|
Uitspraak
01/3242 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de onderlinge waarborgmaatschappij AZIVO Algemeen Ziekenfonds De
Volharding U.A., gevestigd te 's-Gravenhage, appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Gravenhage van 7 mei 2001, reg.nr. AWB 00/5840, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 14 november 2002 heeft appellante een nader stuk
ingezonden.
:
Het geding is behandeld ter zitting van 28 november 2002. Appellante
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Ekelmans, advocaat te 's-Gravenhage, en M. van Dam, werkzaam als
medisch adviseur bij appellante. Gedaagde is in persoon verschenen,
bijgestaan door haar echtgenoot.
De Raad heeft het onderzoek heropend.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad prof. F.M.J. Debruyne,
uroloog te Nijmegen, als deskundige benoemd voor het instellen van een
onderzoek.
De deskundige heeft op 7 juli 2003 een schriftelijk verslag van het
onderzoek uitgebracht aan de Raad.
Appellante en gedaagde hebben bij brieven van 4 september 2003
respectievelijk 15 september 2003 en 4 december 2003 hun reactie gegeven
op het rapport van prof. Debruyne.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft appellante bij brief van 8
december 2003 nadere informatie verschaft.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2003. Appellante
heeft zich laten vertegenwoordigen door dezelfde personen als op de
zitting van 28 november 2002. Gedaagde is wederom in persoon verschenen,
opnieuw bijgestaan door haar echtgenoot.
II. MOTIVERING
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad, mede
gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat
hier met het volgende.
Ter voorkoming van vlokvorming in de bij haar aangebrachte continente
urinederivatie, een zogeheten Indiana Pouch, heeft gedaagdes behandelend
specialist het geneesmiddel acetylcysteďne voorgeschreven.
Appellante heeft bij het primaire besluit van 25 november 1999 de
aanvraag van gedaagde om aflevering van dit geneesmiddel afgewezen.
Deze afwijzing is bij het bestreden besluit van 14 april 2000
overeenkomstig het advies van 6 april 2000 van het College voor
zorgverzekeringen gehandhaafd.
Het bestreden besluit berust op het standpunt van appellante dat niet is
voldaan aan de in de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften
gestelde voorwaarden voor de aflevering van acetylcysteďne. Dit
geneesmiddel kan volgens gedaagde uitsluitend op grond van de
Ziekenfondswet (hierna Zfw) worden verstrekt, indien het een verzekerde
betreft met chronisch obstructief longlijden (hierna COPD).
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat
appellante een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming
van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe -
met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 september 2000
(gepubliceerd in RZA 2001/30) - overwogen, dat het geneesmiddel
acetylcysteďne op basis van de toepasselijke algemeen verbindende
voorschriften niet kan worden vergoed, maar dat er omstandigheden kunnen
zijn waarin toepassing van dwingendrechtelijke wetsbepalingen in die
mate in strijd komt met regels van ongeschreven recht, dat zij op grond
daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Naar het oordeel van de
rechtbank heeft appellante ten onrechte niet onderzocht of een
dergelijke uitzonderingssituatie zich voordoet, nu van de kant van
gedaagde was aangevoerd dat het geneesmiddel voor haar noodzakelijk is,
dat haar gezondheidstoestand zonder acetylcysteďne aanzienlijk zal
verslechteren, dat zulks mogelijk tot ontstekingen en het verlies van de
Indiana Pouch kan leiden en dat de kosten daarvan hoger zijn dan de
kosten van het vergoeden van acetylcysteďne. Voorts heeft de rechtbank
overwogen dat niet was gesteld of gebleken dat er een alternatief
geneesmiddel bestaat.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8 van de Zfw hebben de verzekerden aanspraak op
verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging voorzover
met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten. De aard, de inhoud en de omvang van de
verstrekkingen worden geregeld in het Verstrekkingenbesluit (hierna:
Besluit) ziekenfondsverzekering en bijbehorende uitvoeringsregelingen.
