|
Uitspraak
02/2351 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie voor de bezwaarschriften van de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars, groep Ziekenfonds, te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. H. Houtsmuller, advocaat te Hilversum, op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 5 maart 2002 tussen
partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde (hierna ook wel aangeduid als de Stichting) heeft een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 30 juli 2003 zijn van de zijde van gedaagde nadere stukken
ingezonden.
Van de zijde van appellante zijn - bij brief van 1 augustus 2003 -
eveneens nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 13 augustus 2003,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Houtsmuller voornoemd en door J.K. Bolhuis, secretaris van het
Nederlands Genootschap Orthomoleculaire Oncologie (NGOO). Gedaagde heeft
zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M.H. Louer-Verhoof , werkzaam bij
de afdeling juridische zaken van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars,
groep Ziekenfonds (hierna: de Stichting) en door T.M.J.J. Hilte-Olde
Scheper, medisch adviseur bij de Stichting.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Bij appellante is in 1998 borstkanker geconstateerd. Nadat zij was
geopereerd en zij een aantal bestralingen had ondergaan, is zij begonnen
met het volgen van een niet-toxische tumortherapie. In dat kader is haar
door dokter M. Menko te Haalderen een aantal, merendeels magistraal
bereide middelen voorgeschreven. De huisarts van appellante, dokter A. Kleijnen-van de
Wijdeven, heeft zich schriftelijk akkoord verklaard
met de voorgeschreven middelen.
Bij besluit op bezwaar van 27 oktober 1998 heeft de Stichting besloten
de terzake ingediende nota's te vergoeden en geen inhoudelijke controle
op de middelen uit te voeren "met dien verstande dat dit in de
toekomst, wanneer de overheid de regelgeving heeft verfijnd en
aangescherpt, niet zondermeer meer mogelijk zal zijn."
Bij primair besluit van 11 juli 2000 heeft de Stichting naar aanleiding
van door appellante ingediende nota's geweigerd met ingang van 1 juli
2000 de kosten van een aantal (deels magistraal bereide) middelen te
vergoeden. Het betreft de volgende middelen: DHEA 200 mg, Quercetine/Venoruton
200/50 g, Megagenistin 35% 250 mg, Melatonine 25 mg, Enervitect,
Dagravit A forte, CA Ascorbaat, Vitamine E, Selenium 400 mcg,
Isotiocyanaat extract 20:1 500 mg en Epi-Gallo Catechine extraxt 30% 500
mg. De Stichting heeft daarbij een overgangsregeling gehanteerd in die
zin, dat appellante met ingang van genoemde datum in verband met
niet-toxische tumortherapie nog slechts de nota's kon indienen die
overeenkomen met drie maanden gebruik van de betreffende middelen. De
weigering heeft de Stichting gebaseerd op artikel 2, derde lid, van het
Verstrekkingenbesluit (hierna: Vb), er op neerkomend dat appellante op
grond van een doelmatige zorgverlening niet is aangewezen op de
magistraal bereide middelen, omdat zij geen rationele therapie vormen.
De Stichting vond hiervoor steun in een advies van 19 maart 1999 van de
Commissie voor beroepszaken van de toenmalige Ziekenfondsraad,
uitgebracht in een ander, niet tussen partijen, gerezen geschil.
Op 7 maart 2000 heeft de Commissie Verstrekkingengeschillen van het
College voor zorgverzekeringen (CVZ) ter zake van het conceptbesluit op
bezwaar in de onderhavige zaak het volgende advies uitgebracht:
"De medisch adviseur van het College voor zorgverzekeringen heeft
kennisgenomen van de stukken. Op basis daarvan is de medisch adviseur
het eens met het medisch zorginhoudelijk oordeel dat is vervat in de
conceptbeslissing, er is geen sprake van magistrale receptuur. Hij merkt
echter op dat Dagravit A forte een geregistreerd geneesmiddel is en
derhalve voor vergoeding in aanmerking komt.
