|
Uitspraak
02/2977 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen U.A, gevestigd
te Breda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.F.J. van den Hoek, advocaat te Spijkenisse,
op de bij het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april
2002, reg.nr. ZFW 01/2651.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 februari 2004, waar appellant
niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. T. Donga en drs. A. Veerman, jurist respectievelijk medisch adviseur
in dienst van gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
De plastisch chirurg M.I.M. Schermer Voest heeft op 14 maart 2001 ten
behoeve van appellante een machtiging gevraagd voor een
plastisch-chirurgische behandeling in de vorm van borstvergroting. Op
deze aanvraag heeft hij melding gemaakt van psychische problematiek.
Bij het primaire besluit van 2 mei 2001 heeft gedaagde overeenkomstig
het advies van haar medisch adviseur Veerman de aanvraag afgewezen.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 23 oktober 2001 in overeenstemming met het advies
van het College voor zorgverzekeringen van 15 oktober 2001 ongegrond
verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake is
van afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare
functiestoornissen of van verminkingen als gevolg van ziekte, ongeval of
geneeskundige verrichting, zodat niet is voldaan aan de
indicatievereisten die zijn gesteld in artikel 2 van de Regeling
medisch-specialistische hulp Ziekenfondswet (hierna: de Regeling).
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij
de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling bestaat slechts
aanspraak op behandeling van plastisch-chirurgische aard indien de
behandeling strekt tot correctie van afwijkingen in het uiterlijk die
gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen.
Appellante heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat zij
op grond van deze bepaling aanspraak heeft op de aangevraagde
behandeling. Zij stelt uit schaamte voor haar kleine borsten psychische
klachten te hebben ontwikkeld, waardoor bij haar lichamelijke klachten
als slaap- en eetstoornissen zijn ontstaan.
Met ingang van 1 februari 2000 is de toepasselijke regelgeving zodanig
gewijzigd dat psychisch lijden als gevolg van een afwijking in het
uiterlijk geen indicatie meer vormt voor een aanspraak op
plastisch-chirurgische behandeling die strekt tot correctie van die
afwijking. Op grond hiervan ziet de Raad evenals de rechtbank geen
aanleiding voor oprekking van het indicatievereiste "afwijkingen in
het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen"
in de door appellante voorgestane zin. Hierdoor zou immers psychisch
lijden feitelijk weer als grondslag fungeren voor aanspraak op
borstcorrectie. Nu de door appellante gestelde lichamelijke klachten
geen rechtstreeks verband houden met de toestand van haar borsten, kan
zij - nog daargelaten of hier sprake is van een afwijking in het
uiterlijk - aan de hiervoor weergegeven bepaling geen aanspraak op
borstcorrectie ontlenen.
Appellantes grief inzake onzorgvuldigheid van het onderzoek van
gedaagdes medisch adviseur slaagt niet. In het licht van de
indicatievereisten was, gezien haar klachten, een verdergaand onderzoek
dan feitelijk heeft plaatsgevonden niet noodzakelijk.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17
maart 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
|
|