|
Uitspraak
02/5103 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
[gedaagde], wettelijk vertegenwoordigd door L.A. Trouerbach, wonende te
[woonplaats].
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Almelo op 26
augustus 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Bij brief van 5 november 2003 heeft appellant de Raad nog een kopie van
een voorbeeld van een eetapparaat toegezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 10 december 2003, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De behandelend kinderarts heeft ten behoeve van [gedaagde] op 28 maart
2001 een aanvraag ingediend voor vergoeding van Habermannspenen.
Bij primair besluit van 2 maart 2001 heeft appellant gedaagde
medegedeeld dat de nota's voor een Habermannfles en Habermanspenen niet
voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de betreffende hulpmiddelen
volgens appellant niet tot het verstrekkingenpakket (van de
Ziekenfondswet en de AWBZ) behoren.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door appellant bij het
bestreden besluit van 7 augustus 2001 ongegrond verklaard. Aan dat
bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat de gevraagde
speciale Habermannspenen, en ook spenen in het algemeen, niet
uitdrukkelijk vermeld worden in de Regeling Hulpmiddelen 1996 (hierna:
de Regeling). Voorts is appellant van mening dat een Habermannspeen niet
is aan te merken als een hulpmiddel voor het toedienen van voeding als
bedoeld in artikel 24 van de Regeling.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
"Patiλnten bij wie normale voeding om enigerlei reden ongewenst of
onmogelijk is geworden, zijn aangewezen op een alternatieve wijze van
voeden. De Habermannspeen moet gezien worden als een hulpmiddel dat
specifiek bestemd is voor het toedienen van voeding. Zonder de speen kan
niet in de eerste levensbehoefte van eiser, vanwege diens schisis,
worden voorzien. Verweerder heeft aangegeven dat de speen geen
eetapparaat is omdat dergelijke apparaten de beperkingen in het gebruik
van armen en handen compenseren. Anders dan verweerder is de rechtbank
van oordeel dat de Habermannspeen als een eetapparaat in de zin van
artikel 24, lid 1 onder d van de Regeling moet worden aangemerkt. Voor
een beperktere uitleg zoals verweerder die voorstaat geeft de tekst van
de Regeling geen aanknopingspunt. Het beroep is derhalve gegrond en het
bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met
de wet."
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank.
Appellant is van opvatting dat het door gedaagde gevraagde hulpmiddel,
gelet op de toelichting op artikel 24 van de Regeling, niet aangemerkt
kan worden als een eetapparaat in de zin van de Regeling. Overigens is
appellant van mening dat met een kleine aanpassing aan de reguliere
speen hetzelfde effect bereikt kan worden als met de Habermannspeen.
Anders dan de rechtbank is de Raad alles in aanmerking genomen tot het
oordeel gekomen dat het gevraagde hulpmiddel (Habermannspenen en
Habermannfles) niet aangemerkt kan worden als een eetapparaat of een
ander hulpmiddel voor het toedienen van voeding als aangegeven in
artikel 24 van de Regeling. Voor dat oordeel heeft de Raad voldoende
steun gevonden in de tekst van en de toelichting op (met name het eerste
lid, onderdeel d van) artikel 24 van de Regeling. Met name uit de
toelichting blijkt dat het moet gaan om een eetapparaat dat bestaat uit
een onderstel (frame aandrijfgedeelte en lepelarm) waarop een bord kan
worden verplaatst. Van een dergelijk apparaat is in dit geval geen
sprake.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep doel treft, zodat
de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het
inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. C.G.M. van
Rijnberk en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|