|
Uitspraak
97/10642 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
Agis Zorgverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde oefent de taken en bevoegdheden uit die voorheen werden
uitgeoefend door Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Zorgverzekeringen
U.A.. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de
Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Zorgverzekeringen U.A..
Namens appellante heeft haar vader [naam vader], op daartoe bij
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 1997, nr. ZFW
95/8066/20, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is
gereageerd.
De Raad heeft op 6 oktober 1999 in deze zaak en in de zaak geregistreerd
onder nr. 97/8115 ZFW een drietal prejudiciële vragen voorgelegd aan
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof),
nadat partijen in de gelegenheid waren gesteld te reageren op door de
Raad geformuleerde concept prejudiciële vragen.
Naar aanleiding van een vraag van het Hof heeft de Raad, na partijen de
gelegenheid te hebben geboden te reageren op die vraag, bij brief van 25
oktober 2001 aan het Hof medegedeeld de gestelde vragen te handhaven.
Daarbij is tevens aan het Hof verzocht in te gaan op een nader
geformuleerde vraag.
Bij arrest van 13 mei 2003, zaak nr. C-385/99, (gepubliceerd in RSV
2003/152 en USZ 2003/190) heeft het Hof de gestelde vragen beantwoord.
Op verzoek van de Raad hebben partijen vervolgens nog enkele vragen
beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 2004, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar vader [naam
vader], en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R. Out,
werkzaam bij Agis Zorgverzekeringen te Amersfoort.
II. MOTIVERING
Namens appellante heeft haar huisarts op 5 april 1993 aan de medisch
adviseur van gedaagde verzocht om toestemming te verlenen aan appellante
om voor rekening van gedaagde in België een arthroscopie te laten
verrichten, omdat zo´n ingreep aldaar op veel kortere termijn dan in
Nederland zou kunnen geschieden. In het Slotervaartziekenhuis bedroeg de
wachttijd van deze behandeling toen volgens de huisarts van appellante
ongeveer zes maanden. Gedaagde heeft bij brieven van 24 juni 1993 en 5 juli 1993 afwijzend op dit verzoek beslist, omdat deze
behandeling ook in Nederland kon worden verkregen.
Appellante heeft zich op 14 april 1993 voor een second opinion gewend
tot prof. dr. J. Verstreken te Deurne (België). Ook deze specialist
heeft toen geadviseerd een arthroscopie te laten verrichten van de
rechter pols en heeft direct aangegeven dat als tijdens die verrichting
de diagnose zou worden bevestigd, vervolgens een ulnaverkorting verricht
diende te worden. Op 12 mei 1993 heeft prof. dr. J. Verstreken de
arthroscopie verricht en op 19 mei 1993 de ulnaverkorting.
Gedaagde heeft vervolgens bij voor beroep vatbaar besluit van 14 maart
1994, hierna: het bestreden besluit, geweigerd de kosten van de
behandelingen in België, tot een bedrag ad Bfrs 93.792,- te vergoeden.
Daarbij is overwogen dat appellante geen toestemming heeft gevraagd voor
het “second opinion”-onderzoek in België, maar via haar huisarts
wel toestemming heeft gevraagd om zich voor een arthroscopie en
eventuele vervolgbehandelingen te mogen wenden tot een ziekenhuis in
België. Tevens heeft gedaagde daarbij opgemerkt dat deze verrichtingen
ook in Nederland gegeven kunnen worden door bij gedaagde aangesloten
specialisten en dat er geen medische indicatie aanwezig was voor een
behandeling in België.
De commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft naar
aanleiding van de bezwaren van appellante op 23 september 1994 medegedeeld, dat zij de weigering van gedaagde de
kosten van voornoemde behandelingen te vergoeden juist acht. Daartoe is
overwogen dat de benodigde medische hulp in Nederland op reguliere wijze
beschikbaar was en er geen sprake was van spoedeisende behandelingen als
bedoeld in artikel 22 van EEG-verordening 1408/71 (hierna: de
Verordening). Tevens is daarbij overwogen dat er geen
medisch-inhoudelijke gronden waren voor een behandeling in België, nu
zowel de kijk-operatie als de ingreep aan één van de pijpbeenderen van
de onderarm in Nederland had kunnen plaatsvinden. Wel heeft de medisch
adviseur van de Ziekenfondsraad aangetekend dat het evident is dat het
ongemak voor appellante betekende dat er in Nederland een wachttijd
bestond voor het ontvangen van de medische hulp. Nu een dergelijke
operatie bij voorrang kan plaatsvinden als daar op medische gronden
aanleiding toe bestaat, is de commissie van oordeel dat de wachttijd
niet zodanig was dat op die grond de toestemming niet geweigerd had
mogen worden.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard,
overwegende dat er gelet op de klachten van appellante geen sprake was
van een medische noodzaak zich in België te laten behandelen. In hoger
beroep heeft appellante onder meer een beroep gedaan op het EG-recht.
