|
Uitspraak
02/1641 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Stichting Ziekenfonds VGZ, appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Maastricht van 29 januari 2002, nr. AWB 01/61 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. G.J.J.A. van Zeijl, advocaat te Maastricht,
een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 16 december 2002 heeft gedaagde verzocht om versnelde
behandeling van het geding, welk verzoek bij brief van 11 februari 2003
door de Raad is afgewezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juni 2003, waar
voor appellante zijn verschenen mr. M.J. Bouts en mr. H.A.J. van de
Laar, werkzaam bij de Stichting Ziekenfonds VGZ, terwijl gedaagde in
persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Van Zeijl
voornoemd.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 26 juni 2003 heeft de Raad aan appellante verzocht een
nader aangeduid stuk over te leggen, alsmede om een aantal vragen te
beantwoorden.
Bij brief van 15 juli 2003 is door appellante aan dit verzoek voldaan.
Desgevraagd is namens gedaagde op de brief van appellante gereageerd en
zijn nadere stukken ingezonden.
Bij brief van 13 februari 2004 is aan partrijen medegedeeld dat op de
zitting het arrest van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen d.d. 13 mei 2003 (zaak nr. C-358/99) inzake V.G. Müller-Fauré en E.M.M. van Riet aan de orde zal
worden gesteld. Bij brief van 25 maart 2004 is hierop, namens gedaagde,
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 2004, waar
voor appellante is verschenen mr. M.J. Bouts, voornoemd, terwijl
gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
In het kader van het project 'Zorg op maat' in de Euregio Maas-Rijn,
heeft gedaagde bij appellante een aanvraag ingediend voor een operatieve
behandeling van haar linker heup in het ziekenhuis Oost-Limburg te
Lanaken (België). Als reden voor haar verzoek heeft gedaagde aangegeven
de kortere wachttijd in Belgische ziekenhuizen, het advies van de
specialist en het feit dat zij meer tijd en aandacht verwachtte voor
haar gezondheids-probleem. Desgevraagd heeft gedaagde een verwijsbrief
van haar huisarts ingezonden. Daarin wordt onder meer vermeld dat de
wachttijden in het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) voor een
heupbehandeling extreem lang zijn. Gedaagde wil niet zo lang doorlopen
met haar pijn.
Appellante heeft daarop aan gedaagde een E 112 formulier doen toekomen
voor geneeskundige behandeling in Lanaken in de periode van 1 september
1999 tot en met 30 november 1999. In de begeleidende brief is opgemerkt
dat gedaagde er rekening mee moet houden dat eventuele wachtgelden bij
haar in rekening worden gebracht. Deze kosten kunnen niet bij appellante
gedeclareerd worden.
Na de behandeling heeft gedaagde aan appellante verzocht de door het
Ziekenhuis Oost-Limburg te Lanaken bij haar in rekening gebrachte kosten
van de behandeling, te weten 109.986 BF (€ 2.726,50), te vergoeden.
Bij brief van 28 januari 2000 heeft appellante aan gedaagde laten weten
dat de door het ziekenhuis aan appellante in rekening gebrachte
wettelijke eigen bijdrage niet voor vergoeding in aanmerking komt. Deze
eigen bijdrage is niet opgenomen in de Basisverzekering en/of
Aanvullende verzekering.
Bij brieven van 29 januari en 23 februari 2000 is door en namens
gedaagde tegen deze beslissing bezwaar aangetekend. Aangegeven wordt dat
aan gedaagde niet is medegedeeld dat zij een eigen bijdrage verschuldigd
zou zijn. Een dergelijke bijdrage is ook niet aan de orde in geval van
behandeling in Nederland.
Het College voor zorgverzekeringen heeft bij advies van 21 november 2000
geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Opgemerkt wordt dat door
appellante is aangegeven dat de toestemming is verleend op grond van
artikel 22 van de EEG-verordening 1408/71 (hierna: de Verordening). Het
College is met appellante van oordeel dat gedaagde, nu de Belgische
wettelijke regeling van toepassing is, in beginsel de in België
geldende bijdragen ('remgelden') moet betalen. In casu is gedaagde niet
zodanig onjuist of onvolledig voorgelicht dat deze hieraan het
gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat de behandeling zonder een
daarvoor geldende bijdrageplicht zou plaatsvinden.
