|
Uitspraak
02/1998 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Onderlinge Waarborgmaatschappij Azivo Algemeen Ziekenfonds De Volharding
U.A., gevestigd te 's-Gravenhage, appellante (ook wel aangeduid als
Azivo),
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens gedaagde heeft dr. P.W. Wijermans, internist/heamatoloog te
's-Gravenhage, op grond van het bepaalde bij en krachtens de
Ziekenfondswet (hierna: Zfw) toestemming verzocht om verstrekking van
a-interferon met de bijbehorende spuiten en naalden, ten behoeve van de
behandeling van hairy cell leukemie. Tevens is verzocht om vergoeding
van Nutridrink, omdat de opname van voedsel bij de behandeling van de
leukemie problematisch is als gevolg van misselijkheid en gebrek aan
eetlust.
Bij primair besluit van 7 april 2000 heeft appellante onder meer het
verzoek om vergoeding van Nutridrink afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 5 oktober 2000 is het bezwaar van gedaagde
tegen het besluit van 7 april 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 februari 2002 het
beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar
gegrond verklaard, het primaire besluit van 7 april 2000 herroepen,
bepaald dat appellante de kosten van het dieetpreparaat Nutridrink voor
vergoeding in aanmerking brengt en verstaan dat appellante aan gedaagde
het betaalde griffierecht vergoedt.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Partijen hebben de Raad desgevraagd nadere informatie verstrekt.
Voorts heeft het College voor zorgverzekeringen, gevestigd te
Amstelveen, op verzoek van de Raad informatie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 13 augustus 2003.
Appellante heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. J. Ekelmans,
advocaat te 's-Gravenhage, en dr. A.P.M. van Dam, medisch adviseur bij
appellante.
Gedaagde is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.D.
Gelderloos, advocaat te 's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of bij het bestreden
besluit van 5 oktober 2000 terecht is besloten om het besluit van 7
april 2000 om aan gedaagde geen Nutridrink te verstrekken te handhaven.
De rechtbank heeft hierover in de aangevallen uitspraak het volgende
overwogen:
"Gelet op de toepasselijke regelgeving komen de kosten
van het dieetpreparaat Nutridrink slechts voor vergoeding in aanmerking,
indien sprake is van viertal - limitatief opgesomde - indicaties. Of verweerder zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat deze verstrekkingscriteria vergoeding van
Nutridrink in dit geval niet toelaten laat de rechtbank in het midden.
De rechtbank is namelijk van oordeel dat, alle omstandigheden daarbij in
aanmerking genomen, strikte wetstoepassing in onderhavige geval leidt
tot voor eiser onevenredig nadelige gevolgen en overweegt daartoe als
volgt.
Vaststaat dat er een medische noodzaak bestaat voor eiser voor het
gebruik van het dieetpreparaat Nutridrink. De rechtbank overweegt
daartoe dat de eiser behandelend specialist, dr. Wijermans, in een
schrijven van 6 december 2000 heeft verklaard dat hij eiser het
dieetpreparaat voorschrijft daar het opnemen van vast voedsel voor eiser
een probleem is, als gevolg van misselijkheid en verminderde eetlust.
Eiser, die aan de ziekte leukemie lijdt, heeft dientengevolge het
dieetpreparaat nodig om in conditie te kunnen blijven, aldus eisers
specialist. Het standpunt van verweerder dat eiser zijn voeding
gedurende de dag kan verdelen in kleine porties en dan wel in staat zou
zijn de voeding tot zich te nemen, heeft verweerder niet met nadere
medische gegevens, van welke aard dan ook onderbouwd en dient, gezien de
verklaring van de internist, voor onjuist te worden gehouden.