De Raad overweegt als volgt.
In deze procedure staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de
weigering van gedaagde de kosten van de medische behandelingen, welke
appellante in België heeft laten verrichten, te weten een arthroscopie
en een ulnaverkorting, te vergoeden, in rechte stand kan houden. Daarbij
tekent de Raad aan dat de kosten verbonden aan de second opinion van 14
april 1993 in deze procedure niet aan de orde zijn, nu appellante om
vergoeding van deze kosten niet heeft verzocht en het bestreden besluit
geen betrekking heeft op die kosten.
a. Toetsing aan de Ziekenfondswet en de daarop gebaseerde regelgeving
De Raad stelt voorop dat ten aanzien van de behandelingen van appellante
niet in geschil is dat het daarbij gaat om verstrekkingen als genoemd in
het Verstrekkingenbesluit. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat
appellante de betreffende medische behandelingen buiten Nederland heeft
laten verrichten terwijl zij nog geen toestemming daartoe had verkregen
van gedaagde.
Blijkens vaste rechtspraak van de Raad dient de verzekerde deze
toestemming voor de aanvang van de behandeling aan het ziekenfonds te
hebben verzocht en verkregen. Een door een ziekenfondsverzekerde zonder
toestemming ondergane medische behandeling in het buitenland kan
derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen, tenzij sprake zou
zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het ziekenfonds niet
zonder in strijd te komen met enig rechtsbeginsel en/of enig algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur toestemming alsnog zou kunnen weigeren (RSV
1996/79). Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de Raad niet
gebleken, nu appellante de beslissing op haar verzoek om toestemming
niet heeft afgewacht en niet is gebleken dat zij op medische of andere
gronden een beslissing op dat verzoek redelijkerwijs niet had kunnen
afwachten.
Voorts merkt de Raad nog op dat ook indien appellante wel het antwoord
op een verzoek als hiervoor bedoeld had afgewacht, niet aannemelijk is
te achten dat die toestemming zou zijn verleend nu, zoals gedaagde
gemotiveerd heeft aangevoerd, niet is gebleken dat de behandelingen in
België nodig waren. De behandelingen konden immers ook in Nederland
verricht worden. Voorts kan ten aanzien van de voor appellante in
Nederland geldende wachttijd voor de arthroscopie niet kan worden gezegd
dat die op strikt medische gronden onaanvaardbaar lang was.
b. Toetsing aan EEG-verordening 1408/71
Voorts kan appellante geen aanspraak maken op vergoeding van de
behandelingen op grond van artikel 22 van de Verordening. De Raad stelt
vast dat appellante, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen toestemming
heeft ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te
begeven ten einde aldaar een voor haar gezondheidstoestand passende
behandeling te ondergaan als bedoeld in het eerste lid, onder c, van
artikel 22 van de Verordening, terwijl voorts niet is gebleken dat de
behandeling in Nederland niet binnen de termijn die daarvoor gewoonlijk
nodig is kon worden gegeven, in welk geval die toestemming blijkens
jurisprudentie van het Hof van Justitie niet mag worden geweigerd.
c. Toetsing aan de artikelen 59 en 60 EG-verdrag
De Raad heeft aanleiding gevonden om ten aanzien van de vraag of het
bestreden besluit in strijd is te achten met het bepaalde in de
artikelen 59 en 60 EG-verdrag de navolgende vragen voor te leggen aan
het Hof:
“1. Moeten de artikelen 59 en 60 EG-verdrag (thans: 49 en 50 EG) aldus
uitgelegd worden dat daarmee in beginsel onverenigbaar is een bepaling
als artikel 9, vierde lid, van de Zfw, juncto artikel 1 van de Regeling
hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering, voor zover daarin is
bepaald dat een ziekenfondsverzekerde van het ziekenfonds voorafgaande
toestemming nodig heeft om zich te mogen wenden tot een persoon of
inrichting buiten Nederland, met wie het ziekenfonds geen overeenkomst
heeft gesloten, voor het geldend maken van zijn recht op verstrekkingen?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vormen de
hiervoor op blz. 8 en 9 genoemde doelstellingen van het Nederlandse
naturastelsel dan een dwingende reden van algemeen belang waardoor een
belemmering van het fundamentele beginsel van het vrij verrichten van
diensten gerechtvaardigd kan zijn.
