|
Uitspraak
02/6194 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Agis Zorgverzekeringen (voorheen: ZAO
Zorgverzekeringen) U.A., gevestigd te Amersfoort, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30
oktober 2002, reg.nr. 01/4296 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 maart 2004, waar appellant in
persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door R. Out en R. Scholten, beiden werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting,
uit van de volgende feiten.
Appellant was verplicht verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw).
Vanaf 28 maart 2001 was de partner van appellant medeverzekerd in de
verplichte verzekering van appellant. Per 1 januari 2001 overschreed het
salaris van appellant de zogeheten loongrens. De werkgever van appellant
heeft - daarom - vanaf de maand januari 2001 geen Zfw-premie meer
ingehouden op het salaris van appellant. Op de salarisstrook over
januari 2001 is ook geen inhouding Zfw-premie meer vermeld. Appellant
heeft aan gedaagde geen mededeling gedaan van de overschrijding van de
loongrens. Op 26 juni 2001 heeft gedaagde echter van de werkgever van appellant
terzake bericht ontvangen.
Vervolgens heeft gedaagde bij het primaire besluit van 3 juli 2001 aan
appellant over de periode van 1 januari 2001 tot 26 juni 2001 een bedrag
van f 2.062,79 aan "vervangende premie" (schadevergoeding als
bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Zfw) in rekening gebracht,
omdat appellant in die periode en zijn partner in de periode van 28
maart 2001 tot 26 juni 2001 geen recht op inschrijving als
Zfw-verzekerde hebben gehad wegens overschrijding van de loongrens per 1
januari 2001.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 29 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep ten eerste aangevoerd dat hij in juni
2002 is verhuisd van Amsterdam naar [woonplaats], dat hij kort daarna
een adreswijziging aan de rechtbank heeft gezonden, maar dat hij -
niettemin - geen uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) heeft ontvangen om op een zitting van de
rechtbank te verschijnen.
Voorts heeft appellant, evenals in eerste aanleg, naar voren gebracht
dat hij zich er niet van bewust is geweest dat hij in de periode van
januari 2001 tot juli 2001 iets onrechtmatigs deed en dat het feit dat
vanaf januari 2001 geen inhouding Zfw-premie meer op zijn salarisstrook
stond vermeld hem niet was opgevallen. Tevens heeft appellant aangevoerd
dat gedaagde zich ten onrechte passief heeft opgesteld en dat de
opgelegde schadevergoeding onevenredig hoog is.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bij de gedingstukken bevindt zich een op 19 juli 2002 bij de rechtbank
ontvangen adreswijziging van appellant. De rechtbank heeft echter de op
2 augustus 2002 verzonden uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56 van de
Awb, voor de zitting op 17 september 2002 niet aan het nieuwe adres van
appellant gezonden. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat
appellant niet ter zitting is verschenen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak wat appellant
betreft in strijd met artikel 8:56 van de Awb tot stand is gekomen,
zodat deze dient te worden vernietigd.
Appellant heeft desgevraagd verklaard geen prijs te stellen op
terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. Nu daarvoor ook overigens
geen aanleiding is, zal de Raad - zelf opnieuw recht doende - vervolgens
beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand houdt. Hij overweegt
daaromtrent het volgende.
Op grond van artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering (Besluit) was appellant verplicht gedaagde
terstond in kennis te stellen van feiten of omstandigheden welke tot beλindiging
van de inschrijving als verzekerde of medeverzekerde leiden. Appellant
heeft aan gedaagde geen mededeling gedaan van de overschrijding van de
loongrens per 1 januari 2001. Gelet op de hoogte van zijn salaris had
het op de weg van appellant gelegen bij gedaagde dan wel bij zijn
werkgever inlichtingen in te winnen omtrent een mogelijke overschrijding
van de loongrens. Appellant heeft dat echter nagelaten en heeft ook geen
contact met gedaagde opgenomen toen hij op zijn salarisstrook van
januari 2001 had kunnen zien dat op zijn salaris geen Zfw-premie meer
werd ingehouden. Dat dit appellant niet is opgevallen, komt voor zijn
rekening. Of appellant al dan niet door zijn werkgever reeds in november
2000 op de hoogte is gebracht van het gegeven dat hij per 1 januari 2001
de loongrens zou overschrijden (hetgeen gedaagde heeft gesteld en
appellant heeft betwist), kan in het midden blijven. Het gaat hier
immers om de eigen verantwoordelijkheid van appellant. Gedaagde heeft
zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant de ingevolge
artikel 14, derde lid, van het Besluit op hem rustende verplichting niet
is nagekomen.
Hieruit volgt dat gedaagde bevoegd was aan appellant, met toepassing van
artikel 5, vierde lid, van de Zfw, artikel 22, eerste lid, van het
Besluit en artikel 3 van het Besluit nadere regeling
ziekenfondsverzekering, een schadevergoeding op te leggen en deze vast
te stellen op het - forfaitair bepaalde - bedrag van f 2.062,79. In
hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten
gevonden voor het oordeel dat gedaagde in redelijkheid niet heeft kunnen
besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.
Dit betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Van kosten van appellant waarop een veroordeling in de proceskosten (in
hoger beroep) betrekking kan hebben, is de Raad ten slotte niet
gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in hoger beroep betaalde
griffierecht van 82,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. R.H. de
Bock en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|