|
Uitspraak
02/2615 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende in Canada, appellant,
en
de Onderlinge Waarborgmaatschappij Nuts Zorgverzekeringen U.A.,
gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 28 oktober 1999 heeft de rechtsvoorganger van
gedaagde, de Onderlinge Waarborgmaatschappij OHRA Zorgverzekeringen
u.a., aan appellant een schadebedrag van f 6.917,15 in rekening gebracht
wegens onrechtmatige inschrijving als ziekenfondsverzekerde over de
periode van 1 augustus 1996 tot 26 oktober 1999.
Bij het bestreden besluit van 29 maart 2000 is het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 28 oktober 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 5 april 2002 het
beroep van appellant ongegrond verklaard.
Namens appellant is [naam vader], wonende te [woonplaats], vader van
appellant, op bij beroepschrift van 17 april 2002 aangegeven gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere
informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2003.
Voor appellant is daar verschenen [naam vader], voornoemd. Gedaagde is
daar niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst, gelet op de inhoud van de gedingstukken, voor een
weergave van de relevante feiten, omstandigheden, regelgeving en de
standpunten van partijen in eerste aanleg naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of bij het bestreden
besluit van 29 maart 2000 terecht op grond en met toepassing van het
bepaalde bij en krachtens artikel 5, vierde lid, van de Ziekenfondswet
wegens het niet naleven van de bij en krachtens het tweede lid van de
bepaling gestelde regel betreffende de inschrijving als
ziekenfondsverzekerde een zogenoemde forfaitaire schadevergoeding ten
bedrage van f 6.917,15 is gevorderd.
De rechtbank heeft hierover in de aangevallen uitspraak het volgende
overwogen:
"Allereerst stelt de rechtbank - gezien de stukken - vast dat door
eiser niet wordt bestreden dat hij in het tijdvak hier in geding (te
weten van 1 augustus 1996 tot 26 oktober 1999) onrechtmatig als
verplicht verzekerde van het ziekenfonds stond ingeschreven.
(...) Uit artikel 14 van het Inschrijvingsbesluit volgt dat het primair
de verantwoordelijkheid van de verzekerde is, om aan het ziekenfonds
alle wijzigen te melden die tot beëindiging van de verzekering leiden.
Of al dan niet tijdig afmelding als verplicht verzekerde heeft
plaatsgevonden door middel van inzending door zijn werkgever Cargill BV
van een standaardafmelding, is daarom niet doorslaggevend. Betrokkene
heeft niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van het
Inschrijvingsbesluit door niet zelf aan de op hem als (gewezen)
verzekerde rustende inlichtingsverplichting te voldoen. De rechtbank
acht het in dit verband niet aannemelijk dat eiser, in tegenstelling tot
hetgeen hij eerder heeft gesteld, indertijd bij aanvang van de
verzekering vorengenoemde informatie (onder meer door middel van het
aanvraagformulier) niet zou hebben ontvangen, zodat ervan moet worden
uitgegaan dat eiser op de hoogte had kunnen zijn van de door verweerder
voorgestane wijze van afmelding.
De stelling van eiser dat verweerder in zijn controletaak is
tekortgeschoten zodat het voortduren van eisers onrechtmatige
inschrijving als verplicht verzekerde mede aan verweerder te wijten is,
wordt niet onderschreven. Op grond van het Besluit controle op de
rechtmatigheid van inschrijving als ziekenfondsverzekerde 1990, dient
verweerder eens in de vijf jaar de rechtmatigheid van de inschrijving
van haar verzekerden te controleren. Die termijn was nog niet verstreken
toen de onrechtmatige inschrijving werd geconstateerd.
Gelet op het hiervoor overwogene was verweerder op grond van het
bepaalde in artikel 5, vierde lid, Zfw bevoegd een schadevergoeding in
rekening te brengen. Verweerder heeft van die bevoegdheid gebruik
gemaakt door uit te gaan van het forfaitair door het College voor
Zorgverzekeringen (voorheen de Ziekenfondsraad) vastgestelde bedrag,
welke is gebaseerd op de landelijk gemiddelde kosten van een
ziekenfondsverzekerde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in
redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Zij overweegt daartoe
dat - hoewel van schade in de vorm van declaraties in de betreffende
periode niet is gebleken - zij het aannemelijk acht dat van enige schade
bestaande uit doorbetaalde abonnementshonoraria voor de huisarts en
administratieve rompslomp wel degelijk sprake is geweest. Niet is
gebleken dat de berekeningswijze van het schadeforfaitaire bedrag wegens
de onrechtmatige inschrijving door verweerder onjuist is.
