|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3823 ZFW en 04/8 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van [betrokkene], gewoond hebbende te [woonplaats],
appellanten,
en
de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds, gevestigd te
Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. R.A.C.M. van Dijk, advocaat te Bergen op
Zoom, op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2002, reg.nr.
01/421 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij de aangevallen
uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het door
de Commissie voor bezwaarschriften van gedaagde genomen besluit op
bezwaar van 31 januari 2001 ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 15 december 2003 heeft gedaagde, onder intrekking van
het besluit van 31 januari 2001, een nieuw besluit op bezwaar genomen en
daarbij de motivering van het besluit van 31 januari 2001 gewijzigd.
Partijen hebben vervolgens door de Raad aan hen gestelde schriftelijke
vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2004. Appellanten hebben
zich laten vertegenwoordigen door A.M. van Hasselt-Blom, met bijstand
van mr. Van Dijk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
N.J.H. Dams-van der Heijden, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en de
toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede
gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, naar de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier wat de feiten betreft met het
volgende.
Bij brief van 30 mei 2000 heeft [betrokkene] (hierna: betrokkene)
bezwaar gemaakt tegen de berichten van vergoeding (besluiten) van 23 mei
2000 en 25 mei 2000, inhoudende de weigering apothekersnota's van 3
maart 2000 en 5 mei 2000 betreffende magistraal bereide geneesmiddelen
te vergoeden.
Bij bericht van vergoeding van 27 juni 2000 heeft gedaagde geweigerd
nota's van 23 mei 2000 (ten bedrage van f 353,05) en 9 juni 2000 (ten
bedrage van f 4.972,12) te vergoeden.
Bij brief van 9 juli 2000 heeft betrokkene, onder verwijzing naar zijn
brief van 30 mei 2000, tevens verwezen naar het bericht van vergoeding
van 27 juni 2000.
Bij brief van 24 augustus 2000 heeft mr. Van Dijk, namens betrokkene,
gerefereerd aan diens brieven van 30 mei 2000 en 9 juli 2000 en daarbij
opgemerkt dat dit betekent dat betrokkene bezwaar maakt tegen de
weigering het op de nota van 9 juni 2000 vermelde bedrag van f 4.972,12
te vergoeden.
Bij het besluit van 31 januari 2001 zijn, op grond van het
vertrouwensbeginsel, de nota's van 3 maart 2000 en 5 mei 2000 alsnog -
volledig - vergoed en is het bezwaar voor het overige ongegrond
verklaard.
Bij brieven van 30 januari 2004 en 5 april 2004 heeft gedaagde de Raad
medegedeeld dat, eveneens op grond van het vertrouwensbeginsel, ook de
nota's van 23 mei 2000 en 9 juni 2000 alsnog zijn vergoed.
Bij brief van 29 januari 2004 heeft mr. Van Dijk aan de Raad medegedeeld
dat hij "een algemeen bezwaar [heeft] ingediend tegen het weigeren
van vergoedingen van nota's welke toezien op geneesmiddelen
voortvloeiende uit de orthomoleculaire geneeskunde".
Uit een door mr. Van Dijk bij faxbericht van 4 juni 2004 aan de Raad
gezonden overzicht, waarop gedaagde bij faxbericht van 7 juni 2004 heeft
gereageerd, blijkt dat gedaagde een tiental nota's van 13 juli 2000 en
later niet heeft vergoed.
De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.
Gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient de Raad het besluit van
15 december 2003 bij zijn beoordeling te betrekken.
Nu het besluit van 15 december 2003 geheel in de plaats is getreden van
het - oorspronkelijke - besluit van 31 januari 2001 hebben appellanten,
gelet op het hiervoor overwogene, geen belang meer bij een beoordeling
door de Raad van het oordeel van de rechtbank over het besluit van 31
januari 2001. Het hoger beroep beroep dient daarom, wegens het vervallen
van het procesbelang daarbij, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aansluitend overweegt de Raad het volgende.
Bij de brief van 30 mei 2000 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de
berichten van vergoeding van 23 mei 2000 en 25 mei 2000. De vervolgbrief
van 9 juli 2000 merkt de Raad aan als bezwaarschrift tegen het bericht
van vergoeding van 27 juni 2000. De op de brieven van 30 mei 2000 en 9
juli 2000 aansluitende brief van mr. Van Dijk van 24 augustus 2000
houdt, naar zijn duidelijke bewoordingen, geen nieuw bezwaarschrift in
tegen latere berichten van vergoeding, maar is - voorzover hier van
belang - slechts een herhaling van het door betrokkene reeds gemaakte
bezwaar. Uit de hiervoor weergegeven - vaststaande - feiten blijkt dat
alle nota's waarop de berichten van vergoeding van 23 mei 2000, 25 mei
2000 en 27 juni 2000 betrekking hebben, inmiddels door gedaagde zijn
vergoed. Tegen de berichten van vergoeding waarbij vergoeding van de
nota's van 13 juli 2000 en later is geweigerd, is geen bezwaar gemaakt,
zodat dit geding daarop geen betrekking kan hebben.
Ter zitting hebben partijen verklaard het van belang te achten dat de
Raad zich ten principale uitlaat over de vraag of magistraal bereide
geneesmiddelen als hier aan de orde op grond van de toepasselijke
algemeen verbindende voorschriften voor vergoeding in aanmerking komen.
Volgens vaste rechtspraak - ook - van de Raad zijn de voorzieningen van
rechtsbescherming onder de Awb echter niet in het leven geroepen voor
het, buiten een concreet en actueel geschil, verkrijgen van een principiλle
uitspraak als door partijen gewenst. De Raad kan die wens daarom niet
honoreren.
Met betrekking tot het door appellanten gedane verzoek om veroordeling
tot schadevergoeding (wettelijke rente) op grond van artikel 8:73,
eerste lid, van de Awb overweegt de Raad het volgende.
Gedaagde heeft ter zitting bevestigd dat de eerdere weigeringen om de
nota's van 3 maart 2000, 5 mei 2000, 23 mei 2000 en 9 juni 2000 te
vergoeden, onrechtmatig zijn. Dit brengt mee dat het beroep, voorzover
dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 december
2003, gegrond moet worden verklaard en dat het besluit moet worden
vernietigd. De Raad zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid,
van de Awb, zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de desbetreffende
nota's alsnog volledig worden vergoed (hetgeen gedaagde overigens reeds
heeft gedaan). De Raad zal gedaagde tevens veroordelen tot vergoeding
van de wettelijke rente terzake. De Raad ziet daarbij aanleiding de
ingangsdatum van de wettelijke rente te stellen op de eerste dag van de
maand, volgend op die waarin op de respectieve aanvragen is beslist. Dat
betekent dat de wettelijke rente ter zake van de nota's van 3 maart 2000
en 5 mei 2000 ingaat op 1 juni 2000 en ter zake van de nota's van 23 mei
2000 en 9 juni 2000 op 1 juli 2000. De wettelijke rente is verschuldigd
tot de dag van algehele voldoening.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten, begroot op 644,-- in beroep en
805,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht
tegen het besluit van 15 december 2003 gegrond en vernietigt dat
besluit;
Bepaalt dat de nota's van 3 maart 2000, 5 mei 2000, 23 mei 2000 en 9
juni 2000 volledig worden vergoed;
Veroordeelt gedaagde tot betaling aan appellanten van de wettelijke
rente overeenkomstig het in rubriek II van deze uitspraak vermelde;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van 1.449,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellanten het betaalde griffierecht van in
totaal 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni
2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|