|
Uitspraak
02/609 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
O.W.M. Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds u.a., gevestigd te Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. I. Kruiders, advocaat te Enschede, op de bij
het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 december 2001, reg.nr. 01/291
ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 7 en 11 juni 2004 hebben partijen nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 juni 2004, waar appellante -
zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. J.H. de Boer, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en regelgeving verwijst
de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de rubrieken 2 en 3 van de
aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellante staat op grond van de Ziekenfondswet (Zfw) als verzekerde bij
gedaagde ingeschreven. Zij heeft op 16 januari 2000 een skiongeval
gehad in Oostenrijk, in verband waarmee zij, na verwijzing door een
plaatselijke huisarts, operatief is behandeld in een privé-kliniek, het
Chirurgie- en Sportsanatorium Dr. Schenk GmbH, te Schruns in Oostenrijk
(hierna: sanatorium Dr. Schenk).
Bij het bestreden besluit van 5 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante tegen de weigering om de kosten van opname en medische
behandeling in genoemde privé-kliniek in Oostenrijk op grond van de
Ziekenfondswet en de Verordening (EEG) nr. 1408/71 aan haar te vergoeden
ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de door
appellante genoten medische behandeling in de privé-kliniek in
Oostenrijk geen verstrekking is in de zin van de wettelijke
ziektekostenverzekering in Oostenrijk.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, onder
meer overwegende:
"(...) dat verzekerden op grond van artikel 22, eerste lid, van het
Verdrag uitsluitend aanspraak hebben op geneeskundige voorzieningen die
in de andere lidstaat behoren tot de wettelijke verstrekkingen.
Bovendien moet de genoten hulp als spoedeisend zijn aan te merken.
Hoewel het Verdrag op eiseres van toepassing is en de genoten hulp als
spoedeisend was aan te merken is de rechtbank met verweerder van oordeel
dat de verleende hulp niet is aan te merken als een wettelijke
verstrekking. De hulp is verleend door een privé-kliniek die
geneeskundige hulp niet kan verlenen op grond van de wettelijke
ziektekostenverzekering van Oostenrijk. Daarbij is niet gebleken dat de
operatie niet had kunnen plaatsvinden in een ziekenhuis volgens het
wettelijk stelstel van Oostenrijkse ziektekostenverzekeringen."
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
In geding is de vraag of terecht en op goede gronden door gedaagde is
geweigerd de kosten die verband houden met de opname en behandeling in
het sanatorium Dr. Schenk in Oostenrijk te vergoeden.
Evenals de rechtbank en op dezelfde grond is de Raad van oordeel dat
appellante geen aanspraak op vergoeding van kosten van opname en
behandeling in het sanatorium Dr. Schenk kan ontlenen aan het bepaalde
in artikel 22, eerste lid, onder a, sub i, van de Verordening 1408/71.
Appellante betwist tevergeefs dat deze geneeskundige hulp niet behoort
tot de verstrekkingen op grond van de wettelijke ziektekostenverzekering
van Oostenrijk, aangezien dit laatste reeds blijkt uit de brief van 9
juni 2000 van H. Döttelmayer van sanatorium Dr. Schenk.
De Raad is niet gebleken dat appellante in de gegeven situatie niet wist
dan wel op eenvoudige wijze te weten had kunnen komen dat het hier om
een privé-kliniek ging. Voorts had appellante erop bedacht moeten zijn
dat geneeskundige hulp in een privé-kliniek in het buitenland mogelijk
niet tot de verstrekkingen behoort, temeer daar zij uit artikel 1.6 sub
3 van de voorwaarden van de door haar afgesloten (op de
ziekenfondsverzekering) aanvullende verzekering had kunnen afleiden dat
de kosten van opname en behandeling in een privé-kliniek niet ten laste
van de ziekenfondsverzekering voor vergoeding in aanmerking komen. Door
tijdig, dat wil zeggen voorafgaand aan de opname en de behandeling,
contact op te nemen met gedaagde of de voor gedaagde werkende instantie
SOS International had appellante de vereiste duidelijkheid kunnen
krijgen evenals ondersteuning bij het inroepen van wel ten laste van de
ziekenfondsverzekering te brengen geneeskundige hulp.
De Raad is niet gebleken dat appellante hiertoe niet in staat zou zijn
geweest. Aan de stelling van appellante dat vóór de operatie op 17
januari 2000 zowel door haarzelf als door haar assurantietussenpersoon
contact zou zijn opgenomen met SOS International gaat de Raad voorbij,
omdat dit niet is komen vast te staan. Uit de administratie van SOS
International blijkt dat appellante voor het eerst op 21 januari 2000,
dus nadat zij was geopereerd, bij deze instantie melding heeft gemaakt
van de opname in het sanatorium Dr. Schenk. De Raad acht
ongeloofwaardig, mede gelet op de door gedaagde ter zitting toegelichte
handelwijze bij SOS International, dat eerdere telefonische meldingen
niet zouden zijn geregistreerd.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante geen doel
treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|