De rechtbank voegt hier nog aan toe dat, blijkens de stukken, de
betaalde premie is verrekend met het door verweerder terug te vorderen
schadebedrag.
Niet gebleken is dat in casu sprake was van feiten en omstandigheden op
grond waarvan de te vorderen schadevergoeding moest worden gematigd of
achterwege gelaten. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn
naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat van onevenredige
hardheid kan worden gesproken."
Appellant kan zich hier mee niet verenigen. Hij heeft in hoger beroep
aangevoerd dat de strikte verplichtingen, die op grond van artikel 14
van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering gelden voor
verzekerden, in schril contrast staan met de verplichtingen van de
zorgverzekeraars die slechts één maal per 5 jaar de verzekerden
behoeven te controleren, ten gevolge waarvan het schadebedrag
uitzonderlijk hoog zou zijn. Dit bedrag staat volgens appellant niet in
verhouding tot de werkelijke (lagere) kosten die de verzekeraar heeft
gemaakt. Van gedaagde mag meer activiteit worden verlangd bij de
controle en een volledige voorlichting omtrent de gevolgen van
onrechtmatige inschrijving. Voorts zou appellant door gedaagde niet op
de hoogte zijn gesteld van de verplichtingen die gelden ten aanzien van
een ziekenfondsverzekerde. Bovendien zou zijn toenmalige werkgever
Cargill BV hem bij gedaagde hebben afgemeld. Appellant verkeerde in de
veronderstelling dat hij een studentenverzekering met gedaagde had
afgesloten.
Vanwege gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat er vanuit gegaan moet
worden dat appellant louter door eigen onachtzaamheid heeft verzuimd de
ziekenfondsinschrijving te beëindigen. Gedaagde heeft geen aanleiding
gezien om de vordering te matigen en heeft appellant een
betalingsregeling aangeboden. Verder betwist gedaagde een afmelding van
werkgever Cargill B.V. te hebben ontvangen. Voorts was het ook destijds
gebruikelijk dat een aparte brochure met informatie over onder meer de
verzekeringsvoorwaarden werd verzonden aan de verzekerden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of
gedaagde terecht een bedrag van f 6.917,15 aan schade heeft gevorderd
van appellant.
De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank in de aangevallen
uitspraak en onder verwijzing naar de gronden van die uitspraak, met de
strekking waarvan hij zich kan verenigen, bevestigend.
Het volgende wordt daaraan nog toegevoegd.
Appellant is gelet op het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het
Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering verplicht om gedaagde
terstond, althans binnen de in het vierde lid van dat artikel bedoelde
termijn, in kennis te stellen van feiten en omstandigheden welke tot beëindiging
van de inschrijving als verzekerde leiden.
Mede in aanmerking genomen dat van algemene bekendheid moet worden
geacht dat de verplichte ziekenfondsverzekering eindigt bij het einde
van de dienstbetrekking (CRvB 12 december 2000, USZ 2001/54) acht de
Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant daarvan niet op de
hoogte was of redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn.
Appellant had derhalve redelijkerwijs kunnen weten dat hij niet meer
verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet. Gelet hierop had het op de
weg van appellant gelegen dat hij bij gedaagde tijdig na het staken van
zijn werkzaamheden als studentstagiaire inlichtingen had ingewonnen hoe
nu te handelen, waarbij de Raad in aanmerking heeft genomen dat
appellant voordien als student in voorkomend geval ook op andere wijze
verzekerd is geweest alsmede dat er na de beëindiging van zijn
werkzaamheden als studentstagiaire premienota's inzake de aanvullende
verzekering, alsmede polissen toegezonden bleven worden.
Voorts overweegt de Raad dat niet is gebleken dat de van toepassing
zijnde regelgeving, waaronder het Besluit controle op de rechtmatigheid
van inschrijving als ziekenfondsverzekerde 1990 en het
Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering, voor zover aangevochten in
strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Derhalve
kon gedaagde op goede gronden besluiten om over de gehele periode van
onrechtmatige inschrijving schade te vorderen. Evenals gedaagde heeft
overwogen is de Raad niet gebleken van feiten en omstandigheden die
gedaagde ertoe hadden moeten brengen de vordering geheel of ten dele te
mitigeren.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|