|
Uitspraak
03/29 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Engeland), appellante,
en
OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. H. Holthuis, wonende te Nootdorp, op bij het
aanvullend beroepschrift aangevoerde - en bij brief van 10 maart 2003
nader uitgewerkte - gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van
de rechtbank Haarlem van 22 november 2002, reg.nr. Awb 02-224 ZFW H V18
G17 K1.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 9
maart 2004, zoals verzocht, nog een aanvullende reactie gegeven.
Het geding is behandeld te zitting van 22 september 2004, waar mr.
Holthuis namens appellante is verschenen en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. G.A. van den Berg, werkzaam bij
gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, mede gelet op de inhoud van de gedingstukken, uit van de
volgende feiten en omstandigheden.
Appellante stond ten tijde van belang als verzekerde op grond van de
Ziekenfondswet (Zfw) bij gedaagde ingeschreven.
Appellante is op 29 januari 1999 vanuit Nederland met vakantie naar
Engeland gegaan.
Volgens appellante kreeg zij in Engeland door een misstap op 2 februari
1999 pijn aan haar heup. De volgende dag is appellante voor onderzoek
naar het Bournemouth Nuffield Hospital (een privé-kliniek) gegaan.
Aldaar heeft zij op 9 februari 1999 een heupoperatie (vervanging heup)
ondergaan. Bij brief van 9 april 1999 heeft appellante gedaagde om
vergoeding van de operatiekosten (Ł 7.370,00) verzocht. Bij besluit
van 20 december 1999 heeft gedaagde vergoeding van deze kosten
geweigerd. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij
het besluit van 17 december 2001 (het bestreden besluit) ongegrond
verklaard. Aan dat bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag
dat er geen sprake was van onmiddellijk noodzakelijke zorg als bedoeld
in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening van de
Raad van de Europese Gemeenschappen (EEG-verordening 1408/71; hierna:
Verordening) en dat het Bournemouth Nuffield Hospital (hierna: BNH) niet
aangesloten is bij The National Health Service (hierna: NHS), zodat ook
geen sprake is van een verstrekking als bedoeld in artikel 22, eerste
lid, sub i, van de Verordening.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het
oordeel van de rechtbank bevond appellante zich na haar misstap niet in
een toestand die het noodzakelijk maakte dat onmiddellijk -in Engeland-
prestaties werden verleend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet
voldaan is aan het vereiste dat de zorg verleend wordt door een persoon
of instelling waarmee de zorgverzekeraar een overeenkomst heeft
gesloten, nu het BNH niet aangesloten is bij de NHS.
Namens appellante is het oordeel van de rechtbank in hoger beroep
gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor spoedeisende hulp in het buitenland is voor verzekerden ingevolge
de Zfw artikel 22 van de Verordening van belang.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening
heeft de werknemer of zelfstandige die aan de door de wettelijke
regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op
prestaties voldoet, en wiens toestand het nodig maakt dat onmiddellijk
prestaties worden verleend gedurende het verblijf op het grondgebied van
een andere Lidstaat, recht op (sub i): verstrekkingen, welke voor
rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of
verblijfplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste
wettelijke regeling, alsof deze werknemer of zelfstandige bij
laatstbedoeld orgaan was aangesloten.
Gelet op het tijdsverloop tussen de (gestelde) misstap van appellante en
haar heupoperatie, de summiere verklaring van de orthopedisch chirurg R.L.
Jowett FRCS van 2 oktober 2000 en de bevindingen van de adviserend
geneeskundige van gedaagde van 7 mei 2001, in samenhang bezien met het
advies van de medisch adviseur van het College van zorgverzekeringen,
neergelegd in de brief van 12 december 2001, moet ook de Raad het er
voor houden dat in het onderhavige geval geen sprake was van
spoedeisende hulp als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, van de
Verordening. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat niet
gebleken is dat appellante op 2 februari 1999 haar heup had gebroken,
dat uit de verklaring van Jowett niet blijkt dat vervoer van appellante
naar Nederland niet mogelijk was geweest, en dat van de zijde van
appellante de bevindingen van de medisch adviseurs niet met medische
gegevens onderbouwd zijn bestreden.
Evenals gedaagde en de rechtbank, en op dezelfde gronden, is ook de Raad
van oordeel dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 22, eerste
lid, onder i, van de Verordening, onder meer inhoudende dat er sprake
moet zijn van een verstrekking, welke door het orgaan van de woon- of
verblijfplaats wordt verleend volgens de door dat orgaan toegepaste
wettelijke regeling.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep verder is aangevoerd heeft de
Raad, gelet op de strekking van de aanvraag van 9 april 1999, niet tot
een ander oordeel kunnen leiden.
De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13
oktober 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|