Op grond van de wettelijke regelingen komt uw verzekerde niet in
aanmerking voor het gevraagde. Het College raadt u aan de opmerking van
zijn medisch adviseur in uw beslissing op bezwaar op te nemen."
Het tegen het primair besluit ingediende bezwaar is vervolgens door
gedaagde bij besluit van 9 maart 2001 (het bestreden besluit) in zoverre
gegrond verklaard, dat het middel Dagravit A forte wel werd vergoed.
Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard, omdat de middelen
waarvan vergoeding was gevraagd onderdeel zijn van de zogenaamde
Houtsmullertherapie, welke therapie naar de mening van gedaagde niet kan
worden aangemerkt als rationeel. Gedaagde acht de middelen daarom geen
vorm van doelmatige zorgverlening, waarop appellante gezien haar
behoefte redelijkerwijs is aangewezen.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard. Kort samengevat heeft de rechtbank daartoe
overwogen, dat vooralsnog uit wetenschappelijke literatuur niet is
gebleken van de werkzaamheid en de effectiviteit van de
Houtsmullertherapie, op grond waarvan het standpunt van de Stichting dat
de Houtsmullertherapie een niet-rationele therapie is, niet voor onjuist
kan worden gehouden. De Stichting heeft naar het oordeel van de
rechtbank terecht het verzoek van appellante om vergoeding van de haar
voorgeschreven middelen afgewezen wegens het niet voldoen aan het
criterium van doelmatige zorgverlening vervat in artikel 2, derde lid,
van het Vb. Een beroep op strijd met het motiveringsbeginsel heeft de
rechtbank afgewezen, omdat gedaagde besloten heeft overeenkomstig het
advies van het CVZ en zich voorts heeft gebaseerd op eerdergenoemd
advies van de Commissie voor beroepszaken van de voormalige
Ziekenfondsraad. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt naar het
oordeel van de rechtbank, omdat appellante onder de gegeven
omstandigheden niet op grond van de beslissing op bezwaar van 27 oktober
1998 van de Stichting kon verwachten, dat deze was gehouden voornoemd
artikel van het Vb buiten toepassing te laten en de nota's van
appellante te blijven vergoeden tot het moment dat de regelgeving zou
zijn gewijzigd.
In hoger beroep is van de zijde van appellante - verkort weergegeven -
het volgende aangevoerd. Gelet op het besluit op bezwaar van 27 oktober
1998 heeft gedaagde gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Bovendien is het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende
gemotiveerd, omdat gedaagde ten tijde van haar besluitvorming niet
beschikte over inhoudelijke kennis van de voorgeschreven middelen en
deze ook niet had getoetst aan de hand van wetenschappelijke bronnen.
Het advies van het CVZ, waarop het bestreden besluit steunt, houdt - ten
onrechte - slechts in dat er geen sprake is van magistrale receptuur.
Met betrekking tot de bij brief van 30 juli 2003 door gedaagde in geding
gebrachte informatie over de door de Commissie farmaceutische Hulp (CFH)
van het CVZ in het najaar van 2002 vastgestelde negatieve lijst stelt
appellante zich op het standpunt dat de samenstelling van deze negatieve
lijst, waarop een aantal van de in geding zijnde middelen voorkomen, op
onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Van de zijde van
appellante is betoogd dat door de CFH niet zelfstandig is nagegaan welke
wetenschappelijke publicaties met betrekking tot de diverse magistraal
bereide middelen bestaan, waardoor een te beperkt aantal
wetenschappelijke publicaties is onderzocht en voorts dat de door de CFH
beoordeelde publicaties de getrokken conclusies niet kunnen dragen. Met
name is betoogd dat er ook al ten tijde van het bestreden besluit een
groot aantal zogeheten fase III onderzoeken was gepubliceerd evenals een
aantal gerandomiseerde onderzoeken.