3. Is het voor de beantwoording van deze vragen nog van belang of de
behandeling geheel of ten dele betrekking heeft op intra-murale medische
zorg?”
In het hiervoor genoemde arrest van 13 mei 2003 heeft het Hof deze
vragen als volgt beantwoord:
“De artikelen 59 EG-verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) en
60 EG-verdrag (thans artikel 50 EG) moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat
als in de hoofdgedingen aan de orde is, die enerzijds de vergoeding van
zorg die in een ziekenhuis in een andere dan de lidstaat van vestiging
van het ziekenfonds waar de verzekerde staat ingeschreven, is verleend
door een zorgverlener met wie dit ziekenfonds geen overeenkomst heeft
gesloten, afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van dit
ziekenfonds, en anderzijds voor deze toestemming als voorwaarde stelt
dat deze voor de medische behandeling van de verzekerde vereist is. De
toestemming mag echter alleen op deze grond worden geweigerd wanneer
bij een instelling waarmee het ziekenfonds een overeenkomst heeft
gesloten, tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende
behandeling kan worden verkregen.
Daarentegen verzetten de artikelen 59 en 60 van het Verdrag zich tegen
deze wettelijke regeling, voorzover daarin de vergoeding van extramurale
zorg die in een andere lidstaat is verleend door een persoon of een
instelling waarmee het ziekenfonds waarbij de verzekerde staat
ingeschreven, geen overeenkomst heeft gesloten, afhankelijk wordt
gesteld van de voorafgaande toestemming van dit ziekenfonds, ook al kent
de nationale wetgeving een regeling van verstrekkingen in natura volgens
welke de verzekerden geen recht hebben op vergoeding van de kosten die
zij voor medische verzorging hebben gemaakt, maar op de verzorging zelf,
die gratis wordt verleend.”
d. De extramurale zorg
Hoewel partijen niet nader zijn ingegaan op de vraag hoe het door het
Hof van belang geachte onderscheid tussen intra- en extramurale zorg
afgebakend dient te worden, ziet de Raad aanleiding hieromtrent enige
opmerkingen te maken. In het verlengde van de circulaire van het College
voor Zorgverzekeringen van 25 juni 2003 (nr. 03/25), waarin intramurale
zorg wordt omschreven als “zorg die verblijf in een instelling omvat
van tenminste één nacht”, is de Raad van oordeel dat eerst van
intramurale zorg gesproken kan worden bij behandelingen waarbij naar
internationaalmedische normen ten minste één overnachting in een
ziekenhuis medisch gebruikelijk wordt geacht. Alle andere behandelingen
dienen in beginsel als extramurale zorg aangemerkt te worden.
Voor het onderhavige geval betekent dat - hetgeen tussen partijen niet in
geschil is - de behandelingen welke appellante in België heeft ondergaan
behoren tot het verstrekkingenpakket van het Verstrekkingenbesluit en
dat een deel van die behandelingen extramurale zorg betreft.
Blijkens de hiervoor weergegeven antwoorden van het Hof verzetten de
artikelen 59 en 60 van het EG-verdrag zich onder omstandigheden als hier
aan de orde tegen de regeling in en krachtens de Ziekenfondswet,
voorzover daarin een toestemmingsvereiste is opgenomen voor extramurale
zorg in andere lidstaten. Namens gedaagde is ter zitting van de Raad
medegedeeld dat, gelet op de antwoorden van het Hof, de kosten verbonden
aan de extramurale behandelingen van appellante, welke kosten volgens
appellante € 1.315,77 bedragen, alsnog vergoed zullen worden. Omtrent
de vergoeding van de kosten van de extramurale zorg verschillen partijen
derhalve niet meer van mening.
Ten aanzien van de hoogte van de door gedaagde te vergoeden kosten merkt
de Raad nog op dat uit rechtsoverweging 107 van het genoemde arrest
voortvloeit dat een lidstaat waar een naturastelsel geldt de hoogte van
de vergoedingen mag bepalen waarop patiënten die een behandeling in een
andere lidstaat hebben ondergaan, recht hebben, mits deze bedragen
berusten op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria.