Bij besluit van 14 september 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellante het bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep is namens gedaagde onder meer betoogd dat artikel 22 van de
Verordening zich niet ertegen verzet dat de kosten van de in een andere
lidstaat verkregen diensten worden vergoed volgens de tarieven van de
bevoegde lidstaat. Verder wordt opgemerkt dat het bestreden besluit
evident een rem zet op het vrij verkeer van diensten. Het besluit is
derhalve in strijd met dwingend Europees recht, aldus de gemachtigde.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Uit het arrest van het
Hof van 12 juli 2001, nr. C-368/98 (Van Braekel), gepubliceerd in RZA 2001/117,
leidt de rechtbank af dat uit artikel 22 van de Verordening, in
samenhang met artikel 59 van het EG-verdrag, voortvloeit dat nu de
vergoeding volgens het Belgische stelsel lager is dan waarop gedaagde
recht zou hebben gehad als zij in Nederland zou zijn behandeld,
appellante een aanvullende vergoeding ten belope van dat verschil dient
te betalen.
In hoger beroep is namens appellante in de kern betoogd dat de rechtbank
uitsluitend tot haar oordeel had kunnen komen indien zij had vastgesteld
dat een nationale wettelijke regeling appellante verplichtte om tot
volledige vergoeding over te gaan. Alleen een toestemming op basis van
artikel 9, vierde lid, van de Ziekenfondswet (Zfw) en artikel 1 van de
Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering (Rhbz) brengt mee
dat tot volledige vergoeding wordt overgegaan. In casu gaat het echter
om een toestemming op basis van artikel 22 van de Verordening, die,
blijkens het arrest van het Hof in de zaak Van Braekel, noch
voorschrijft noch belet dat een aanvullende vergoeding wordt betaald.
Appellante concludeert dat zij dan ook niet gehouden is de eigen
bijdrage die de verzekerde in verband met de operatie in België heeft
moeten betalen te vergoeden. Opgemerkt wordt nog dat de kosten in
Nederland van de operatie die gedaagde heeft ondergaan lager zijn dan
het bedrag dat door appellante aan het ziekenhuis in België is vergoed.
Daaruit volgt, aldus appellante, dat ook al wordt uitgegaan van de
uitleg die de rechtbank geeft aan het arrest Van Braekel, een
aanvullende vergoeding ten belope van het verschil tussen de kosten in
België en Nederland niet aan de orde is. Appellante heeft al meer
betaald dan de operatie in Nederland zou hebben gekost.
Namens gedaagde is onder meer betoogd dat door appellante de toestemming
als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Zfw juncto artikel 1 van de
Rhbz geacht moet worden te zijn verleend. Appellante kan toch niet om de
Zfw heen. Zoals appellante zelf erkent dient in dat geval een volledige
vergoeding van kosten plaats te vinden, aldus de gemachtigde.
Ter zitting van de Raad op 20 juni 2003 is namens appellante verklaard
dat er in het onderhavige geval geen medische noodzaak was voor een
behandeling in het buitenland. Zou dat wel het geval zijn geweest dan
zou de toestemming op grond van artikel 9, vierde lid, van de Zfw en
artikel 1 van de Rhbz zijn verleend, in welk geval geen beperking zou
zijn gesteld aan de vergoeding.
Na heropening van het onderzoek heeft appellante, naar aanleiding van
een vraag van de Raad, verklaard dat indien appellante aan gedaagde de
toestemming voor behandeling in België niet had mogen weigeren, van de
door gedaagde ingediende rekening de 'remgelden' ad € 300,82 zouden
zijn vergoed. Het resterende bedrag ad € 2.425,66 zou in geen geval
zijn vergoed, aangezien deze kosten met name een gevolg zijn van de
omstandigheid dat gedaagde gekozen heeft voor een eerste klas opname en
behandeling. Naar aanleiding van een vraag van de Raad over de door
gedaagde genoemde wachttijd in het AZM destijds van ruim één jaar,
wordt opgemerkt dat dienaangaande door gedaagde geen gegevens zijn
overgelegd. Verder wordt aangegeven dat in 1999 sporadisch gebruik werd
gemaakt van het instrument wachtlijstbemiddeling. Door appellante zijn
geen gegevens gearchiveerd over eventuele wachtlijsten uit deze periode
Uit door gedaagde, desgevraagd, overgelegde schriftelijke bescheiden van
het ziekenhuis Oost-Limburg, blijkt dat gedaagde destijds voor een privé-kamer
had gekozen. Onder die bescheiden bevindt zich een door gedaagde
ondertekend formulier, waaruit blijkt van de (extra) kosten verbonden
aan de keuze voor een éénpersoonskamer. Namens gedaagde is hieromtrent
onder meer gesteld dat zij zich niet bewust is geweest van de gevolgen
van haar keuze. Daarnaast wordt opgemerkt dat niet de gehele eigen
bijdrage valt terug te voeren tot dergelijke kostenposten. Uit de
bijgevoegde brief van het ziekenhuis Oost-Limburg blijkt dat het bedrag
van het persoonlijk aandeel van de factuur, indien gedaagde op een
gemeenschappelijke kamer zou hebben gelegen, € 1.403,97 zou zijn
geweest. Namens gedaagde is verder een brief overgelegd van prof. Dr.
