie heeft ondernomen richting gedaagde. Appellant
heeft zich in die tijd niet particulier verzekerd tegen ziektekosten en
mitsdien geen dubbele kosten van verzekering gemaakt. Appellant was in
die periode op grond van zijn inschrijving gerechtigd tot verstrekkingen
op grond van de Zfw. Gedaagde heeft daardoor risico gelopen.
Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot
polisvoorwaarden en verjaring brengt de Raad niet tot een ander oordeel,
reeds omdat deze voorwaarden en de civielrechtelijke gevolgen van
verjaring van vorderingen niet zien op de verplichte
ziekenfondsverzekering.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd voor zover daarbij met betrekking tot de periode van
14 november 1993 tot 1 maart 1994 is bepaald dat de rechtsgevolgen van
het vernietigde besluit in stand blijven.
De aangevallen uitspraak dient voor het overige, voor zover
aangevochten, te worden bevestigd.
De Raad wijst de door appellant gevorderde schadevergoeding bestaande
uit de kosten van tandheelkundige hulp af reeds op deze grond dat niet
aannemelijk is gemaakt dat de gezondheidstoestand van zijn gebit door
het bestreden besluit, waarbij door gedaagde schadevergoeding wegens
onrechtmatige inschrijving als ziekenfondsverzekerde is gevorderd, is
veroorzaakt. Voor zover appellant overigens schade zou hebben geleden
tengevolge van dit besluit staat het hem vrij ter zake hiervan een
zelfstandig schadebesluit uit te lokken, dan wel zich te wenden tot de
burgerlijke rechter.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de
proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 13,98 voor
reiskosten in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
en € 24,58 voor reiskosten verband houdende met de behandeling van het
hoger beroep ter zitting van de Raad.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij met betrekking
tot de periode van 14 november 1993 tot 1 maart 1994 is bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het
overige;
Wijst de gevorderde schadevergoeding af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 38,56;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in hoger beroep betaalde
griffierecht ten bedrage van € 82,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|