|
Uitspraak
02/3634 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A., gevestigd te Rotterdam, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij besluit van 14 augustus 1998 afwijzend beschikt op
de aanvraag van gedaagde om de kosten van behandeling van zijn zoon
Dmitri in het Breakspear Hospital te Hemel Hempstead (Verenigd
Koninkrijk) te vergoeden. Voorts heeft appellant bij beslissing van 15
september 1998 geweigerd de kosten van aanschaf van contactlenzen te
vergoeden.
Gedaagde heeft hiertegen bij brieven van 28 augustus 1998,
respectievelijk 23 september 1998 bezwaar gemaakt.
De Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor
zorgverzekeringen heeft op 15 mei 2000 van advies gediend.
Appellant heeft de bezwaren van gedaagde bij besluit van 17 mei 2000
ongegrond verklaard.
Appellant heeft bij brief van 3 juni 2000 beroep ingesteld bij de
rechtbank Amsterdam.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 juni 2002, reg.nr.
00/3153 ZFW, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 mei 2000
vernietigd. Daarbij heeft zij het bezwaar voor zover gericht tegen de
afwijzing van de aanvraag om vergoeding van contactlenzen
niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift ingezonden.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden en op de inhoud daarvan
schriftelijk gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2004.
Voor appellant zijn daar verschenen mr. H. Kreeft, drs. J. van Hooidonk
en R.W. Bestebreurtje. Gedaagde is daar in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. Walker.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Gedaagde stond ten tijde van belang als verzekerde op grond van de
Ziekenfondswet (Zfw) bij appellant ingeschreven. Zijn zoon Dmitri,
geboren [in], lijdt aan een ernstige allergische aandoening. Hij is
daarvoor door dr. J. Monro volgens de zogeheten neutralisatiemethode
behandeld in het Breakspear Hospital te Hemel Hempstead (Verenigd
Koninkrijk). Tot 1997 heeft gedaagde de hieraan verbonden kosten zelf
gedragen. In 1997 zijn de kosten door appellant vergoed. In augustus
1998 heeft gedaagde een declaratie ingediend voor de kosten van
behandeling van zijn zoon in juni 1998. Bij besluit van 14 augustus 1998
heeft appellant geweigerd deze kosten te vergoeden. Het daartegen
gemaakte bezwaar is in het in geding zijnde besluit van 17 mei 2000
ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat een
behandeling volgens de neutralisatiemethode in Nederland niet wordt
uitgevoerd en voorts niet gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten
zodat deze niet kan worden aangemerkt als een verstrekking als bedoeld
in de Ziekenfondswet. Appellant heeft verwezen naar een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 9 april 1999, gepubliceerd in RSV 1999,
190, over deze methode. Daarin heeft de Raad overwogen dat de
behandeling in het Breakspear Hospital ten tijde toen in geding niet
gebruikelijk was in de kring van Nederlandse beroepsgenoten nu uit
rapporten van de deskundigen prof. dr. C.A.F.M. Bruijnzeel-Koomen en dr.
R. Gerth van 24 april 1996, respectievelijk 15 mei 1996, was gebleken
dat deze methode onvoldoende was gevalideerd door (internationaal)
wetenschappelijk onderzoek. Bij die beoordeling is uitgegaan van de
aanname dat de Nederlandse beroepsgroep zich op de hoogte stelt van
ontwikkelingen die zich elders op het eigen vakgebied hebben voorgedaan.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 mei 2000 gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij is van oordeel dat appellant een
onjuiste maatstaf heeft aangelegd door de gebruikelijkheid van de
ondergane behandeling af te meten aan het standpunt daarover van de
kring van Nederlandse beroepsgenoten. In het licht van het arrest van
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 juli 2001,
reg.nr. C157/99, had appellant er volgens de rechtbank niet mee mogen
volstaan te verwijzen naar de op die maatstaf gebaseerde uitspraak van
de Raad van 9 april 1999, maar had zij zich moeten verdiepen in de vraag
of de neutralisatiemethode door de internationale wetenschap ten tijde
in geding voldoende is beproefd en deugdelijk bevonden. Voorts heeft de
rechtbank in die uitspraak overwogen dat de in geschil zijnde beslissing
over de vergoeding van contactlenzen op de privaatrechtelijke
aanvullende verzekering van gedaagde berust, zodat deze beslissing niet
kan worden aangemerkt als een besluit waartegen op grond van artikel 8:1
van de Awb de rechtsmiddelen van de Awb openstaan.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de uitspraak
van de rechtbank voor zover deze ziet op de vergoeding van de kosten van
behandeling volgens de neutralisatiemethode in 1998.
