|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3632 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds
U.A., gevestigd te Enschede, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. E.R. Boevink, werkzaam bij CNV Rechtshulp te
Apeldoorn, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4
juni 2002, reg.nr. 01/979 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23
december 2003, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken, uit van de volgende feiten.
Appellante, die werkzaam was als ambtenaar, was medeverzekerd in de
verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) van
haar echtgenoot.
Met ingang van 1 januari 2000 is artikel 4, zestiende lid, van de Zfw
gewijzigd. Als gevolg daarvan was medeverzekering van appellante in de
verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot wettelijk niet langer
mogelijk.
Per 1 juli 2000 heeft appellante gebruik gemaakt van de zogenoemde
FPU-regeling. Daarvan heeft zij op 1 februari 2001 aan gedaagde
mededeling gedaan.
Bij rondschrijven van 21 maart 2001 heeft het College voor
zorgverzekeringen de zorgverzekeraars - waaronder gedaagde - herinnerd
aan de wetswijziging per 1 januari 2000.
Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde haar verzekerdenbestand
gecontroleerd en daartoe ten aanzien van appellante inlichtingen
ingewonnen bij USZO ABP te Heerlen als uitvoeringsinstelling van de
FPU-regeling.
Vervolgens heeft gedaagde bij primair besluit van 21 juni 2001 -
verzonden op die datum - de inschrijving van appellante als
medeverzekerde in de verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot per
1 augustus 2001 op grond van artikel 4, zestiende lid, van de Zfw beëindigd.
Daarbij is, in strijd met artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) niet vermeld dat bezwaar kon worden gemaakt.
Per 1 augustus 2001 heeft appellante bij gedaagde een particuliere
ziektekostenverzekering afgesloten.
Namens appellante heeft mr. Boevink bij brief van 22 augustus 2001 tegen
het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het
bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellante
niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het
bezwaarschrift te laat is ingediend en vervolgens geoordeeld dat die
termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit oordeel van
de rechtbank gekeerd.
De Raad komt op dit punt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dwingt het door het bestuursorgaan
niet opvolgen van het voorschrift van artikel 3:45 van de Awb niet
zonder meer tot de conclusie dat het te laat maken van bezwaar
verschoonbaar (in de zin van artikel 6:11 van de Awb) moet worden
geacht, maar zijn daarvoor - kort gezegd - bijkomende omstandigheden
nodig.
Naar het oordeel van de Raad doen zich in het voorliggende geval
dergelijke bijkomende omstandigheden voor. Gelet op de bewoordingen van
de brief van gedaagde van 21 juni 2001 waarin het primaire besluit is
vervat (inhoudende enerzijds de mededeling dat de medeverzekering in de
verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot wordt beëindigd, en
anderzijds de mededeling dat gedaagde appellante van dienst kan zijn met
een particuliere ziektekostenverzekering en dat desgevraagd een
vrijblijvende offerte kan worden toegestuurd), en voorts gelet op de
ondertekening van die brief ("Met vriendelijke groet, (...), hoofd
Verzekerdenadministratie)", hoefde appellante er niet op bedacht te
zijn dat het ging om een beslissing afkomstig van een bestuursorgaan in
de zin van artikel 1:1 van de Awb. Blijkens het proces-verbaal van de
zitting bij de rechtbank is bovendien na ontvangst van de brief van 21
juni 2001 tussen een of meer medewerkers van gedaagde en de zwager van
appellante een telefonische discussie op gang gekomen, waarbij
appellante de weg is gewezen naar diverse andere instellingen. Toen na
enkele weken bleek dat (ook) die instellingen geen voor appellante
bevredigende oplossing konden bieden, heeft appellante CNV Rechtshulp
ingeschakeld, waarna binnen korte tijd - alsnog - bezwaar is gemaakt.
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden
vernietigd.
Voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is geen aanleiding.
Partijen hebben de Raad ook verzocht de zaak ten gronde af te doen.
In het kader van het beroep bij de rechtbank heeft appellante - kort
weergegeven - het volgende aangevoerd. Appellante is door gedaagde niet
eerder dan bij de brief van 21 juni 2001 van de wetswijziging per 1
januari 2000 op de hoogte gesteld. Doordat gedaagde appellante niet
tijdig heeft geďnformeerd, is appellante ernstig in haar belangen
geschaad. Als zij tijdig was ingelicht, had zij bij de afweging om al
dan niet gebruik te maken van de FPU-regeling het gegeven kunnen
betrekken dat zij dan aangewezen zou zijn op een - veel duurdere -
particuliere ziektekostenverzekering. Bovendien had zij, als zij tijdig
op de hoogte was gesteld, ervoor kunnen kiezen zich voorafgaand aan haar
ontslag als ambtenaar nog aan te melden als deelnemer aan de IZA
Nederland-regeling, welke deelname dan na haar ontslag zou zijn
voortgezet. Volgens appellante heeft gedaagde aldus het
rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Daaraan zou de consequentie moeten
worden verbonden dat gedaagde de medeverzekering in de verplichte
Zfw-verzekering van haar echtgenoot per 1 augustus 2001 dient te
continueren.
De Raad is van oordeel dat het beroep van appellante niet slaagt.
Er is - daargelaten dat een dergelijke gedragslijn op zichzelf wenselijk
zou zijn - geen geschreven of ongeschreven rechtsregel noch een algemeen
rechtsbeginsel aan te wijzen op grond waarvan op gedaagde in algemene
zin de verplichting zou rusten haar verzekerden te informeren over een
wetswijziging als hier aan de orde. Er is geen grond om te oordelen dat
dit in het geval van appellante anders zou zijn. Hoewel te betreuren
valt dat gedaagde eerst na ontvangst van het rondschrijven van het
College voor zorgverzekeringen van 21 maart 2001 ertoe is overgegaan
haar verzekerdenbestand te controleren, kan gedaagde daarom rechtens
geen verwijt worden gemaakt van de nadelige gevolgen die voor appellante
uit de beëindiging van de medeverzekering in de verplichte
Zfw-verzekering van haar echtgenoot zijn voortgevloeid. De Raad merkt
daarbij nog op dat het op de weg van appellante had gelegen om zich,
voorafgaande aan haar beslissing om al dan niet van de FPU-regeling
gebruik te maken, tot gedaagde te wenden met het verzoek om te bezien of
daaruit consequenties voor haar Zfw-(mede)verzekering zouden
voortvloeien. Dat heeft appellante echter niet, althans niet tijdig,
gedaan. Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is om gedaagde
gehouden te achten de medeverzekering van appellante in de
Zfw-verzekering van haar echtgenoot, in strijd met de wet, te
continueren.
Dit betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag van € 322,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het in hoger beroep betaalde
griffierecht van € 82,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|