R.G.T. Geesink, werkzaam als orthopedisch chirurg in het AZM, waaruit
naar voren komt dat in december 1999 voor een heupoperatie in het AZM
een wachttijd gold van rond de 10 à 11 maanden.
De Raad overweegt als volgt.
In deze procedure staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de
weigering van appellante om gedaagde de, aan haar door het ziekenhuis
Oost-Limburg te Lanaken, in rekening gebrachte kosten ad € 2.726,50
volledig te vergoeden, in rechte stand kan houden.
Daarbij heeft het geschil tussen partijen in hoger beroep zich
toegespitst op de vraag of de weigering deze kosten volledig te
vergoeden in strijd is met de artikelen 49 en 50 EG, welke bepalingen
het vrij verkeer van diensten binnen de Gemeenschap waarborgen.
In de eveneens op 26 maart 2004 door de Raad ter zitting behandelde
zaken Müller-Fauré (nr. 97/8115 ZFW) en Van Riet (nr. 97/10642 ZFW)
heeft de Raad de navolgende vragen aan het Hof van Justitie EG
voorgelegd:
"1. Moeten de artikelen 59 en 60 EG-verdrag (thans: 49
en 50 EG) aldus uitgelegd worden dat daarmee in beginsel onverenigbaar
is een bepaling als artikel 9, vierde lid, van de Zfw, juncto artikel 1
van de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering, voor
zover daarin is bepaald dat een ziekenfondsverzekerde van het
ziekenfonds voorafgaande toestemming nodig heeft om zich te mogen wenden
tot een persoon of inrichting buiten Nederland, met wie het ziekenfonds
geen overeenkomst heeft gesloten, voor het geldend maken van zijn recht
op verstrekkingen?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord,
vormen de hiervoor op blz. 8 en 9 genoemde doelstellingen van het Nederlandse naturastelsel
dan een dwingende reden van algemeen belang waardoor een belemmering van
het fundamentele beginsel van het vrij verrichten van diensten
gerechtvaardigd kan zijn.
3. Is het voor de beantwoording van deze vragen nog van
belang of de behandeling geheel of ten dele betrekking heeft op
intramurale medische zorg?"
In zijn arrest van 13 mei 2003 (zaak C-385/99) heeft het Hof deze vragen
als volgt beantwoord:
"De artikelen 59 EG-verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) en
60 EG-verdrag (thans artikel 50 EG) moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat
als in de hoofdgedingen aan de orde is, die enerzijds de vergoeding van
zorg die in een ziekenhuis in een andere dan de lidstaat van vestiging
van het ziekenfonds waar de verzekerde staat ingeschreven, is verleend
door een zorgverlener met wie dit ziekenfonds geen overeenkomst heeft
gesloten, afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van dit
ziekenfonds, en anderzijds voor deze toestemming als voorwaarde stelt
dat deze voor de medische behandeling van de verzekerde vereist is. De
toestemming mag echter alleen op deze grond worden geweigerd wanneer bij
een instelling waarmee het ziekenfonds een overeenkomst heeft gesloten,
tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling
kan worden verkregen.
