|
Uitspraak
02/4366 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Geové Zorgverzekeraar U.A.,
gevestigd te Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. H. Martens, werkzaam bij CNV Rechtshulp te
Drachten, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 juli
2002, reg.nr. 01/00602 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingezonden.
Bij brief (met bijlagen) van 15 januari 2004 heeft gedaagde een door de
Raad gestelde vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2004, waar appellante
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Martens, en waar gedaagde
zich - met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Op grond van de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften,
waaronder de in de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) haar grondslag vindende
(ministeriële) Regeling hulpmiddelen 1996 (hierna: Regeling), heeft een
verzekerde aanspraak op hulpmiddelen die in de Regeling zijn opgenomen.
Ingevolge artikel 13 van de Regeling heeft een verzekerde aanspraak op
verstrekking van een hoortoestel, indien hij voldoet aan de cumulatieve
voorwaarden in bijlage 3, onder I.1, bij de Regeling. Ingevolge bijlage
3, onder I.3, bij de Regeling bestaat die aanspraak eveneens, indien
sprake is van een bijzonder geval.
Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval hanteert
gedaagde de volgende, door het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
opgestelde, criteria:
- het gehoorverlies aan het beste oor voldoet niet aan de norm van 35
dB, maar bedraagt wel 25 dB of meer;
- met versterking neemt het spraak verstaan met minimaal 20% toe;
- er zijn bijzonderde omstandigheden, bijvoorbeeld oorsuizen.
Appellante is bekend met een asymmetrisch gehoorverlies. Links heeft zij
een groot geleidingsverlies en rechts een beginnend geleidingsverlies.
Het gehoorverlies aan het beste oor bedraagt ongeveer 10 dB.
Op 28 november 2000 heeft appellante zich, door tussenkomst van dr. J.W.
Horst, klinisch fysicus/audioloog te Groningen, tot gedaagde gewend met
het verzoek haar een machtiging te verlenen voor de aanschaf van een
nieuw hoortoestel.
Bij primair besluit van 28 december 2000 heeft gedaagde de aanvraag
afgewezen. Bij het bestreden besluit van 6 juni 2001 heeft gedaagde,
overeenkomstig het advies van het Cvz van 31 mei 2001, het bezwaar van
appellante ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij op het
standpunt gesteld dat, nu het gehoorverlies aan het beste oor - veel -
minder bedraagt dan 25dB, niet is voldaan aan de hiervoor bedoelde
criteria.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat hantering
van de criteria in het geval van appellante tot een onredelijke uitkomst
leidt en dat gedaagde ten onrechte die criteria geheel heeft
"dichtgetimmerd". Weliswaar voldoet zij niet aan het criterium
van een gehoorverlies van ten minste 25 dB, maar het gebruik van slechts
één oor voor het onderscheiden en verstaan leidt onder kritische -
rumoerige - omstandigheden tot een verslechtering van het spraak
verstaan
met ongeveer 50 %. Aldus is sprake van een als invaliderend te
kwalificeren effect. Voorts heeft appellante zich beroepen op het
gelijkheidsbeginsel.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voorop moet worden gesteld dat het, in algemene zin, niet onjuist kan
worden geacht dat een uitvoeringsorgaan van de Zfw (zoals gedaagde) zich
bij de uitleg van de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften
(mede) laat leiden door criteria die zijn opgesteld door een
overkoepelend en deskundig orgaan (zoals het Cvz).
Daarmee is echter niet gezegd dat, zeker in een geval (zoals het
onderhavige) waarin het gaat om de uitleg van het begrip "bijzonder
geval", aan dergelijke criteria een absolute betekenis zou mogen
worden toegekend. Dat betekent dat het uitvoeringsorgaan zich niet
zonder meer op die criteria mag beroepen, maar zich daarnaast - naar
aanleiding van hetgeen van de zijde van de verzekerde daaromtrent naar
voren wordt gebracht - een oordeel dient te vormen over de vraag of
anderszins sprake is van een bijzonder geval.
In het onderhavige geval is de Raad, met gedaagde, van oordeel dat de
omstandigheden van appellante niet zodanig zijn dat sprake is van een
bijzonder geval. Hetgeen appellante terzake heeft aangevoerd acht ook de
Raad daarvoor niet toereikend.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Uiteindelijk heeft
appellante één geval van een andere bij gedaagde verzekerde genoemd
dat met haar geval vergelijkbaar zou zijn en waarin gedaagde het
aangevraagde hoortoestel wél heeft verstrekt. Gedaagde heeft aangegeven
dat, zo al sprake is van een vergelijkbaar geval, de verstrekking van
het hoortoestel op een fout berust. Met verwijzing naar zijn vaste
rechtspraak overweegt de Raad dat, zelfs - hetgeen de Raad in het midden
laat - als sprake zou zijn van een vergelijkbaar geval, de werking van
het gelijkheidbeginsel niet zover gaat dat een in een vergelijkbaar
geval gemaakte incidentele fout door het betrokken bestuursorgaan dient
te worden herhaald.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr.drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. Renden.
|
|