|
Uitspraak
98/2943 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Stichting Centrale Zorgvezekeraars groep, Ziekenfonds, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft H.A.H.L.T. van Hoof, belastingadviseur te Beek
en Donk, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
‘s-Hertogenbosch van 2 maart 1998, reg.nr. AWB 96/2945 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2004, waar voor
appellante is verschenen H.A.H.L.T. van Hoof, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door N.J.H. Dams-van der Heijden, werkzaam
bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante is - na verwijzing door haar huisarts - in verband met een
spondylodeseoperatie van 11 tot 18 januari 1995 opgenomen geweest in de
Rieflerkliniek te München in Duitsland.
Bij besluit van 9 juni 1995 heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek van appellante om de aan deze behandeling verbonden kosten (f.
26.337,--) te vergoeden. Aan deze afwijzing ligt het standpunt ten
grondslag dat toestemming als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de
Ziekenfondswet (Zfw) niet (achteraf) verleend kan worden, omdat de
uitgevoerde operatie, indien daarvoor een indicatie bestaat, ook binnen
een redelijke termijn in Nederland had kunnen worden uitgevoerd. Voorts
is er volgens gedaagde geen sprake van spoedeisende hulp.
De Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad heeft
op 11 maart 1996 advies uitgebracht. De Commissie onderschrijft het
standpunt van gedaagde.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 9 juni 1995 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
vastgesteld dat gedaagde voorafgaand aan de operatie geen toestemming
heeft verleend en geoordeeld dat deze toestemming ook niet achteraf
behoefde te worden verleend. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat
niet vast staat dat de door appellante ondergane operatie noodzakelijk
was, en zo daarvan wel sprake zou zijn, kan - zonder te miskennen dat er
in Nederland een behoorlijke wachttijd bestond - niet worden gezegd dat
de hulp niet gegeven kon worden binnen de termijn die daarvoor in
Nederland staat.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Aangevoerd is dat haar behandelend artsen in Nederland een
behandeling noodzakelijk achtten en daartoe het implanteren van een
pijnstiller hadden voorgesteld. Aangezien appellante een structurele
oplossing wenste, heeft zij zich via de huisarts gewend tot een
specialist in Duitsland, die - uiteindelijk - tot het verrichten van een
spondylodeseoperatie heeft besloten. Appellante wist tot februari 1995
niet dat een soortgelijke operatie ook in Nederland mogelijk was. Zij
betwist dat zij deze operatie binnen een redelijke termijn had kunnen
ondergaan. Een wachttijd van 4 à 5 maanden acht zij in dat kader een
maximumtermijn.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij haar in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Blijkens artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor
zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw vastgestelde Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (Vb). Ingevolge artikel 2 van het Vb (zoals dat
ten tijde in geding luidde) hebben verzekerden ter voorziening in hun
geneeskundige verzorging aanspraak op verstrekkingen van onder meer
opneming en verder verblijf in een ziekenhuis. In artikel 13 van het Vb,
zoals dat ten tijde in geding luidde, is bepaald dat voor opneming en
verder verblijf in een ziekenhuis een opnemingsindicatie dient te
bestaan.
Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Zfw kan bij ministeriële
regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een
ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan geven zich voor het
geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een in
het buitenland gevestigde zorgverlener. Deze ministeriële regeling is
de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni
1988 (Stcrt. 1988, 123; hierna: Rhbz). Artikel 1 van de Rhbz luidt:
“Als gevallen waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming
kan verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een
verstrekking te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland,
worden aangewezen de gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld
dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig
is”.
Toestemming uit hoofde van het ontbreken van medische noodzaak voor een
aangevraagde intramurale behandeling in het buitenland kan blijkens
vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (Hierna: HvJEG) op grond van de artikelen 59 en 60 (thans
49 en 50) van het EG-verdrag slechts worden geweigerd, wanneer bij de
persoon of instelling, waarmee het ziekenfonds van de verzekerde een
overeenkomst heeft gesloten, tijdig een identieke of voor de patiënt
even doeltreffende behandeling kan worden verkregen. Daarbij dient acht
te worden geslagen op alle omstandigheden van ieder concreet geval, door
niet alleen de gezondheidstoestand van de patiënt op het moment waarop
de toestemming wordt gevraagd en de mate van pijn en de aard van de
handicap, maar ook diens antecedenten naar behoren in aanmerking te
nemen.
In zijn uitspraak van 18 juni 2004 (USZ 2004, 277) heeft de Raad met
inachtneming van de overwegingen van het HvJEG in zijn arrest van 13 mei
2003 (zaaknr. C 358/99 inzake Müller-Fauré/Van Riet) met betrekking
tot wachttijden voor medische behandelingen in Nederland het volgende
overwogen:
"Hierbij zal de Raad allereerst ingaan op de vraag welke betekenis
in het licht van het vrij verkeer van diensten toegekend kan worden aan
in een lidstaat bestaande wachttijden of wachtlijsten voor een bepaalde
medische behandeling. De Raad leidt uit rechtsoverweging 92 van het
arrest af, dat de weigering van toestemming voor een behandeling in het
buitenland, ondanks het bestaan van wachttijden voor zo’n behandeling
in de eigen lidstaat, niet als een verboden belemmering van het vrij
verkeer van diensten kan worden beschouwd, zo lang het gaat om
wachttijden die noodzakelijk kunnen worden geacht voor een planning van
de gezondheidszorg welke beoogt een toereikende en permanente toegang te
garanderen tot een evenwichtig aanbod van kwaliteitszorg. Wanneer ten
aanzien van de wachttijden een verband als hiervoor bedoeld niet meer
aangetoond of aannemelijk gemaakt kan worden, kan de weigering om zo’n
behandeling in een andere lidstaat te laten verrichten, niet meer als
een gerechtvaardigde belemmering van het vrij verkeer van diensten
aangemerkt worden. De noodzaak om de bescherming van de volksgezondheid
te garanderen bestaat dan immers niet meer en de wachttijden zijn dan
ook niet meer nodig om leegloop en verspilling te vermijden. Een
weigering om ondanks een ongerechtvaardigde wachttijd toestemming te
verlenen voor een intramurale medische behandeling in een andere
lidstaat is volgens het Hof uitsluitend gebaseerd op een economische
doelstelling, welke niet als een rechtvaardiging voor de belemmering van
deze verdragsvrijheid aangemerkt kan worden.