Daarentegen verzetten de artikelen 59 en 60 van het Verdrag zich tegen
deze wettelijke regeling, voorzover daarin de vergoeding van extramurale
zorg die in een andere lidstaat is verleend door een persoon of een
instelling waarmee het ziekenfonds waarbij de verzekerde staat
ingeschreven, geen overeenkomst heeft gesloten, afhankelijk wordt
gesteld van de voorafgaande toestemming van dit ziekenfonds, ook al kent
de nationale wetgeving een regeling van verstrekkingen in natura volgens
welke de verzekerden geen recht hebben op vergoeding van de kosten die
zij voor medische verzorging hebben gemaakt, maar op de verzorging zelf,
die gratis wordt verleend."
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de
medische behandelingen welke gedaagde in België heeft ondergaan moeten
worden aangemerkt als intramurale zorg.
Ten aanzien van deze zorg heeft het Hof in het arrest van Müller-Fauré/Van
Riet, onder verwijzing naar het arrest van 12 juli 2001, C-157/99,
Smits-Peerbooms (RSV 2001, katern 4), overwogen dat het
toestemmingsvereiste in het Nederlandse stelsel voorkomt als een zowel
noodzakelijke als redelijke maatregel, gelet op de overwegingen die aan
het Nederlandse overeenkomstenstelsel ten grondslag liggen. Daarbij is
ten eerste verwezen naar de planning die beoogt te garanderen dat de
ziekenhuizen op het grondgebied van de betrokken lidstaat een
toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van
kwaliteitszorg bieden. Ten tweede is gewezen op het streven om de kosten
te beheersen en om verspilling van financiële en technische middelen en
personeel zoveel mogelijk te vermijden. Het Hof heeft daaraan echter het
volgende toegevoegd:
"83. Ofschoon het gemeenschapsrecht zich dus in beginsel niet tegen
een stelsel van voorafgaande toestemming voor deze categorie
verstrekkingen verzet, is het niettemin noodzakelijk dat de voorwaarden
waaronder die toestemming wordt verleend, hun rechtvaardiging vinden in
eerdergenoemde dwingende redenen en voldoen aan het in punt 68 van het
onderhavige arrest in herinnering gebrachte evenredigheidsvereiste.
(...)
85. Wil een stelsel van voorafgaande administratieve toestemming dus
gerechtvaardigd zijn, ook al derogeert het aan een dergelijke
fundamentele vrijheid, dan moet het zijn gebaseerd op objectieve
criteria, die niet-discriminerend en vooraf kenbaar zijn, opdat een
grens wordt gesteld aan de beoordelingsvrijheid van de nationale
autoriteiten en willekeur wordt voorkomen (arrest Analir e.a., punt 38).
Een dergelijk stelsel van voorafgaande administratieve toestemming moet
bovendien berusten op gemakkelijk toegankelijke procedureregels, die de
betrokkenen waarborgen dat hun aanvraag binnen een redelijke termijn
objectief en onpartijdig zal worden behandeld, terwijl eventuele
weigeringen bovendien in het kader van een beroep in rechte moeten
kunnen worden betwist (arrest Smits en Peerbooms, punt 90).
(...)
89. De in de onderhavige regeling gestelde voorwaarde dat de behandeling
noodzakelijk moet zijn, kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van
artikel 59 van het Verdrag, voorzover zij aldus wordt uitgelegd dat de
toestemming om in een andere lidstaat een behandeling te ondergaan, uit
dien hoofde alleen mag worden geweigerd wanneer bij een instelling
waarmee het ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft
gesloten, tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende
behandeling kan worden verkregen (arrest Smits en Peerbooms, punt 103).
90. Teneinde te bepalen of bij een instelling waarmee het ziekenfonds van
de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten, tijdig een voor de patiënt
even doeltreffende behandeling kan worden verkregen, moeten de nationale
autoriteiten rekening houden met alle omstandigheden van het concrete
geval, door niet alleen de gezondheidstoestand van de patiënt op het
moment waarop de toestemming wordt gevraagd, en eventueel de mate van
pijn of de aard van de handicap van de patiënt, waardoor het
bijvoorbeeld onmogelijk of bijzonder moeilijk is beroepswerkzaamheden te
verrichten, maar ook diens antecedenten naar behoren in aanmerking te
nemen (zie in die zin arrest Smits en Peerbooms, punt 104).
(...)
