|
Uitspraak
voorzieningenrechter 04/3700 ZFW en 04/3943 ZFW-VV
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht, alsmede op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet, in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker (gedaagde in de
hoofdzaak),
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar DSW U.A., gevestigd
te Schiedam, gedaagde (appellante in de hoofdzaak).
I. INLEIDING
Gedaagde heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage van 7 mei 2004, reg.nr. 03/4508 ZFW.
Namens verzoeker heeft mr. M.F.Vermaat, advocaat te Amsterdam, de
voorzieningenrechter verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 augustus 2004. Verzoeker
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vermaat, met bijstand van N.M.
van der Wel en C.P.J. Zuijderwijk, beiden werkzaam bij NESS Nederland B.V.
te Ridderkerk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F.
van Veen, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Algemeen
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van de Awb
houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de
voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de
zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat
ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te
doen in de hoofdzaak.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij aanvraag van 15 mei 2002 heeft verzoeker gedaagde verzocht om aan
hem, op grond van zijn verzekering ingevolge de Ziekefondswet (Zfw), de
huurkosten van een NESS Handmaster gedurende de periode van een
proefbehandeling overeenkomstig het zogenoemde WCN-protocol te
vergoeden.
Bij besluit van 5 juli 2002 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 26 juli 2002 bezwaar
gemaakt. Op 24 september 2002 heeft de hoorzitting in het kader van de
bezwaarschriftprocedure plaatsgevonden. Op 6 juni 2003 heeft het College
voor zorgverzekeringen op grond van artikel 74 van de Zfw advies
uitgebracht aan gedaagde.
Bij aanvraag van 4 juli 2003 heeft verzoeker gedaagde verzocht om aan
hem, in aansluiting op de - succesvolle - proefbehandeling, een NESS
Handmaster te verstrekken.
Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft gedaagde ook die aanvraag
afgewezen.
Bij brief van 3 september 2003 heeft verzoeker aan gedaagde - onder meer
- het volgende bericht:
“Ik moet u eerlijk zeggen, dat het zeer korte berichtje van uw
medewerker (...), adviseur voorzieningen, waarin hij de gevraagde
handmaster afwijst, mij erg heeft verbaasd (...).
De feiten hebben mijn bezwaar dd 26 juli 2002 tegen het niet vergoeden
van de proefperiode ingehaald. De fabrikant heeft mij de handmaster ter
beschikking gesteld voor de proefperiode. Deze is inmiddels conform het
vereiste protocol uitgevoerd en afgesloten. De revalidatiearts schrijft
mij definitief de handmaster voor. Ik wil u beleefd verzoeken mij deze
te verstrekken (...).”
Bij besluit van 23 september 2003 heeft gedaagde het bezwaar van
verzoeker tegen het besluit van 5 juli 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het namens verzoeker tegen het besluit
van 23 september 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat gedaagde met inachtneming van die uitspraak
een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.
Gedaagde heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
Beoordeling van de hoofdzaak
De voorzieningenrechter overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.
Uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank
niet alleen een oordeel heeft gegeven over het besluit (op bezwaar) van
23 september 2003 met betrekking tot de vergoeding van de huurkosten
voor de proefperiode, maar ook over het (primaire) besluit van 1
augustus 2003 met betrekking tot de - definitieve - verstrekking.
Daarmee is de rechtbank, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de
Awb, buiten de omvang van het geding getreden. Om die reden dient de
aangevallen uitspraak te worden vernietigd.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de
voorzieningenrechter aansluitend het volgende.
Uit de brief van verzoeker van 3 september 2003 blijkt dat hij gedurende
de proefperiode de beschikking heeft gehad over een NESS Handmaster. Ter
zitting is bovendien zowel van de zijde van gedaagde als van de
leverancier bevestigd dat voor het gebruik van de NESS Handmaster
gedurende de proefperiode geen kosten in rekening zijn gebracht en ook
niet zullen worden gebracht. Daarmee is gegeven dat verzoeker (reeds)
ten tijde van het instellen daarvan geen belang had bij zijn beroep
tegen het besluit van 23 september 2003, zodat dit niet-ontvankelijk moet
worden verklaard.
Voor vergoeding van het door verzoeker in beroep betaalde griffierecht
en voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Voor de goede orde wijst de voorzieningenrechter er nog op dat de brief
van verzoeker van 3 september 2003 moet worden aangemerkt als een
bezwaarschrift tegen het besluit van 1 augustus 2003. Op dit bezwaar
dient gedaagde - met voortvarendheid - alsnog te beslissen.
Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening
Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe, dat hangende de
besluitvorming met betrekking tot de definitieve verstrekking aan
verzoeker een NESS Handmaster wordt verstrekt.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (vgl. de uitspraken van 7 mei
2004, reg.nr. 04/1683 WAO-VV, en 18 augustus 2004, reg.nr. 04/3159
ZFW-VV), vloeit uit de functie van het in artikel 8:81, eerste lid, van
de Awb besloten liggende connexiteitsvereiste voort dat daaraan niet
alleen in formele maar ook in materiële zin dient te worden voldaan.
Dat wil zeggen dat de gevorderde voorlopige voorziening(en) betrekking
moet(en) hebben op het - connexe - in de hoofdzaak bestreden besluit
(respectievelijk, in voorkomende gevallen, op het daaraan voorafgegane
primaire besluit).
In dit geval heeft het verzoek om voorlopige voorziening betrekking op
het primaire besluit van 1 augustus 2003, waartegen afzonderlijk bezwaar
is gemaakt, en derhalve niet op het in de hoofdzaak bestreden besluit
van 23 september 2003. Dat de rechtbank - ten onrechte - ook het besluit
van 1 augustus 2003 in haar beoordeling heeft betrokken, maakt dit niet
anders. Aldus is niet aan het materiële connexiteitsvereiste voldaan,
zodat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk dient te
worden verklaard.
Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een
veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Voor de goede orde wijst de voorzieningenrechter er nog op dat verzoeker
hangende het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2003 bij de
voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om toepassing van
artikel 8:81 van de Awb kan doen.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2003
niet-ontvankelijk;
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24
augustus 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|