|
Uitspraak
02/3601 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
OWM Agis Zorgverzekeringen U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand
te Zoetermeer, op de bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juli 2002,
reg.nr. SBR 01/1833, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 juni 2004, waar appellante in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Reeser en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. J van Beek en de geneeskundige J.
de Jong, beiden werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 23 augustus 2001 heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd
het besluit van 3 november 2000, waarbij het verzoek van appellante van
22 september 2000 om vergoeding van de kosten van een knieoperatie in
Frankrijk op 31 augustus 2000 door dr. J. Simonnet in de Clinique Arago
te Parijs, is afgewezen. Het bestreden besluit berust - kort gezegd - op
het standpunt dat de knieoperatie ook in Nederland had kunnen
plaatsvinden bij een ziekenhuis waarmee gedaagde een overeenkomst heeft
gesloten als bedoeld in artikel 44 van de Ziekenfondswet (hierna: Zfw)
zodat er geen noodzaak was om de operatie te laten plaatsvinden in het
buitenland in een ziekenhuis, waarmee gedaagde geen overeenkomst heeft
gesloten.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en heeft onder verwijzing naar de artikelen 8 en 9 van de
Ziekenfondswet, artikel 1 van de Regeling hulp in het buitenland
ziekenfondsverzekering, artikel 22 van de EEG-verordening 1408/71 en het
arrest van 12 juli 2001 in de zaak C-157/99 (Smits en Peerbooms) van het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna HvJ) geoordeeld
dat vergoeding terecht is geweigerd op de grond dat de knieoperatie in
Frankrijk voor de geneeskundige verzorging van appellante niet
noodzakelijk was.
Appellante is van die uitspraak gemotiveerd in hoger beroep gekomen.
De Raad overweegt het volgende.
Blijkens artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor
zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw vastgestelde Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (Vb). Volgens artikel 2, derde lid, van het Vb
kan een aanspraak op een verstrekking slechts tot gelding worden
gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een
oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard,
inhoud en omvang is aangewezen. Blijkens artikel 12, onder 1, sub a van
het Vb juncto artikel 8, eerste lid, onder a van de Zfw wordt
medisch-specialistische zorg, verleend door of vanwege een ziekenhuis,
naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijk is. Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Zfw kan bij
ministeriële regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke
voorwaarden een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan geven
zich voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden
tot een in het buitenland gevestigde zorgverlener. Deze ministeriële
regeling is de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering
van 30 juni 1988 (Stcrt. 1988, 123; hierna: Rhbz). Artikel 1 van de Rhbz
luidt: “Als gevallen waarin een ziekenfonds aan een verzekerde
toestemming kan verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op
een verstrekking te wenden tot een persoon of inrichting buiten
Nederland, worden aangewezen de gevallen waarin het ziekenfonds heeft
vastgesteld dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die
verzekerde nodig is”
Toestemming uit hoofde van het ontbreken van een medische noodzaak voor
de aangevraagde behandeling kan - in geval van intramurale zorg -
blijkens het arrest van het HvJ van 12 juli 2001 in de zaak C-157/99
slechts worden geweigerd, wanneer bij een instelling waarmee het
ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten, tijdig
een identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling kan
worden verkregen (hierna: noodzakelijkheidsvereiste).
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of toestemming
c.q. vergoeding terecht is geweigerd op de grond dat er geen noodzaak
was voor de betreffende knieoperatie in Frankrijk.
Evenals partijen merkt de Raad de medische behandeling die appellante in
Frankrijk heeft ondergaan, aan als intramurale zorg.
Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval niet voldaan
aan het noodzakelijkheidsvereiste. Zo er al een medische indicatie
bestond voor de betreffende knieoperatie, kan er, gelet op de voorhanden
zijnde stukken, niet worden geoordeeld dat een even adequate behandeling
bij een gecontracteerde instelling in Nederland niet - tijdig - mogelijk
was. De Raad vindt hiervoor steun in het advies van 21 augustus 2001 van
het College voor zorgverzekeringen, en in de rapportage van 5 maart 2001
van de adviserend geneeskundige van gedaagde. De brief van 4 september
2000 van de orthopedisch chirurg A. van Kampen brengt de Raad niet tot
een ander oordeel, nu hieruit slechts blijkt dat deze arts er niet voor
voelde appellante operatief te behandelen.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde terecht vergoeding van de kosten
van c.q. toestemming voor de aangevraagde operatie heeft geweigerd
Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juli
2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|