De Raad stelt vast dat bij of krachtens de Ziekenfondswet geen regeling
is getroffen als hiervoor bedoeld met betrekking tot de hoogte van
vergoedingen. Zolang de Ziekenfondswetgeving een dergelijke regeling
niet kent dienen naar ´s Raads oordeel de integrale kosten verbonden
aan een extramurale medische behandeling in een andere lidstaat,
voorzover vallend binnen het verstrekkingenpakket, vergoed te worden.
Daarbij acht de Raad van belang dat uit de rechtspraak van het Hof met
betrekking tot het vrij verkeer van (medische) diensten voortvloeit dat
bij een behandeling in een andere lidstaat een vergoeding toegekend
dient te worden als geldend in de lidstaat waar de betrokkene verzekerd
is. Dit uitgangspunt betekent voor verstrekkingen in natura, dat zolang
geen vergoedingenstelsel als hiervoor bedoeld is ingevoerd, de
verstrekking in andere lidstaten in beginsel op dezelfde wijze als in
Nederland, dus ook zonder - aan de verstrekking gerelateerde - kosten voor
betrokkene, verkregen moet kunnen worden. In dit verband vraagt de Raad
nog aandacht voor het Besluit vergoeding kosten geneeskundige hulp in
bijzondere omstandigheden van de Ziekenfondsraad van 21 december 1967,
Stcrt. 1968, 18, op grond waarvan onder omstandigheden in beginsel ook
de kosten van een medische behandeling in het buitenland vergoed kunnen
worden.
e. De intramurale zorg.
Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft een deel van de behandelingen
die appellante in België heeft ondergaan betrekking op intramurale
zorg. Ten aanzien van deze zorg heeft het Hof in het arrest, onder
verwijzing naar het arrest van 12 juli 2001, C-157/99, Smits-Peerbooms (RSV
2001, katern 4) overwogen dat het toestemmingsvereiste in het
Nederlandse stelsel voorkomt als een zowel noodzakelijke als redelijke
maatregel, gelet op de overwegingen die aan het Nederlandse
overeenkomstenstelsel ten grondslag liggen. Daarbij is ten eerste
verwezen naar de planning die beoogt te garanderen dat de ziekenhuizen
op het grondgebied van de betrokken lidstaat een toereikende en
permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van kwaliteitszorg bieden.
Ten tweede is gewezen op het streven om de kosten te beheersen en om
verspilling van financiële en technische middelen en personeel zoveel
mogelijk te vermijden. Het Hof heeft daaraan echter het volgende
toegevoegd:
“83. Ofschoon het gemeenschapsrecht zich dus in beginsel niet tegen een
stelsel van voorafgaande toestemming voor deze categorie verstrekkingen
verzet, is het niettemin noodzakelijk dat de voorwaarden waaronder die
toestemming wordt verleend, hun rechtvaardiging vinden in eerdergenoemde
dwingende redenen en voldoen aan het in punt 68 van het onderhavige
arrest in herinnering gebrachte evenredigheidsvereiste.
(...)
85. Wil een stelsel van voorafgaande administratieve toestemming dus
gerechtvaardigd zijn, ook al derogeert het aan een dergelijke
fundamentele vrijheid, dan moet het zijn gebaseerd op objectieve
criteria, die niet-discriminerend en vooraf kenbaar zijn, opdat een
grens wordt gesteld aan de beoordelingsvrijheid van de nationale
autoriteiten en willekeur wordt voorkomen (arrest Analir e.a., punt 38).
Een dergelijk stelsel van voorafgaande administratieve toestemming moet
bovendien berusten op gemakkelijk toegankelijke procedureregels, die de
betrokkenen waarborgen dat hun aanvraag binnen een redelijke termijn
objectief en onpartijdig zal worden behandeld, terwijl eventuele
weigeringen bovendien in het kader van een beroep in rechte moeten
kunnen worden betwist (arrest Smits en Peerbooms, punt 90).
(...)
89. De in de onderhavige regeling gestelde voorwaarde dat de behandeling
noodzakelijk moet zijn, kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van
artikel 59 van het Verdrag, voorzover zij aldus wordt uitgelegd dat de
toestemming om in een andere lidstaat een behandeling te ondergaan, uit
dien hoofde alleen mag worden geweigerd wanneer bij een instelling
waarmee het ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft
gesloten, tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende
behandeling kan worden verkregen (arrest Smits en Peerbooms, punt 103).
