|
Uitspraak
02/5004 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie voor bezwaarschriften van Stichting Centrale
Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, op
de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 augustus
2002, reg.nr. 00/2146 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij brief van 17 november 2002 nadere stukken (met
toelichting) ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2004. Appellante is
in persoon verschenen, bijgestaan door haar buurman [naam buurman].
Gedaagde is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. MOTIVERING
Bij primair besluit van 14 juni 2000 is namens Stichting Centrale
Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds (hierna: CZ) aan appellante
medegedeeld dat zij CZ niet tijdig in kennis heeft gesteld van het feit
dat zij geen recht meer heeft op inschrijving in de verplichte
verzekering ingevolge de Ziekenfondswet (hierna: Zfw), dat haar
inschrijving is beëindigd per 29 februari 2000, dat zij als gevolg van
de te late afmelding onrechtmatig verplicht verzekerd is geweest over de
periode van 30 april 1998 tot en met 28 februari 2000, en dat zij daarom
een bedrag van f 4.677,48 aan schadevergoeding verschuldigd is.
Bij het bestreden besluit van 6 november 2000 heeft gedaagde het bezwaar
tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellante
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.
Het bestreden besluit is op eigen naam genomen door de Commissie voor
bezwaarschriften van CZ. Zij ontleent de bevoegdheid om op bezwaren als
bedoeld in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
te beslissen aan het Reglement bezwaarschriftenprocedure CZ. Zoals de
Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen voorziet de bezwaarschriftprocedure van de Awb niet in de mogelijkheid van delegatie van de
bevoegdheid tot het nemen van een besluit op het bezwaar van een
belanghebbende aan een ander bestuursorgaan dan het orgaan namens
hetwelk het primaire besluit is genomen.
Hieruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het
beroep om deze reden gegrond dient te worden verklaard en het bestreden
besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.
De vervolgens aan de orde komende vraag of er gronden zijn om de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten,
beantwoordt de Raad bevestigend.
Daarbij is allereerst van belang dat uit het verweerschrift in hoger
beroep blijkt dat CZ het bestreden besluit inhoudelijk voor haar
rekening neemt.
In aansluiting daarop stelt de Raad op grond van de gedingstukken,
waaronder de ter zitting van de Raad door appellante overgelegde
gegevens (met name een besluit van het College van burgemeester en
wethouders van de gemeente Druten van 1 april 1999 waarbij de uitkering
van appellante ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) per 1
mei 1998
- definitief - is beëindigd), vast dat appellante gedurende de periode
van 1 mei 1998 tot en met 28 februari 2000 geen uitkering op grond van
de Abw heeft ontvangen.
Gelet op de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften - in het
bijzonder artikel 1, aanhef en onder x, van het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw, waarin is bepaald dat verzekerd is degene die algemene
bijstand ontvangt met toepassing van de artikelen 29 of 30 van de Abw -
bestond er, anders dan appellante heeft betoogd, vanaf 1 mei 1998 uit
hoofde van de Abw geen rechtsgrond voor verplichte verzekering van
appellante op grond van de Zfw. Dat betekent dat het bestreden besluit
op dit punt inhoudelijk juist is, zij het dat ten onrechte is uitgegaan
van 30 april 1998 in plaats van 1 mei 1998. Appellante is daardoor
echter niet benadeeld, nu CZ bevoegd was over de periode van 1 mei 1998
tot en met
28 februari 2000 aan appellante een schadevergoeding op te leggen van f
4.685,80 (8 x f 204,10 + 12 x f 216,60 + 2 x f 226,90) en de daadwerkelijk opgelegde schadevergoeding beperkt is
gebleven tot f 4.677,48. Overigens heeft appellante de hoogte van de
schadevergoeding als zodanig niet betwist.
De Raad ziet ten slotte aanleiding CZ te veroordelen in de proceskosten
van appellante, begroot op € 322,-- in beroep en € 322,-- in hoger
beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds in de
proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds aan
appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. Renden.
|
|