|
Uitspraak
02/3219 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie voor bezwaarschriften van de stichting Centrale
Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 18 april 2000 heeft gedaagde de aanvraag van
appellante, strekkend tot opname in het Nederlands Astma-centrum Davos
(hierna: NAD) in het kader van de Ziekenfondswet (hierna: Zfw),
afgewezen.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van
16 november 2000 (het bestreden besluit), overeenkomstig het advies van
het college voor Zorgverzekeringen van 13 november 2000, ongegrond
verklaard.
Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank Breda.
In eerste aanleg zijn vanwege appellante onder meer brieven ingezonden
van de verwijzend longarts J.M.E. Thijs-van Nies van 20 mei 1997, 17
december 1997 en 14 december 2000, een namens appellante aan die arts
gericht verzoek van 23 augustus 2001 om haar reactie kenbaar te maken
als zij het oneens is met het in opdracht van de rechtbank door de
longarts H.Ch. Gooszen uitgebracht deskundigenadvies van 23 juli 2001,
een brief van de gemachtigde van appellante d.d. 30 november 2001 waarin
wordt gemeld dat de verwijzend longarts geen aanleiding ziet tot het
geven van een reactie als aan haar verzocht, alsmede een brief van drs.
A.J. Oortwijn, psychotherapeut, van 25 januari 2001. Van de zijde van
gedaagde zijn - onder meer - aanvullende bevindingen ingezonden van haar
medisch adviseur P.J. Lankhuijzen.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 21 mei 2002, reg.nr. 00/1995
ZFW (de aangevallen uitspraak) - met bepalingen omtrent griffierecht en
proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand blijven.
Namens appellante heeft mr. P.A.M.M. Dingemans, advocaat te Ulvenhout,
tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld en zich op de daartoe bij het
beroepschrift aangevoerde gronden gekeerd tegen het in de aangevallen
uitspraak neergelegde inhoudelijk oordeel omtrent het bestreden besluit.
Namens gedaagde heeft mr. N.J.H. Dams-van der Heijden, werkzaam bij de
Afdeling Juridische zaken van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars
groep ziekenfonds, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 april 2004. Appellante heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. Dingemans en gedaagde door mr.
Dams-van der Heijden.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst, mede gelet op de gedingstukken, voor een weergave van
de relevante feiten en regelgeving naar de aangevallen uitspraak.
Namens appellante is aan gedaagde toestemming verzocht voor
geneeskundige behandeling en opneming in het NAD. Bij het bestreden
besluit heeft gedaagde vastgehouden aan de in het primaire besluit
neergelegde afwijzing van dat verzoek op de grond dat er geen objectief
aantoonbare indicatie is voor opname in Davos.
Dat standpunt is met name gebaseerd op de bevindingen van de medisch
adviseur A.J.G.A.C. Prince van 11 januari 2000 en van de Centrale
Indicatiecommissie (CIC) van 13 april 2000, in samenhang met aanwezige
medische gegevens terzake van eerdere aanvragen van appellante.
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, in het spoor
van de door haar geraadpleegde deskundige Gooszen, geoordeeld dat de in
geding zijnde afwijzing - inhoudelijk bezien - op voldoende gronden berust. Daarbij is onder
meer overwogen dat uit het onderzoek van die deskundige blijkt dat de
invulling van de bij de aanvraag behorende checklist niet voldoende is
onderbouwd door de medische situatie van appellante.
In hoger beroep keert appellante zich op dezelfde als de in eerste
aanleg aangevoerde gronden tegen dit oordeel. Daarbij is verwezen naar
de onder I vermelde mededelingen van de daar genoemde verwijzende
longarts.
De Raad overweegt als volgt.
Indien een verzekerde krachtens de Zfw een aanspraak tot gelding wil
brengen op medisch-specialistische zorg die gepaard gaat met opneming in
een ziekenhuis, was ten tijde in geding ingevolge artikel 12 van het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (hierna: het Besluit)
juncto artikel 5, eerste lid, van de Regeling medisch-specialistische
zorg Ziekenfondswet (hierna: de Regeling) voorafgaande toestemming
("machtiging") vereist. De bevoegdheid om al dan niet
toestemming te verlenen is opgedragen aan het ziekenfonds.
