|
Uitspraak
03/119 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift, toegelicht bij brief van
19 februari 2003, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 november 2002, reg.nr.
02/1411 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19
augustus 2004, waar partijen - wat gedaagde betreft met voorafgaand
bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Bij het bestreden besluit van 27 mei 2002 heeft gedaagde in bezwaar
gehandhaafd de weigering een kleur-/lichtcontrastdetector
aan appellant te verstrekken.
Die weigering berust - samengevat - op het standpunt van gedaagde dat de
aangevraagde detector geen hulpmiddel is als bedoeld in de lijst van de
op artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering
berustende Regeling hulpmiddelen 1996 (hierna: de Regeling) en dat er
voor gedaagde geen ruimte is om af te wijken van die regeling, aangezien
in de toepasselijke voorschriften geen hardheidsclausule is opgenomen.
In beroep heeft appellant aangevoerd - kort gezegd - dat de bij de
Regeling behorende limitatieve lijst, onder meer wat betreft
hulpmiddelen voor mensen die (bepaalde) kleuren niet kunnen
onderscheiden, onvoldoende bij de tijd is en dat gedaagde in zijn geval
een medisch onderzoek had moeten instellen.
In reactie hierop heeft gedaagde bij schrijven van 20 september 2002
uiteengezet op welke wijze de Regeling door de daartoe bevoegde
regelgever regelmatig wordt geactualiseerd en aangepast, zulks met
inachtneming van de aanbevelingen van het College voor zorgverzekeringen
en na overleg met de uitvoeringspraktijk (waaronder begrepen patiëntenorganisaties, voorschrijvers en koepelorganisaties uit de
hulpmiddelen branche).
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer gewezen op
de vaste jurisprudentie van de Raad, neergelegd in de uitspraken
gepubliceerd in USZ 2000/174 en USZ 2001/13, inhoudende dat de aard van
het in de Regeling neergelegde enumeratief en limitatief systeem zich in
beginsel niet verdraagt met een extensieve uitleg van de daarin
geregelde aanspraken op verstrekkingen (waaronder hulpmiddelen). De
rechtbank heeft in verband hiermee overwogen dat er geen ruimte is voor
een extensieve interpretatie van de in de Regeling - wel - opgenomen
omschrijving van hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening
en signalering. Hetgeen door appellant is aangevoerd heeft de rechtbank
niet tot een andere slotsom gebracht.
In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg betrokken stellingen
herhaald.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die stellingen op goede
gronden verworpen. Mede onder verwijzing naar zijn uitspraak
(betreffende een zogeheten robotarm) van 29 januari 2002, gepubliceerd
in onder meer RZA 2002 nr. 50, onderschrijft de Raad de overwegingen die
de rechtbank tot de slotsom hebben gebracht dat het bestreden besluit in
rechte standhoudt.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29
september 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|