Het vorenstaande dient er naar 's Raads oordeel in het algemeen toe te
leiden dat naarmate bestaande wachttijden langer zijn, er des te minder
gronden bestaan om een rechtvaardiging voor de belemmering van het vrije
verkeer van diensten aan te nemen. Indien een voor een goede planning en
ter voorkoming van leegloop en verspilling benodigde wachttijd in
betekenende mate wordt overschreden zal weigering van de gevraagde
toestemming niet gerechtvaardigd kunnen worden geacht, zelfs als op
grond van de gezondheidstoestand en de overige antecedenten van de patiënt
behandeling binnen afzienbare tijd niet noodzakelijk is."
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de
medische behandeling die appellante in januari 1995 in Duitsland heeft
ondergaan, moet worden aangemerkt als intramurale zorg.
Zoals gezegd berust de weigering van gedaagde om appellante toestemming
te verlenen voor het ondergaan van de spondylodeseoperatie in Duitsland
op het standpunt dat zij, indien er een medische indicatie voor de
aangevraagde behandeling was, binnen redelijke termijn in Nederland in
een gecontracteerde zorginstelling geopereerd had kunnen worden.
Gedaagde heeft zich over de medische indicatie geen oordeel gevormd,
omdat naar haar mening niet tijdig (vooraf) om toestemming is verzocht
en het voor haar daardoor niet mogelijk was om achteraf vast te stellen
of er een medische indicatie voor de spondylodeseoperatie aanwezig was.
Laatstgenoemde stelling mist feitelijke grondslag. De Raad acht, gelet
op het correspondentieformulier d.d. 8 februari 1995 van de
verzekeringsagent van gedaagde - waarin vermeld staat dat verzekerde een
verzoek om hulp in het buitenland heeft ingediend, en daarna in januari
1995 nogmaals een aanvraag daartoe heeft ingediend - de mededelingen
vanwege appellante ter zitting van de rechtbank en het door de
echtgenoot van appellante gestelde ter terechtzitting van de Raad dat
hij al in oktober/november 1994 contact daarover heeft gehad met de
verzekeringsagent, in het onderhavige geval voldoende aannemelijk dat al
eerder dan in januari 1995 een verzoek om toestemming voor de
onderhavige operatie bij gedaagde is gedaan. Om een onopgehelderde reden
heeft dat verzoek niet geleid tot een reactie van de kant van gedaagde.
Ditzelfde geldt voor de aanvraag van 3 januari 1995.
Met betrekking tot de voor haar beschikbare zorg in Nederland is van de
zijde van appellante in de procedure meermalen verklaard dat zij van
haar huisarts heeft vernomen dat ten tijde in geding de wachttijd voor
een spondylodeseoperatie in Nederland twee jaar bedroeg. Gedaagdes
gemachtigde heeft ter zitting van de rechtbank en ook ter zitting van de
Raad meegedeeld dat bij gedaagde niet bekend is hoe lang de wachttijd
voor een dergelijke operatie in 1995 was. Ter zitting van de rechtbank
heeft de gemachtigde van gedaagde aangegeven dat op dat moment (1998) de
wachttijd ongeveer zeven maanden bedroeg. De medisch adviseur van
gedaagde heeft in zijn brief van 6 september 1995 meegedeeld dat er voor
een spondylodeseoperatie in Nederland lange wachttijden bestaan.
Uit het voorgaande concludeert de Raad dat geenszins kan worden gezegd
dat de wachttijd voor een spondylodeseoperatie in Nederland ten tijde
in geding, mede gelet op de normen voor aanvaardbare wachttijden in
Nederland (de zogenaamde Treeknormen), welke uitgaan van aanzienlijk
kortere wachttijd voor een dergelijke operatie dan genoemde termijnen,
zodanig was, dat deze de onderhavige belemmering van het door het EG-verdrag gewaarborgde vrij verkeer van diensten kon rechtvaardigen.
Voorts stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat door gedaagde bij de
voorbereiding van het bestreden besluit acht is geslagen op alle
omstandigheden van het concrete geval, waaronder de gezondheidstoestand
van appellante, de mate van pijn, de aard van de handicap en haar
antecedenten. Gedaagde heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd, dat -
indien er een medische indicatie voor een spondylodeseoperatie aanwezig
was - tijdig bij een gecontracteerde instelling een identieke of voor
appellante even doeltreffende behandeling had kunnen worden verkregen.
Nu voorts, gelet op de thans ter beschikking staande gegevens, evenmin
duidelijkheid bestaat over de medische indicatie voor een operatie als
de onderhavige, concludeert de Raad dat in het onderhavige geval het
bestreden besluit - in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de
Algemene wet bestuursrecht - niet met de vereiste zorgvuldigheid is
genomen en ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat het voor vernietiging in
aanmerking komt. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit
in stand is gelaten, deelt dit lot.
Gedaagde dient, met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen, een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen tot vergoeding
van de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze
kosten worden bepaald op € 1.449,-- voor rechtsbijstand in beroep en
in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 9 juni 1995;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van in totaal € 1.449,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van in
totaal € 95,29 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20
oktober 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|