Appellant heeft aangevoerd dat door de rapporten die de deskundigen
prof.dr. Bruijnzeel-Koomen en dr. Gerth in 1996 hebben uitgebracht
voldoende is aangetoond dat de in het Breakspear Hospital toegepaste
neutralisatiemethode in internationaal wetenschappelijk onderzoek
onvoldoende gevalideerd is. Nader onderzoek door zijn medisch adviseur
heeft uitgewezen dat er geen aanwijzingen zijn dat de beroepsgroep van
allergologen, KNO-artsen of huidartsen de neutralisatiemethode nadien
heeft geaccepteerd. Appellant is van mening dat een therapie pas
gebruikelijk kan worden genoemd als in minimaal twee dubbelblind
gerandomiseerde onderzoekingen de resultaten superieur zijn gebleken ten
opzichte van de tot dan toe beste therapie. Deze onderzoekingen dienen
in twee verschillende gerenommeerde, peer-reviewde tijdschriften
gepubliceerd te zijn en niet op wezenlijke punten te zijn aangevochten.
Daarvan uitgaande heeft de medisch adviseur aangegeven dat er geen
vergelijkend onderzoek van de neutralisatiemethode van dr. Monro
gepubliceerd is in internationale tijdschriften en dat deze bevinding
gedeeld wordt door prof. dr. Bruijnzeel-Koomen.
Namens gedaagde is aangevoerd dat de medisch adviseur van appellant een
onjuiste maatstaf heeft aangelegd door, anders dan het HvJEG in zijn
arrest van 12 juli 2001, reg.nr. C 157/99, heeft bepaald, niet alle
relevante gegevens te betrekken in zijn beoordeling of de
neutralisatiemethode in de internationale wetenschap voldoende is
beproefd en deugdelijk bevonden. Voorts zijn volgens gedaagde relevante
zoektermen niet gebruikt en relevante gepubliceerde onderzoeken over het
hoofd gezien.
De Raad overweegt het volgende.
Vastgesteld moet worden dat appellant zijn in het besluit van 17 mei
2000 neergelegde standpunt, zoals dat blijkt uit de overwegingen van dat
besluit, baseert op ’s Raads oordeel over de neutralisatiemethode
zoals dat is neergelegd in de uitspraak van 9 april 1999, gepubliceerd
in RSV 1999, 190. De Raad heeft daarin beoordeeld of deze methode
aangemerkt kon worden als in de kring van de Nederlandse beroepsgenoten
gebruikelijk. Daarbij is ervan uitgegaan dat de desbetreffende
beroepsgenoten zich op de hoogte stellen van zich (elders) voordoende
ontwikkelingen op hun vakgebied. Uit het arrest van het HvJEG van 12
juli 2001, reg.nr. C 157/99, volgt dat zulk een maatstaf zich niet
verdraagt met het EG-recht en dat beoordeeld dient te worden of de in
geding zijnde behandeling door de internationale wetenschap voldoende is
beproefd en deugdelijk bevonden. Bij die beoordeling dienen alle
relevante gegevens in aanmerking te worden genomen, waaronder met name
literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van
specialisten. Aangezien het EG-recht rechtstreeks doorwerkt in de
rechtsorde van elk van de lidstaten had appellant ten tijde van het
nemen van het besluit van 17 mei 2000 de door het HvJEG bepaalde
maatstaf moeten aanleggen. Nu vastgesteld moet worden dat appellant in
dat besluit een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en geen onderzoek
heeft ingesteld naar alle feiten en omstandigheden die nodig zijn voor
het nemen van een beslissing die op de rechtens juiste maatstaf
gebaseerd is, kan het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen
3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand blijven.
Hieruit volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft
vernietigd en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten,
dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om te bepalen dat de rechtsgevolgen van
het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Appellant heeft bij de
beoordeling van de gebruikelijkheid van de neutralisatiemethode geen
rekening gehouden met de relevante gegevens door de eis te stellen dat
een therapie pas gebruikelijk kan worden genoemd als in minimaal twee
dubbelblind gerandomiseerde onderzoekingen de resultaten superieur zijn
gebleken ten opzichte van de tot dan toe beste therapie en voorts dat
deze onderzoekingen in twee verschillende gerenommeerde, peer-reviewde
tijdschriften zijn gepubliceerd en niet op wezenlijke punten te zijn
aangevochten. Niet gebleken is dat onderzoek is gedaan naar andere
relevante gegevens, zoals onderzoeken of publicaties met een geringere
bewijskracht, gezaghebbende meningen van specialisten in binnen en
buitenland en inzichten en opvattingen in de (internationale)
literatuur, noch dat en in hoeverre aan die gegevens, zonodig in
onderling verband, waarde is toegekend. Evenmin is aandacht besteed aan
de vraag of de aangevraagde behandeling wordt verstrekt door de Engelse
publiekrechtelijke ziektekostenverzekering.
Appellant zal hieraan aandacht dienen te besteden bij het nemen van een
nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant.
De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen tot vergoeding
van de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden
bepaald op € 644,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep en € 17,32
voor reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Draagt appellant op om binnen 12 weken na dagtekening van deze uitspraak
een nieuwe beslissing op het bezwaar van gedaagde te nemen;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 661,32;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30
september 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|