90. Teneinde te bepalen of bij een instelling waarmee het ziekenfonds van
de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten, tijdig een voor de patiënt
even doeltreffende behandeling kan worden verkregen, moeten de nationale
autoriteiten rekening houden met alle omstandigheden van het concrete
geval, door niet alleen de gezondheidstoestand van de patiënt op het
moment waarop de toestemming wordt gevraagd, en eventueel de mate van
pijn of de aard van de handicap van de patiënt, waardoor het
bijvoorbeeld onmogelijk of bijzonder moeilijk is beroepswerkzaamheden te
verrichten, maar ook diens antecedenten naar behoren in aanmerking te
nemen (zie in die zin arrest Smits en Peerbooms, punt 104).
(...)
92. Een weigering van voorafgaande toestemming die echter niet is
ingegeven door vrees voor verspilling of achteruitgang ten gevolge van
overcapaciteit van ziekenhuizen, maar uitsluitend door het feit dat er
op het nationale grondgebied wachtlijsten bestaan voor de behandeling in
een ziekenhuis, zonder dat rekening wordt gehouden met de concrete
omstandigheden die de medische toestand van de patiënt kenmerken, kan
geen gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van diensten
zijn. Uit de voor het Hof aangevoerde argumenten blijkt immers niet dat
een dergelijke wachttijd, los van zuiver economische overwegingen die op
zich geen belemmering van het grondbeginsel van het vrij verkeer van
diensten kunnen rechtvaardigen, noodzakelijk is om de bescherming van de
volksgezondheid te garanderen. Een te lange of abnormale wachttijd zou
integendeel de toegang tot een evenwichtig aanbod van intramurale
kwaliteitszorg juist beperken.”
De Raad dient op grond van deze overwegingen te beoordelen of gedaagdes
weigering om aan appellante toestemming te verlenen voor de genoemde
medische behandelingen in België in strijd is met de artikelen 59 en 60
van het EG-verdrag.
Hierbij zal de Raad allereerst ingaan op de vraag welke betekenis in het
licht van het vrij verkeer van diensten toegekend kan worden aan in een
lidstaat bestaande wachttijden of wachtlijsten voor een bepaalde
medische behandeling. De Raad leidt uit rechtsoverweging 92 van het
arrest af, dat de weigering van toestemming voor een behandeling in het
buitenland, ondanks het bestaan van wachttijden voor zo’n behandeling
in de eigen lidstaat, niet als een verboden belemmering van het vrije
verkeer van diensten kan worden beschouwd, zo lang het gaat om
wachttijden die noodzakelijk kunnen worden geacht voor een planning van
de gezondheidszorg welke beoogt een toereikende en permanente toegang te
garanderen tot een evenwichtig aanbod van kwaliteitszorg. Wanneer ten
aanzien van wachttijden een verband als hiervoor bedoeld niet meer
aangetoond of aannemelijk gemaakt kan worden, kan de weigering om zo´n
behandeling in een andere lidstaat te laten verrichten, niet meer als
een gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van diensten
aangemerkt worden. De noodzaak om de bescherming van de volksgezondheid
te garanderen bestaat dan immers niet meer en de wachttijden zijn dan
ook niet meer nodig om leegloop en verspilling te vermijden. Een
weigering om ondanks een ongerechtvaardigde wachttijd toestemming te
verlenen voor een intramurale medische behandeling in een andere
lidstaat is volgens het Hof uitsluitend gebaseerd op een economische
doelstelling, welke niet als een rechtvaardiging voor de belemmering van
deze verdragsvrijheid aangemerkt kan worden.
Het vorenstaande dient er naar 's Raads oordeel in het algemeen toe te
leiden dat naarmate bestaande wachttijden langer zijn, er des te minder
gronden bestaan om een rechtvaardiging voor de belemmering van het vrije
verkeer van diensten aan te nemen. Indien een voor een goede planning en
ter voorkoming van leegloop en verspilling benodigde wachttijd in
betekenende mate wordt overschreden zal weigering van de gevraagde
toestemming niet gerechtvaardigd kunnen worden geacht, zelfs als op
grond van de gezondheidstoestand en de overige antecedenten van de patiënt
behandeling binnen afzienbare tijd niet noodzakelijk is.