92. Een weigering van voorafgaande toestemming die echter niet is
ingegeven door vrees voor verspilling of achteruitgang ten gevolge van
overcapaciteit van ziekenhuizen, maar uitsluitend door het feit dat er
op het nationale grondgebied wachtlijsten bestaan voor de behandeling in
een ziekenhuis, zonder dat rekening wordt gehouden met de concrete
omstandigheden die de medische toestand van de patiënt kenmerken, kan
geen gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van diensten
zijn. Uit de voor het Hof aangevoerde argumenten blijkt immers niet dat
een dergelijke wachttijd, los van zuiver economische overwegingen die op
zich geen belemmering van het grondbeginsel van het vrij verkeer van
diensten kunnen rechtvaardigen, noodzakelijk is om de bescherming van de
volksgezondheid te garanderen. Een te lange of abnormale wachttijd zou
integendeel de toegang tot een evenwichtig aanbod van intramurale
kwaliteitszorg juist beperken."
De Raad dient op grond van deze overwegingen te beoordelen of
appellantes weigering de volledige kosten van de medische behandeling in
België te vergoeden in strijd is met de artikelen 49 en 50 EG.
Hierbij zal de Raad allereerst ingaan op de vraag welke betekenis in het
licht van het vrij verkeer van diensten toegekend kan worden aan in een
lidstaat bestaande wachttijden of wachtlijsten voor een bepaalde
medische behandeling. De Raad leidt uit rechtsoverweging 92 van het
arrest af, dat de weigering van toestemming voor een behandeling in het
buitenland, ondanks het bestaan van wachttijden voor zo'n behandeling in
de eigen lidstaat, niet als een verboden belemmering van het vrij
verkeer van diensten kan worden beschouwd, zo lang het gaat om
wachttijden die noodzakelijk kunnen worden geacht voor een planning van
de gezondheidszorg welke beoogt een toereikende en permanente toegang te
garanderen tot een evenwichtig aanbod van kwaliteitszorg. Wanneer ten
aanzien van de wachttijden een verband als hiervoor bedoeld niet meer
aangetoond of aannemelijk gemaakt kan worden, kan de weigering om zo'n
behandeling in een andere lidstaat te laten verrichten, niet meer als
een gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van diensten
aangemerkt worden. De noodzaak om de bescherming van de volksgezondheid
te garanderen bestaat dan immers niet meer en de wachttijden zijn dan
ook niet meer nodig om leegloop en verspilling te vermijden. Een
weigering om ondanks een ongerechtvaardigde wachttijd toestemming te
verlenen voor een intramurale medische behandeling in een andere
lidstaat is volgens het Hof uitsluitend gebaseerd op een economische
doelstelling, welke niet als een rechtvaardiging voor de belemmering van
deze verdragsvrijheid aangemerkt kan worden.
Het vorenstaande dient er naar 's Raads oordeel in het algemeen toe te
leiden dat naarmate bestaande wachttijden langer zijn, er des te minder
gronden bestaan om een rechtvaardiging voor de belemmering van het vrije
verkeer van diensten aan te nemen. Indien een voor een goede planning en
ter voorkoming van leegloop en verspilling benodigde wachttijd in
betekenende mate wordt overschreden zal weigering van de gevraagde
toestemming niet gerechtvaardigd kunnen worden geacht, zelfs als op
grond van de gezondheidstoestand en de overige antecedenten van de patiënt
behandeling binnen afzienbare tijd niet noodzakelijk is.
Ten aanzien van de voor gedaagde in 1999 in het AZM geldende wachttijd
van ongeveer 10 tot 11 maanden voor een heupoperatie, welke termijn door
appellante niet is bestreden, is de Raad, mede gelet op de normen voor
aanvaardbare wachttijden in Nederland (de zogenaamde Treeknormen), welke
uitgaan van een aanzienlijk kortere wachttijd voor heupoperaties, van
oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake meer was van een
gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van diensten. Dit
betekent dat appellante op grond van de artikelen 49 en 50 EG aan
gedaagde de toestemming op grond van het bepaalde bij en krachtens de
Zfw niet had mogen weigeren.
Resteert de vraag welke gevolgen dit oordeel heeft voor de vergoeding
door appellante aan gedaagde van de in geschil zijnde, door appellante
als eigen bijdrage aangemerkte, kosten.