Gedaagde stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat appellante
gevraagd heeft om vergoeding van de kosten van de Houtsmullertherapie
dan wel niet-toxische therapie. De Houtsmullertherapie is vervolgens
getoetst aan de eis van rationaliteit. Uit (dubbelblind gecontroleerd)
wetenschappelijk onderzoek is gedaagde niet gebleken dat de therapie
(dan wel de afzonderlijke onderdelen) dient (dienen) ter bestrijding of
behandeling van (borst)kanker. Ter ondersteuning heeft gedaagde in hoger
beroep de door de CFH van het CVZ in het najaar van 2002 vastgestelde
negatieve lijst overgelegd. Van de middelen die op deze lijst zijn
opgenomen is volgens gedaagde niet wetenschappelijk bewezen dat er
sprake is van rationele farmacotherapie.
De Raad overweegt het volgende.
Het is de Raad ambtshalve - gelet op de zaken 00/4350 ZFW en 00/554 ZFW
- bekend dat het bestreden besluit is genomen door de Commissie voor de
bezwaarschriften van de Stichting en dat deze commissie haar bevoegdheid
om op bezwaren als bedoeld in artikel 7:1 van de Awb te beslissen meent
te ontlenen aan het Reglement bezwaarschriftenprocedure CZ van de
Stichting. In dit Reglement wordt de bevoegdheid tot het nemen van een
besluit op bezwaar overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het
bestuursorgaan namens welke het primaire besluit is genomen. Zoals de
Raad eerder heeft overwogen (CRvB 25 maart 1997, AB 1997, 182) voorziet
de bezwaarprocedure van de Awb niet in een dergelijke delegatie van
beslisbevoegdheid. De bevoegdheid tot bedoelde delegatie behoeft een
uitdrukkelijke tot afwijking van de Awb strekkende grondslag in een wet
in formele zin, niet zijnde de Awb. Nu in het onderhavige geval een
wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt stelt de Raad vast dat het
bestreden besluit door gedaagde onbevoegd is genomen, zodat dit om die
reden dient te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak, waarbij het
bestreden besluit in stand is gelaten, komt derhalve eveneens voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb (zoals dat luidde
ten tijde in geding) bepaalt dat farmaceutische zorg de aflevering omvat
van andere dan geregistreerde geneesmiddelen die op grond van de Wet op
de Geneesmiddelenvoorziening in Nederland mogen worden afgeleverd.
Hieronder vallen magistraal bereide geneesmiddelen. Ingevolge artikel 2,
derde lid, van het Vb (zoals dat luidde ten tijde in geding) kan de
aanspraak op een verstrekking slechts tot gelding worden gebracht voor
zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van
doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard, inhoud en
omvang is aangewezen. Deze bepaling is onder meer van toepassing op
verstrekkingen van geneesmiddelen.
De Stichting acht de verstrekking van een magistraal middel geen
doelmatige zorg, als bedoeld in genoemd artikel, indien deze geen
rationele therapie vormt.
De Stichting sluit zich daarbij aan bij de definitie van rationele
farmacotherapie die is gegeven in het "Rapport beperking aanspraak
op apotheekbereidingen" van 25 maart 1999 van de voormalige
Ziekenfondsraad: "een behandeling met een geneesmiddel in een voor
de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid en effectiviteit
blijkt uit wetenschappelijke literatuur en die tevens het meest
economisch is voor de verzekering c.q. de patiënt".
Tussen partijen is de juistheid van dit uitgangspunt niet in geschil en
ook de Raad ziet geen aanleiding voor een ander oordeel daarover.
Zoals blijkt uit het bestreden besluit, en ook ter zitting door de
medisch adviseur van de Stichting is bevestigd, zijn in het onderhavige
geval niet de afzonderlijke magistraal bereide middelen getoetst op
rationaliteit, maar is de Houtsmullertherapie als zodanig beoordeeld op
rationaliteit. Naar het oordeel van de Raad is dit niet in
overeenstemming met artikel 9 van het Vb, waarin de aanspraak op een
geneesmiddel en niet de aanspraak op een therapie is geregeld.