Ingevolge artikel 9 van het Besluit komen medicijnen alleen voor
vergoeding in aanmerking, indien deze bij ministeriële regeling zijn
aangewezen. Deze ministeriële regeling is de Regeling farmaceutische
hulp 1996 (hierna: Regeling). Artikel 1 van de Regeling bepaalt dat de
farmaceutische hulp omvat de geregistreerde geneesmiddelen, genoemd in
bijlage 1 bij de Regeling. Indien een geneesmiddel, genoemd in bijlage
1, behoort tot een van de in bijlage 2 bij de Regeling genoemde
categorieën van geneesmiddelen, omvat de farmaceutische hulp, ingevolge
artikel 2 van de Regeling, slechts aflevering van dat geneesmiddel,
indien is voldaan aan de bij die categorie vermelde voorwaarden.
Het geneesmiddel acetylcysteďne is in bijlage 2 onder nummer 14
opgenomen. Hierbij is bepaald dat het uitsluitend wordt verstrekt voor
een verzekerde met COPD die wordt behandeld overeenkomstig de
richtlijnen die voor Nederland door de desbetreffende beroepsbeoefenaren
zijn aanvaard, mits het ziekenfonds vooraf toestemming heeft verleend.
De Raad is van oordeel dat het dwingendrechtelijke karakter van deze
bepalingen, die een limitatieve opsomming van af te leveren
geneesmiddelen bevatten en daardoor een gesloten stelsel vormen,
uitgangspunt behoort te zijn voor het antwoord op de vraag of in een
concreet geval terecht aflevering van een geneesmiddel aan een
verzekerde is geweigerd.
Vaststaat dat de indicatie COPD niet geldt voor gedaagde, zodat het
middel op grond van de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften
niet voor aflevering in aanmerking komt.
De rechtbank heeft bij haar oordeel aansluiting gezocht bij de uitspraak
van de Raad van 28 september 2000, betreffende de aflevering van het
geneesmiddel Cellcept. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat er
niettegenstaande het dwingendrechtelijke karakter van de toepasselijke
algemeen verbindende voorschriften, omstandigheden kunnen zijn waarin
toepassing van die bepalingen in die mate in strijd komt met regels van
ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan
zijn. De rechtbank heeft echter miskend dat het in de situatie die in
die uitspraak aan de orde was, om een combinatie van zeer uitzonderlijke
omstandigheden ging. Ten tijde van het in dat geding aan de orde zijnde
bestreden besluit bestond reeds het voornemen om het middel Cellcept in
het geneesmiddelenpakket krachtens de Zfw op te nemen, zij het dat de
daadwerkelijke opname in bijlage 1 bij de Regeling om financiële
redenen eerst een half jaar na het bestreden besluit zou worden geëffectueerd.
Daarbij kwam dat vanuit de behandelende sector was aangegeven dat er
geen adequaat alternatief middel voor Cellcept aanwezig was en dat
gevreesd zou moeten worden voor functieverlies en afstoting van de
getransplanteerde nier op korte termijn. De - vereiste - combinatie van
zulke zeer bijzondere omstandigheden is in de onderhavige zaak niet
gesteld en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Daarentegen blijkt
uit een door appellante in geding gebracht advies van het College voor
zorgverzekeringen van 26 juni 2002 dat de slijmoplossende werking van
acetylcysteďne, die bij toepassing bij een Indiana Pouch aan de orde
is, wetenschappelijk niet is vastgesteld. Uit de toelichting op de
wijziging van de Regeling in 1996 (Stcrt. 1996, nr. 46) en het daaraan
ten grondslag liggende advies van 28 september 1995 van de voormalige Ziekenfondsraad moet worden afgeleid
dat het ontbreken van een wetenschappelijke onderbouwing van de
slijmoplossende werking van acetylcysteďne in 1996 juist reden is
geweest om dit geneesmiddel uitsluitend nog (vanwege de antioxidatieve
werking) voor de indicatie COPD onder nadere voorwaarden in het
ziekenfondspakket te handhaven. Ook uit het verslag van prof. Debruyne
blijkt dat de effectiviteit van dit geneesmiddel in een geval als het
onderhavige in wetenschappelijke kringen nog ter discussie staat. De
rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat appellante in het
onderhavige geval gehouden was nader onderzoek te verrichten.
Het hoger beroep treft doel. De aangevallen uitspraak komt voor
vernietiging in aanmerking en het beroep dient ongegrond te worden
verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is dan ook geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
januari 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|