|
Uitspraak
01/6536 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 30 september 1996 afwijzend beschikt op
de aanvraag van appellante van 5 september 1996 om haar op grond van het
bepaalde bij en krachtens de Ziekenfondswet (Zfw) toestemming te
verlenen voor het ondergaan van een behandeling in de Elena-Klinik te
Kassel (Duitsland) op kosten van het ziekenfonds.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 28 oktober
1996 ongegrond verklaard.
De Commissie voor Beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad heeft
bij brief van 7 april 1997 van advies gediend.
Appellant heeft bij brief van 28 april 1997 beroep ingesteld bij de
rechtbank Roermond.
De rechtbank heeft op 28 april 1999 prejudiciële vragen gesteld aan het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG). Het
HvJEG heeft op 12 juli 2001, reg.nr. C-157/99, arrest gewezen.
De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 13 november 2001, reg.nr.
97/782 ZFW, het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. M.F. Vermaat, werkzaam bij Stichting De
Ombudsman te Hilversum, op bij beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april 2004.
Appellante is daar - na schriftelijke kennisgeving - niet verschenen.
Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Y.C.M. van
Iersel-de Groot en mr. drs. D. van de Berk, beiden werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren op 6 juni 1928, staat op grond van de Ziekenfondswet
(Zfw) als verzekerde bij gedaagde ingeschreven. Zij lijdt sedert jaren
aan de ziekte van Parkinson. Bij brief van 5 september 1996 heeft zij
gedaagde verzocht om vergoeding van de kosten van behandeling van haar
ziekte in de Elena-Klinik te Kassel (Duitsland). Deze Klinik legt zich
toe op een categoriale en multidisciplinaire behandeling van de ziekte
van Parkinson. Patiënten worden voor deze behandeling gedurende een
periode van drie tot zes weken opgenomen. Tijdens die periode vindt door
artsen onderzoek en behandeling plaats, met name gericht op het bereiken
van een ideale instelling van de medicijnen. Daarnaast ontvangt de patiënt
fysio- en ergotherapeutische behandelingen, alsmede
sociaal-psychologische begeleiding.
Gedaagde heeft de aanvraag van appellante bij besluit van 30 september
1996 afgewezen en die afwijzing in haar beslissing op bezwaar van 28
oktober 1996 gehandhaafd. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat in
Nederland voldoende, adequate behandelingsmogelijkheden (door
gecontracteerde zorgverleners) voor patiënten met de ziekte van
Parkinson voorhanden zijn en dat de aangevraagde categoriale klinische
behandeling in de Elena-Klinik geen meerwaarde heeft boven de
beschikbare behandeling in Nederland. De Commissie voor Beroepszaken van
de voormalige Ziekenfondsraad heeft zich achter dat standpunt geschaard.
Subsidiair heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de
behandeling in de Elena-Klinik geen verstrekking is in de zin van de Zfw
aangezien deze niet gebruikelijk is in de kring van de Nederlandse
beroepsgenoten.
De rechtbank heeft zich ter zake van de juistheid van het standpunt van
gedaagde van verslag en advies laten dienen door de onafhankelijke
deskundige prof. dr. S.L.H. Notermans, neuroloog te Nijmegen. Deze heeft in een
rapport van 3 februari 1998 aangegeven dat er in Nederland diverse zeer
goede Parkinsonspecialisten zijn. Het is naar zijn mening in Nederland
mogelijk en veelal gebruikelijk om een multidisciplinaire aanpak te
realiseren en zorgvuldig naar de medicamenteuze therapie en instelling
te kijken, naast oefen- en massagetherapie, ergotherapie en - zonodig -
psychosociale begeleiding. In Nederland bestaan geen categoriale
klinieken die zich uitsluitend op Parkinsonpatiënten richten. Naar
zijn mening staat geenszins vast dat de in een dergelijke kliniek
gevolgde “totaal integrale” aanpak beter zou zijn dan de Nederlandse
aanpak, aangezien dit klinisch, noch wetenschappelijk is vastgesteld. De
deskundige heeft hieraan de conclusie verbonden dat er geen strikte
medische indicatie bestaat voor opname in de Elena-Klinik aangezien voor
haar in Nederland voldoende behandelingsmogelijkheden voorhanden zijn,
zeker ook als men in aanmerking neemt dat een adequate nazorg voor haar
van groot en essentieel belang is. De vraag of de aangevraagde
behandeling gebruikelijk is in de kring van Nederlandse beroepsgenoten
heeft hij na uitvoerige consultatie van verschillende deskundigen
ontkennend beantwoord.
De rechtbank heeft het beroep van appellante in de aangevallen uitspraak
ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij het stelsel van aanspraken van
verzekerden op grond van de Ziekenfondswet, zoals die wet naar het
oordeel van het Hof van Justitie in het licht van de artikelen 59 en 60
(thans 49 en 50) van het EG-verdrag dient te worden uitgelegd, tot
uitgangspunt genomen. Daarvan uitgaande heeft zij geoordeeld dat
gedaagde terecht toestemming voor behandeling in de Elena-Klinik heeft
geweigerd nu deze behandeling voor haar geneeskundige verzorging niet
medisch noodzakelijk is. Gedaagde heeft volgens de rechtbank
overeenkomsten gesloten met personen en instellingen bij welke tijdig
een even doeltreffende behandeling kan worden verkregen als in de
Elena-Klinik. Zij heeft daarbij verwezen naar de bevindingen van de
deskundige prof.dr. Notermans. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat
gedaagde blijkens de voorbereiding en motivering van het bestreden
besluit geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de behandeling in
Elena-Klinik door de internationale medische wetenschap voldoende is
beproefd en deugdelijk bevonden. Zij heeft daaraan evenwel, gezien het
ontbreken van medische noodzaak van de aangevraagde behandeling, niet de
consequentie verbonden dat het bestreden besluit dient te worden
vernietigd.