De stelling van gedaagde dat door appellante gevraagd zou zijn om
vergoeding van de kosten van de Houtsmullertherapie, acht de Raad
feitelijk onjuist, nu zowel op de nota's als op het daaraan ten
grondslag liggende recept afzonderlijke middelen zijn genoemd. Dat
daarbij is vermeld dat de middelen zijn voorgeschreven in het kader van
een niet-toxische farmacotherapie doet daar niet aan af. Ter zitting is
door de secretaris van het Nederlands Genootschap Orthomoleculaire
Oncologie bovendien verklaard dat er in het kader van de
Houtsmullertherapie geen sprake is van een vaste combinatie van
magistraal bereide middelen, maar dat per patiënt een verschillende
combinatie van middelen kan worden voorgeschreven.
De medisch adviseur van de Stichting heeft ter zitting meegedeeld dat
het gebruikelijk is bij onduidelijkheid over (de rationaliteit van)
voorgeschreven middelen informatie over die middelen bij de
voorschrijvend arts te vragen, maar dat zij dat in dit geval achterwege
heeft gelaten, omdat tussen de Stichting en de voorschrijvend arts geen
contractuele relatie bestond. Mede daardoor is volgens deze medisch
adviseur de Houtsmullertherapie als zodanig beoordeeld. Hierin kan
echter naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging worden gevonden
voor het achterwege laten van een juiste beoordeling, te meer niet nu de
huisarts, met wie de Stichting wel een overeenkomst had gesloten, zich
(schriftelijk) achter de receptuur had gesteld en de medisch adviseur
zich in elk geval tot haar had kunnen wenden om nadere informatie te
verkrijgen.
Het bestreden besluit is tevens gebaseerd op het advies van 7 maart 2000
van de Commissie verstrekkingengeschillen van CVZ, dat er in essentie op
neerkomt dat er geen sprake is van magistrale receptuur. Dit advies is
zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet begrijpelijk, aangezien
het wel gaat om magistraal bereide middelen, waarbij in discussie is of
deze tot het verstrekkingenpakket van de ziekenfondsverzekering behoren.
Dit advies kan derhalve niet bijdragen aan de motivering van het
bestreden besluit.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is
voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, hetgeen met zich mee brengt
dat dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb
ook op die gronden niet in stand kan blijven.
Van strijd met het vertrouwensbeginsel acht de Raad, evenals de
rechtbank en met overneming van het daartoe overwogene in de aangevallen
uitspraak, in het onderhavige geval geen sprake.
De Raad gaat, mede gelet op hetgeen van de kant van appellante omtrent
de motivering van het bestreden besluit is aangevoerd, voorbij aan de in
eerste aanleg door gedaagde terzake gegeven nadere onderbouwing per
middel, omdat onvoldoende inzichtelijk is welke gegevens en publicaties
gedaagde bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken, alsmede aan de ter
nadere motivering, in een laat stadium van de procedure ingebrachte,
door de CFH van het CVZ vastgestelde negatieve lijst, alleen al omdat
niet alle magistraal bereide middelen waarvan vergoeding is gevraagd, op
die lijst zijn geplaatst.
De Stichting dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij hij
tevens dient te betrekken hetgeen van de zijde van appellante in deze
procedure met betrekking tot het bestaan en de beoordeling van
wetenschappelijke publicaties naar voren is gebracht.
Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de
Stichting te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg op € 644,-- en in hoger beroep op € 644,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat de Stichting een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1288,--, te betalen door gedaagde aan appellante;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het in beroep en in hoger beroep
gestorte recht van € 104,37 vergoedt.
Wijst de Stichting aan als de rechtspersoon die de proceskosten en
griffierecht dient te betalen;
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
24 september 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|