Voorts staat vast dat eiser, als bijstandgerechtigde bij de gemeente Den
Haag, van ziekenfonds is veranderd als gevolg van een overeenkomst
tussen de gemeente en ziekenkostenverzekeraar Azivo. De gemachtigde van
verweerder heeft ter zitting verklaard dat de gemeente de overeenkomst
met verweerder heeft gesloten, met name met het oog op de financiële
voordelen die het voor de gemeente tot gevolg zou hebben. De rechtbank
is van oordeel dat eiser ervan uit mocht gaan dat ook verweerder het
dieetpreparaat zou vergoeden, daar in de regelgeving betreffende de
verstrekking van een vergoeding voor dieetpreparaten daaromtrent niets
was (noch is) veranderd. Eiser hoefde er derhalve geen rekening mee te
houden dat als gevolg van de wijziging van ziektekostenverzekeraar, de
verstrekking van het voor hem van levensbelang zijnde dieetpreparaat
Nutridrink niet meer zou worden vergoed. De rechtbank neemt voorts als
vaststaand aan dat indien eiser vooraf zou zijn geďnformeerd over het
feit dat de Nutridrink bij verweerder als nieuwe ziektekostenverzekeraar
niet voor vergoeding in aanmerking zou komen, hij niet akkoord zou zijn
gegaan met de wijziging van de ziektekostenverzekeraar.
De rechtbank wil niet uitsluiten dat Nuts naar de letter genomen ten
onrechte Nutridrink aan eiser heeft vergoed. Dit is echter voor eiser
niet kenbaar geweest. Hij heeft derhalve aan deze verstrekking het
vertrouwen mogen ontlenen dat hij rechtens aanspraak had op deze
verstrekking. Door de verzekering over te nemen heeft verweerder ook
deze gewekte verwachtingen van Nuts overgenomen.
Nu de gemeente Den Haag, met het oog op financiële voordelen, is
veranderd van ziektekostenverzekeraar, dit voor eiser als
bijstandsgerechtigde grote nadelige financiële consequenties heeft en
het volgens de gemachtigde van verweerder twijfelachtig is of eiser
aanspraak kan maken op bijzondere bijstand voor de voor hem van
levensbelang zijnde Nutridrink en bovendien van een redelijk medisch
alternatief niet is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de strikte
wetstoepassing inzake de vergoeding van het dieetpreparaat Nutridrink
die verweerder als nieuwe verzekeraar van eiser hanteert, leidt tot voor
eiser onevenredig nadelige gevolgen. Ten slotte is de overgang van
ziektekostenverzekeraar een bijzondere omstandigheid met in dit geval
consequenties die de regelgever niet heeft voorzien. Er is immers geen
rekening mee gehouden dat een verzekerde rechtens te honoreren
verwachtingen opbouwt als gevolg van een andere uitleg van het
Verstrekkingsbesluit door zijn vorige verzekeraar."
Appellante kan zich hiermee niet verenigen. Daartoe is een beroep gedaan
op het imperatief limitatieve systeem van verstrekkingen in het kader
van de Zfw. De toepasselijke wet- en regelgeving biedt naar haar mening
geen ruimte voor verstrekking van het in geding zijnde dieetpreparaat
Nutridrink, omdat er haars inziens geen sprake is van ernstige slik-,
passage-, absorptie- of stofwisselingsstoornissen, als bedoeld in
artikel 9, derde lid, onder d, van het Verstrekkingenbesluit. Daarnaast
is aangevoerd dat er voor gedaagde ook andere mogelijkheden zijn om
voedsel vast te houden, namelijk door middel van afwisseling van voeding
of een andere dosering/frequentie van de inname van voedsel. Derhalve is
er naar haar mening geen medische noodzaak om het preparaat Nutridrink
te gebruiken. Appellante is voorts van mening dat het beroep op het
vertrouwensbeginsel niet kan slagen aangezien het oude ziekenfonds van
gedaagde, Nuts, en de gemeente Den Haag geen verwachtingen hebben gewekt
waaraan Azivo gebonden zou kunnen worden geacht. De situatie waarin
strikte toepassing van de wet zozeer in strijd komt met het ongeschreven
recht dat dit geen rechtsplicht meer kan zijn, doet zich naar de mening
van appellante in het onderhavige geval niet voor.