Ten aanzien van de voor appellante in 1993 in het Slotervaartziekenhuis
geldende wachttijd van ongeveer zes maanden voor een arthroscopie en
vervolgbehandelingen stelt de Raad voorop dat nadien verschillende
normen voor aanvaardbare wachttijden in Nederland tot stand zijn
gekomen. Namens gedaagde is ter zitting medegedeeld dat die normen alle
uitgaan van een aanzienlijk kortere wachttijd, namelijk een wachttijd
van enkele weken, voor de hier aan de orde zijnde behandelingen. De
Raad is onder deze omstandigheden van oordeel dat niet gezegd kan worden
dat die normen geen goede grondslag kunnen vormen om te toetsen of
sprake was van een gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van
diensten. Namens gedaagde is in dit verband ter zitting van de Raad
aangevoerd dat onduidelijk is of de wachttijden in andere ziekenhuizen
in Amsterdam toen ook zo lang waren. De Raad merkt hieromtrent op dat
het primair op de weg van gedaagde ligt aan te tonen of aannemelijk te
maken dat toentertijd een rechtvaardiging bestond voor de belemmering
van de aan de orde zijnde verdragsvrijheid. Gedaagde heeft echter geen
gegevens aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de
wachttijd in het Slotervaartziekenhuis niet representatief was voor de
wachttijd in (andere) gecontracteerde ziekenhuizen. Voorts ziet de Raad,
mede gelet op rechtsoverweging 46 van het arrest van het Hof van 18 maart 2004,
C-8/02, Leichtle, geen aanleiding gedaagde alsnog in de
gelegenheid te stellen nadere gegevens in het geding te brengen, nu ter
zitting is gebleken dat geen gegevens over wachttijden in 1993 meer
beschikbaar zullen zijn. Dit betekent dat gedaagde op grond van de
artikelen 59 en 60 van het EG-verdrag de gevraagde toestemming niet had
mogen weigeren en dat gedaagde alsnog de kosten van de in dit geding aan
de orde zijnde behandelingen van appellante in België dient te
vergoeden. Wat betreft de hoogte van de te betalen vergoedingen verwijst
de Raad naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de hoogte
van de vergoedingen voor de extramurale behandelingen.
Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde bij de beoordeling van het
verzoek van appellante in 1993 uitsluitend heeft getoetst of er voor de
onderhavige behandelingen, die op reguliere wijze in Nederland
beschikbaar waren, op medische gronden aanleiding was die bij voorrang
(al dan niet in België) te laten plaatsvinden. Aldus heeft gedaagde
geen rekening gehouden met alle door het Hof in rechtsoverweging 90
genoemde omstandigheden. Uit die overweging volgt immers dat naast
strikt medische redenen voor een behandeling bij voorrang, welke
overigens vaak ook in Nederland gerealiseerd kan worden, rekening
gehouden moet worden met de andere door het Hof bedoelde omstandigheden
van het concrete geval. Verder heeft gedaagde geen rekening gehouden met
de toentertijd geldende wachttijden voor de onderhavige medische
behandelingen in Nederland. Ook deze wachttijden behoren - voorzover zij
niet zodanig lang zijn dat de weigering van toestemming voor een
medische behandeling in een andere lidstaat op grond van het hiervoor
overwogene als een verboden belemmering van het vrije verkeer van
diensten moet worden beschouwd - tot de omstandigheden als bedoeld in
rechtsoverweging 90.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat uit het arrest van het Hof van 18
maart 2004, C-8/02, Leichtle, voortvloeit dat appellante niet
tegengeworpen kan worden dat zij de nationale procedures niet heeft
afgewacht alvorens te beginnen met de medische behandeling in België.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De Raad
ziet, gelet op het hiervoor overwogene en op het feit dat inmiddels meer
dan tien jaar is verstreken na de medische behandeling van appellante,
aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en zelf in de zaak
voorziend te bepalen dat gedaagde de volledige kosten verbonden aan de
arthroscopie en de ulnaverkorting ad € 2.302,83 aan appellante dient
te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante in beroep en in hoger beroep welke kosten worden begroot op
€ 37,30 terzake van reiskosten Rosmalen - Amsterdam vv en Amsterdam -
Utrecht vv. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is
de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante de kosten verbonden aan de in
geschil zijnde medische behandelingen in België ad € 2.302,83 dient
te vergoeden;
Veroordeelt Agis Zorgverzekeringen in de proceskosten van appellante tot
een bedrag ad € 37,30;
Bepaalt dat Agis Zorgverzekeringen het door appellante betaalde
griffierecht ad € 95,29 dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|