Ten aanzien van de hoogte van de door appellante te vergoeden kosten
merkt de Raad nog op dat uit rechtsoverweging 107 van het genoemde
arrest voortvloeit dat een lidstaat waar een naturastelsel geldt de
hoogte van de vergoedingen mag bepalen waarop patiënten die een
behandeling in een andere lidstaat hebben ondergaan, recht hebben, mits
deze bedragen berusten op objectieve, niet-discriminerende en vooraf
kenbare criteria. De Raad stelt vast dat bij of krachtens de
Ziekenfondswet geen regeling is getroffen als hiervoor bedoeld met
betrekking tot de hoogte van vergoedingen. Zolang de
Ziekenfondswetgeving een dergelijke regeling niet kent dienen naar ´s
Raads oordeel de integrale kosten verbonden van een medische behandeling
in een andere lidstaat, voorzover vallend binnen het
verstrekkingenpakket, vergoed te worden. Daarbij acht de Raad van belang
dat uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het vrij verkeer
van (medische) diensten voortvloeit dat bij een behandeling in een
andere lidstaat een vergoeding toegekend dient te worden als geldend in
de lidstaat waar de betrokkene verzekerd is. Dit uitgangspunt betekent
voor verstrekkingen in natura, dat zolang geen vergoedingenstelsel als
hiervoor bedoeld is ingevoerd, de verstrekking in andere lidstaten in
beginsel op dezelfde wijze als in Nederland, dus ook zonder - aan de
verstrekking gerelateerde - kosten voor betrokkene, verkregen moet kunnen
worden. In dit verband vraagt de Raad nog aandacht voor het Besluit
vergoeding kosten geneeskundige hulp in bijzondere omstandigheden, van
de Ziekenfondsraad van 21 december 1967, Stcrt. 1968, 18, op grond
waarvan onder omstandigheden in beginsel ook de kosten van een medische
behandeling in het buitenland vergoed kunnen worden.
In het onderhavige geval betekent dit naar het oordeel van de Raad dat
van de aan gedaagde in rekening gebrachte eigen bijdrage alleen die
kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, die niet aan de
heupoperatie als verstrekking in de zin van het Verstrekkingenbesluit
gerelateerd kunnen worden. Het gaat daarbij om de kosten die gedaagde
heeft gemaakt in verband met haar keuze voor een éénpersoonskamer. Dit
betreft € 297,47 (liggeld in verband met verpleging eerste klas) en
€ 1.025,06 (opslag honorarium wegens verpleging eerste klas), in
totaal € 1.322,53. De Raad wijst in dit verband ook op het schrijven
van 16 september 2003 van het ziekenhuis Oost-Limburg, waaruit blijkt
dat van het totale bij gedaagde in rekening gebrachte bedrag van €
2.726,48 een bedrag van in totaal € 1.403,97 niet samenhangt met
gedaagdes keuze voor een éénpersoonskamer.
De Raad hoeft, gezien het voorgaande, niet in te gaan op de vraag of
appellante, bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, een
onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 22 van de Verordening.
Naar het oordeel van de Raad kan een toestemming op grond van deze
bepaling niet leiden tot een verplichting tot vergoeding van een hoger
bedrag dan voorvloeit uit het bepaalde bij en krachtens de Zfw.
In hoger beroep heeft gedaagde haar in eerste aanleg naar voren
gebrachte grief gehandhaafd dat het volledige bedrag van € 2.726,48
door appellante dient te worden vergoed op grond van het
vertrouwensbeginsel.
De Raad kan gedaagde in dat betoog niet volgen. De Raad wijst erop dat
reeds ten tijde van de aanvraag door appellante aan gedaagde is
voorgehouden dat eventuele wachtgelden bij haar in rekening konden
worden gebracht. De Raad wijst er verder op dat gedaagde, voorafgaande
aan de behandeling in het ziekenhuis Oost-Limburg, door het ziekenhuis
expliciet is gewezen op de financiële gevolgen van haar keuze voor een
éénpersoonskamer. Zij heeft die gevolgen, blijkens de ondertekening
van de desbetreffende verklaring van 12 oktober 1999, welbewust
aanvaard.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht termen aanwezig om appellante op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor
verleende rechtsbijstand en € 34,80 aan reiskosten, in totaal €
839,80. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet
gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellante een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt appellante in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 839,80;
Bepaalt dat van appellante een recht van € 409,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|