Vanwege gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat appellante de
aanvraag van Nutridrink ongemotiveerd heeft afgewezen door af te gaan op
het standpunt van haar medisch adviseur, welk standpunt kenbaar niet
meer inhield dan: "afwijzen; geen indicatie". Een
inzichtelijker gemotiveerd standpunt had volgens gedaagde in de rede
gelegen nu de behandelend internist/haematoloog Weijermans had
gemotiveerd waarom Nutridrink naar zijn mening nodig was en deze
kennelijk geen reëel alternatief aanwezig heeft geacht. Voorts is
aangevoerd dat gedaagde van geen enkele kant is gewezen op de
mogelijkheid dat aan de door de gemeente en Azivo georganiseerde
overstap naar Azivo het risico verbonden was dat lopende aanspraken bij
dat ziekenfonds anders beoordeeld zouden kunnen gaan worden. Gedaagde
heeft erop gewezen dat bij hem sprake is van een stoornis die - in
samenhang met de bijwerkingen van alpha-interferon - bestempeld kan
worden als een resorptiestoornis en, zo niet, als een
stofwisselingsstoornis. Indien gedaagde geen Nutridrink krijgt zal zijn
conditie verslechteren, zal hij afvallen en zal zijn levensverwachting
afnemen, hetgeen naar zijn mening een onevenredig nadeel is aan zijn
zijde.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het
bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.
Vooropgesteld moet worden dat verzekerden ter voorziening in hun
geneeskundige verzorging ingevolge artikel 2 van het
Verstrekkingenbesluit aanspraak hebben op verstrekkingen als omschreven
in, voor zover hier van belang, artikel 9 van het Verstrekkingenbesluit.
Artikel 9, derde lid, onder d, van het Verstrekkingenbesluit geeft recht
op dieetpreparaten als de verzekerde lijdt aan een ernstige slik-,
passage-, of resorptiestoornis, of een ernstige voedselallergie of
stofwisselingsstoornis. De Raad is van oordeel dat het limitatief
dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling uitgangspunt behoort te
zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval al dan niet
terecht een aanspraak op verstrekking is afgewezen en er derhalve
slechts bij uitzondering sprake zal kunnen zijn van zodanige
omstandigheden dat onverkorte toepassing van dwingendrechtelijke
wetsbepalingen in die mate in strijd komt met regels van ongeschreven
recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.
De Raad stelt vast dat het in geding zijnde preparaat Nutridrink aan
gedaagde, die aan leukemie lijdt, voorgeschreven is in verband met
misselijkheid, gebrek aan eetlust en afname van gewicht, zulks ten
gevolge van het gebruik van het middel alpha-interferon dat aan eiser is
voorgeschreven. Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde onweersproken
heeft gesteld dat zijn conditie afneemt wanneer hij onvoldoende voedsel
kan binnenhouden en dat alsdan ook zijn levensverwachting terugloopt.
De Raad is van oordeel dat appellante in het bestreden besluit
onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom artikel 9, derde lid,
aanhef en onder d, van het Verstrekkingenbesluit gezien de bewoordingen
daarvan in het onderhavige geval ten tijde in geding geen ruimte bood
voor een gehele of gedeeltelijke vergoeding van het preparaat Nutridrink.
Dit klemt te meer nu in de gegeven omstandigheden aannemelijk is dat
gedaagde mede daardoor is afgehouden van de mogelijkheid om ter zake van
zulk een motivering nader advies bij zijn behandelend specialist en/of
bij een andere deskundige contra-expertise in te winnen.