Appellante is van deze uitspraak gemotiveerd in hoger beroep gekomen.
Aangevoerd is dat de in de Elena-Klinik toegepaste categoriaal-integrale
behandelmethode in Duitsland algemeen aanvaard is en daar in het kader
van de sociale zekerheidswetgeving wordt vergoed. Volgens haar ligt
hierin besloten dat deze behandeling in Duitsland onder beroepsgenoten
gebruikelijk is. Appellante heeft bestreden dat van de juistheid van de
bevindingen van de deskundige prof. dr. Notermans kan worden uitgegaan nu
deze zich heeft verdiept in de behandeling van Parkinsonpatienten in
Nederland en niet uitdrukkelijk in hetgeen de Duitse methode van
behandeling inhoudt en waarom deze onder Duitse beroepsgenoten wel als
algemeen gebruikelijk wordt gezien. Naar het oordeel van appellante had
beoordeeld moeten worden of de aangevraagde behandeling in de
internationale medische wetenschap als onder beroepsgenoten gebruikelijk
moet worden aangemerkt. De integrale behandeling in de Elena-Klinik
heeft volgen appellante meerwaarde ten opzichte van de in Nederland
voorhanden zijnde afzonderlijke behandelingscomponenten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Blijkens artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor
zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw vastgestelde Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (Vb). Volgens artikel 2, derde lid, van het Vb
kan een aanspraak op een verstrekking slechts tot gelding worden
gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een
oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard,
inhoud en omvang is aangewezen. Blijkens artikel 3 van het Vb wordt de
daar vermelde genees- en heelkundige hulp, te verlenen door een huisarts
of specialist, naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring van de
beroepsgenoten gebruikelijk is (hierna: gebruikelijkheidscriterium).
Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Zfw kan bij ministeriële
regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een
ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan geven zich voor het
geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een in
het buitenland gevestigde zorgverlener. Deze ministeriële regeling is
de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni
1988 (Stcrt. 1988, 123; hierna: Rhbz). Artikel 1 van de Rhbz luidt:
“Als gevallen waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming
kan verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een
verstrekking te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland,
worden aangewezen de gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld
dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig
is” (hierna: noodzakelijkheidscriterium).
Toestemming uit hoofde van het ontbreken van medische noodzaak voor de
aangevraagde behandeling (noodzakelijkheidscriterium) kan blijkens het
arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2001, inzake C-157/99 -
slechts worden geweigerd, wanneer bij de persoon of instelling, waarmee
het ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten,
tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling
kan worden verkregen. Daarbij dient acht te worden geslagen op alle
omstandigheden van ieder concreet geval, door niet alleen de
gezondheidstoestand van de patiënt op het moment waarop de toestemming
wordt gevraagd, maar ook diens antecedenten naar behoren in aanmerking
te nemen.
Hiervan uitgaande is de Raad tot het oordeel gekomen dat de medische
noodzaak van de door appellante aangevraagde behandeling in de
Elena-Klinik te Kassel niet aannemelijk is geworden. De Raad acht zich
dienaangaande voldoende voorgelicht door het rapport van de door de
rechtbank geraadpleegde onafhankelijke deskundige prof. dr. Notermans.
Deze heeft appellante onderzocht en kennis genomen van alle op
appellante betrekking hebbende medische gedingstukken. Uit het rapport
van prof. dr. Notermans blijkt dat de verschillende componenten van de in
de Elena-Klinik toegepaste behandeling elk afzonderlijk in Nederland
(bij gecontracteerde zorgverleners) beschikbaar zijn en tijdig kunnen
worden verkregen. Tevens blijkt uit dat rapport dat de meerwaarde van
het onder één dak geïntegreerd aanbieden van deze componenten
wetenschappelijk, noch klinisch is aangetoond. Deze vaststelling van
feitelijke aard is door appellante weliswaar bestreden, maar niet
gemotiveerd met concrete feiten en omstandigheden, en evenmin gestaafd
met de bevindingen van een contra-expertise. De Raad moet het er dan ook
voor houden dat het standpunt van de onafhankelijke deskundige dat voor
appellante in Nederland ten tijde van belang tijdig een even afdoende
behandeling voorhanden was juist is.
Hieruit volgt dat gedaagde de aangevraagde behandeling, gezien het
bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Vb in verbinding met artikel 1
van de Rhbz, terecht heeft geweigerd. Dit betekent dat het bestreden
besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
Gelet hierop wordt aan de vraag of in casu aan het
gebruikelijkheidscriterium is voldaan niet meer toegekomen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli
2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|