|
Uitspraak
00/2625 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie voor bezwaarschriften van de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de in het beroepschrift (met bijlagen) aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Maastricht van 28 april 2000, reg.nr. 99/548 ZFW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft appellante nog stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 juni 2004, waar
appellante in persoon is verschenen, terwijl gedaagde - zoals
aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit op bezwaar van 23 april 1999 heeft gedaagde gehandhaafd het,
namens de Stichting Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds (hierna: CZ)
genomen, besluit van 28 oktober 1998, waarbij op het verzoek van
appellante om vergoeding van de kosten van de medische behandeling
betreffende het opsporen, onderzoeken en behandelen van stoorvelden van
gebit en kaken afwijzend is beslist.
Het bestreden besluit is gebaseerd op de artikelen 8 en 9 van de
Ziekenfondswet (Zfw) en de artikelen 2,3 en 4 van het
Verstrekkingenbesluit (hierna: Vb) en berust - kort gezegd - op het
standpunt dat de behandeling is gegeven door een niet-gecontracteerde
zorgverlener en de medische behandeling van stoorvelden geen deel
uitmaakt van het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet (geen
behandeling die in de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is).
De rechtbank heeft - voor zover hier relevant - het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad overweegt ambtshalve het volgende.
De Stichting Centrale Zorgverzekeraarsgroep hanteert sedert 8 december
1998 het Reglement bezwaarschriftenprocedure CZ (hierna: Reglement) dat
terugwerkt tot 1 januari 1998. Genoemd reglement voorziet in een
Commissie die op eigen naam besluiten op bezwaar neemt.
Op grond van de voorhanden zijnde gegevens houdt de Raad het ervoor dat
het bestreden besluit op eigen naam genomen is door de Commissie voor de
bezwaarschriften van CZ. De Commissie voor bezwaarschriften bestond in
dit geval uit één persoon, een medewerker van de afdeling Juridische
Zaken, mr. J.M.H. Verhoof.
Deze commissie stelt haar bevoegdheid om op bezwaren als bedoeld in
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te beslissen te
ontlenen aan het Reglement.
Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen voorziet de
bezwaarschriftprocedure van de Awb niet in de mogelijkheid van delegatie
van de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar aan een
ander bestuursorgaan dan het orgaan namens hetwelk het primaire besluit
is genomen.
Hieruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het
beroep om deze reden gegrond dient te worden verklaard en het bestreden
besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.
De vervolgens aan de orde komende vraag of er gronden zijn om de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten,
beantwoordt de Raad bevestigend.
Voor een uitgebreide weergave van de relevante regelgeving verwijst de
Raad naar rubriek E van de aangevallen uitspraak.
Gelet op deze regelgeving spitst het geschil in hoger beroep zich toe op
de vraag of vergoeding van de kosten van het opsporen en behandelen van
stoorvelden terecht is geweigerd op de grond dat geen sprake was van een
behandeling die in de kring van beroepsgenoten gebruikelijk is.
Op grond van de voorhanden zijnde gedingstukken beantwoordt de Raad deze
vraag bevestigend. Daartoe wijst de Raad onder meer op het advies van 20
april 1999 van de Commissie voor Beroepszaken van de voormalige
Ziekenfondsraad. Volgens de tandheelkundig adviseur van de voormalige
Ziekenfondsraad mist de stoorvelddiagnostiek een wetenschappelijke
onderbouwing en gaat de therapie ver buiten hetgeen in medische en
tandheelkundige kringen gebruikelijk is.
In hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht ziet de
Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit inhoudelijk stand kan
houden.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante, begroot op € 9,46 in beroep en € 36,96
in hoger beroep, wegens reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven:
Veroordeelt Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds in de
proceskosten van appellante tot een bedrag van € 46,42;
Bepaalt dat de Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds
aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep
van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juli
2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|