Naar 's Raads oordeel moet voorts worden gezegd dat appellante bij haar
behandeling van de onderhavige aanvraag en bij de motivering van de
beslissing op bezwaar onvoldoende aandacht heeft besteed aan een aantal
voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden. Zo is, voorzover
uit de stukken valt af te leiden, geen gericht medisch onderzoek
verricht naar de vraag of in de situatie van gedaagde een effectief
alternatief voorhanden was voor Nutridrink en meer in het bijzonder naar
de vraag of het verspreid over de dag gebruiken van kleine porties niet
op medische bezwaar stuit, in aanmerking genomen de mogelijke effecten
voor de levensverwachting van gedaagde. Een daarop betrekking hebbend,
op concreet onderzoek steunend en inzichtelijk gemotiveerd advies van de
medisch adviseur van appellante had, gezien de uit de gedingstukken en
de stellingname van gedaagde af te leiden kennelijk anders luidende
opvatting van de behandelende sector en gelet op de in de tekst van
artikel 9, derde lid, onder d, van het Verstrekkingenbesluit besloten
liggende beoordelingsruimte, in het onderhavige niet mogen ontbreken.
Voorts heeft appellante ten onrechte geen aandacht besteed c.q. geen
enkele betekenis toegekend aan de situatie waarin gedaagde was
terechtgekomen door de overeenkomst die de gemeente Den Haag met
appellante had gesloten betreffende het inschrijven van verzekerden aan
wie een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet is toegekend. Op
grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voor de Raad
geenszins komen vast te staan dat hetzij door appellante, dan wel door
de gemeente Den Haag aan deze categorie van verzekerden - naast de
verstrekte algemene, globale informatie - is voorgehouden dat aan
realisering van de overeengekomen overschrijving van deze categorie
verzekerden van het ziekenfonds, waarbij zij tot dan toe verzekerd
waren, naar Azivo mogelijk consequenties verbonden zouden kunnen zijn
voor hun (lopende) aanspraken ingevolge de Ziekenfondswet ten gevolge
van een andere organisatie van de uitvoeringspraktijk en/of een andere
uitleg van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Het achterwege
gebleven zijn van aanvullende informatie als zojuist bedoeld klemt in de
onderhavige - voor appellante ten tijde in geding kenbare - situatie
temeer, nu gedaagde, gegeven de hem - onder meer door de gemeente Den
Haag - reeds verstrekte algemene voorlichting en voorts gelet op zijn
positie als bijstandsgerechtigde, geen enkele aanleiding had om zich te
verzetten tegen de door die gemeente voorgestane en geëntameerde
overschrijving. Bij die stand van zaken lag het evenmin voor de hand dat
gedaagde eigener beweging verdergaande specifieke informatie zou
inwinnen over door hem niet voorziene mogelijk nadelige gevolgen van die
overschrijving.
Alles overziende komt de Raad op grond van het hiervoor overwogene tot
de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2
en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in
stand kan blijven en dat de rechtbank dit besluit, zij het op
(enigszins) andere gronden, terecht heeft vernietigd.
Gelet daarop, en mede gezien de aanwezige beoordelingsruimte, acht de
Raad, anders dan de rechtbank onvoldoende termen aanwezig om - zelf in
de zaak voorziende - het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat
de aangevraagde verstrekking wordt gehonoreerd.
Appellante zal een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde dienen te
nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Uit het voorafgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd voor zover daarin het primaire besluit van 7 april 2000 wordt
herroepen en verstaan wordt dat appellante de kosten van het
dieetpreparaat Nutridrink dient te vergoeden. Tevens volgt daaruit dat
de aangevallen uitspraak voor het overige dient te worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om appellante op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze worden
begroot op € 805,-- voor rechtsbijstand verleend in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het primaire
besluit van 7 april 2000 wordt herroepen en wordt verstaan dat
appellante de kosten van het dieetpreparaat Nutridrink dient te
vergoeden;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verstaat dat appellante binnen zes weken na dagtekening van deze
uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van gedaagde met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellante tot vergoeding van de proceskosten in hoger
beroep tot een bedrag groot € 805,--.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
november 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|