In de toepasselijke regelgeving bij en krachtens de Zfw, daaronder
begrepen de artikelen 2, 12, en 14a van het Besluit, ligt naar het
oordeel van de Raad voorts besloten dat gedaagde bij de haar in artikel
5, eerste lid, van de Regeling opgedragen besluitvorming in acht dient
te nemen wat in de kring van beroepsgenoten gebruikelijk is en wat uit
een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijze aangewezen is.
Voor het realiseren van de in geding zijnde - veelal duurdere -
verstrekkingen waarvoor het toestemmingsvereiste geldt, is het in eerste
instantie aan gedaagde om, mede gelet op de aanvraag en de toelichting
van de behandelend specialist, met inachtneming van de in voormelde
bepalingen besloten liggende criteria zich dienaangaande een oordeel te
vormen en op basis daarvan een besluit te nemen. Daarbij vormt de
zienswijze van de behandelend arts die de aanvraag deed (slechts) een
van de in aanmerking te nemen factoren.
Mede teneinde eenheid te bevorderen in besluitvorming aangaande opname
NAD hanteren ziekenfondsen, waaronder gedaagde, indicatiecriteria die
zijn ontleend aan het rapport "Indicatiestelling voor behandeling
van astmapatiënten met astma en CPOD in het hooggebergte" van het
voormalige College Begeleidingsorgaan voor Intercollegiale Toetsing
(hierna: CBO). In dit rapport zijn de ten tijde in geding algemeen
erkende medisch-wetenschappelijke overwegingen neergelegd ten aanzien
van de medische noodzaak van behandeling in een ziekenhuis in het
hooggebergte. Daaruit komt naar voren dat astma, onder meer door middel
van een derde lijnsvoorziening in bijvoorbeeld een astmacentrum, in
Nederland in het algemeen goed te behandelen is. Eerst als zo'n
behandeling hier te lande - buiten toedoen van de verzekerde - niet is
geslaagd of naar objectief medische maatstaf bij voorbaat onvoldoende
effectief moet worden geacht, kan een dergelijk moeilijk behandelbare
allergische astma op basis van met name huisstofmijt een indicatie
vormen voor een opname in Davos.
De medisch adviseurs van gedaagde, drs. Prince - die ten aanzien van
appellante ook reeds eerder gefundeerde rapporten d.dis 26 juni 1996, 18
mei 1998, respectievelijk medio mei 1999 en 25 mei 1999 heeft
uitgebracht - en drs. Lankhuijzen, hebben appellantes aanvraag en de
daarop gegeven toelichtingen meerdere malen ter toetsing voorgelegd aan
de door de zorgverzekeraars in overleg met de beroepsgroep van
longartsen en het NAD ingestelde (toenmalige) Centrale
Indicatiecommissie Davos (CIC). Dit adviesorgaan, samengesteld deels uit
longartsen uit het veld, deels uit medisch adviseurs van de
zorgverzekeraars, is met inachtneming van voormelde richtlijnen van het
CBO gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat er in het geval van
appellante ten tijde in geding naar objectief medische maatstaf geen
indicatie was voor behandeling in het NAD.
De medisch adviseur(s) van gedaagde, respectievelijk het College voor
zorgverzekeringen alsmede de door de rechtbank geraadpleegde deskundige
Gooszen hebben de conclusie van het CIC onderschreven. De verwijzend
longarts heeft, niettegenstaande het daartoe uitdrukkelijk strekkende
verzoek vanwege appellante, het advies van de CIC noch de
onderzoeksbevindingen van de deskundige Gooszen inhoudelijk gemotiveerd
bestreden.
De Raad heeft in de voorhanden gegevens, daaronder begrepen de adequaat
onderbouwde adviezen van gedaagdes medisch adviseur Prince en het -wat
de eindconclusie betreft - daarmee geheel overeenstemmende rapport van
de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige, geen
aanknopingspunten kunnen vinden voor een andersluidend oordeel. Dat
klemt - uiteraard - te meer nu appellante ten tijde in geding nog immer
niet was gestopt met roken en haar woning (nog) niet afdoende was
gesaneerd.
Naar in het vorengaande ligt besloten onderschrijft de Raad het
inhoudelijk oordeel van de rechtbank.
Gelet hierop komt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank de
rechtsgevolgen van het - vernietigde - bestreden besluit terecht in
stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|